Deel dit artikel

tijdens hun onderzoek naar mensenrechtenschendingen moeten forensische experts vaak moeilijke ethische en politiek geladen beslissingen nemen. een internationale forensische ethiek stelt vier basisprincipes voorop: forensische teams hechten veel waarde aan wetenschap als methode en vorm van waarheid, ze bewaken hun politieke autonomie, praktiseren een vorm van moreel universalisme ten opzichte van slachtoffers en hebben oog voor de noden van de rouwenden.

Opgravingen van massagraven: een ethisch mijnenveld

Lore Colaert

In 2011 was ik op veldonderzoek in Chillón, een dorp in Castilla-la-Mancha, net voor een forensisch team een grafput met negen slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog zou onderzoeken. De zoon van een van de slachtoffers gaf echter geen toestemming voor de opgraving. Hij wist al voldoende wat er gebeurd was en wilde de site van het graf liever behouden als getuigenis voor de toekomst, geëerd met een monument dat de families er hadden gebouwd. Hij vreesde dat een normalisering van hun situatie door hen te begraven in het dorpskerkhof, zoals ‘unos muertos más’ (‘zomaar andere doden’), de herinnering zou uitdoven. De andere families waren echter vragende partij voor een forensisch onderzoek, dus de opgraving ging door. De families beslisten wel dat de lichamen niet zouden geïdentificeerd worden maar collectief herbegraven. Uiteindelijk zouden het engagement en de zorg voor de lichamen van het team, en de mogelijkheid tot participatie voor de lokale gemeenschap, de steun van alle families verzekeren.

Dit voorbeeld uit mijn veldonderzoek toont aan dat forensische experts tijdens onderzoek naar mensenrechtenschendingen vaak moeilijke ethische en politiek geladen beslissingen moeten nemen. Adam Rosenblatt biedt in zijn boek Digging for the Disappeared: Forensic Science after Atrocity een brede analyse van de geschiedenis, politiek en ethiek van forensisch onderzoek van massagraven – van de desaparecidos in Latijns-Amerika tot het onderzoek in post-Saddam Irak. Dit fascinerende onderzoeksveld roept inderdaad zowel juridische, historische als ethische vragen op. Sinds het pionierswerk in Argentinië in de jaren 1980 daagt het wetenschappers van verschillende disciplines uit om over de onvermijdelijke politieke rol van hun werk te reflecteren.  Rosenblatts studie doet recht aan de wereldwijde dimensie die het veld kreeg. Het Argentijnse forensische team en mensenrechtenorganisaties zoals de Madres en de Abuelas de la Plaza de Mayo (Moeders en Grootmoeders van het Meiplein) zetten sinds de jaren 1990 hun expertise ook in landen zoals ex-Joegoslavië en Rwanda in. Uit die internationale ervaring ontstond het veld van de forensische ethiek, dat richting geeft aan deze relatief nieuwe vorm van mensenrechtenwerk. Rosenblatt identificeert vier basisprincipes die intussen de missie van heel wat internationale forensische teams bepalen: ze hechten veel waarde aan wetenschap als methode en vorm van waarheid, ze bewaken hun politieke autonomie, praktiseren een vorm van moreel universalisme ten opzichte van slachtoffers en hebben oog voor de noden van de rouwenden. 

Forensisch onderzoek levert bewijs om daders te berechten, identificeert lichamen van vermisten en bezorgt bouwstenen om het historisch narratief van de daders te ontkrachten

Die ethiek is opgebouwd vanuit de harde keuzes die forensische teams moesten maken. Als iemand die deel uitmaakte van een van de grote internationale teams, Physicians for Human Rights, geeft Rosenblatt met een ‘kritisch-genereuze’ houding een blik achter de schermen. Conflicten, onderhandelingen en limieten zijn de rode draad. Vanaf het prille begin, toen de Abuelas de la Plaza de Mayo forensische experts inriepen om hun kinderen te identificeren en te onderzoeken of hun in gevangenschap geboren kleinkinderen ontvoerd en nog in leven waren, hebben opgravingen van massagraven drie verschillende functies: een juridische, een humanitaire en een historische. Forensisch onderzoek levert bewijs om daders te berechten, identificeert lichamen van vermisten opdat rouwenden hen kunnen eren, en bezorgt bouwstenen om het historisch narratief van de daders te ontkrachten. In forensisch onderzoek naar massagraven zijn daarom niet alleen wetenschappers, zoals forensisch antropologen, archeologen en pathologen, betrokken. Rosenblatt wijst op drie andere groepen belanghebbenden: gerechtshoven, families van slachtoffers (en andere rouwenden zoals politieke kameraden en geloofsgenoten) en overheden die het land leiden na een periode van mensenrechtenschendingen. In elk project opnieuw moeten de teams een evenwicht zoeken tussen die groepen en binnen elke groep zijn er dan nog eens meningsverschillen. Rosenblatt haalt de befaamde voorbeelden aan van orthodoxe joden (die opgravingen van Holocaustslachtoffers verhinderen in Polen uit vrees voor ontheiliging van hun laatste rustplaats) en van een deel van de Argentijnse Madres die tegen opgravingen zijn. Die laatsten willen vermijden dat bepaalde lichamen en individuele rouw prioriteit krijgen, en willen de dood van hun kinderen pas accepteren nadat de daders ter verantwoording zijn geroepen. Net als het voorbeeld van Chillón illustreren die gevallen dat de band tussen forensische experts en rouwenden minder vanzelfsprekend is dan aanvankelijk vaak wordt aangenomen. 

Het opgraven van massagraven is ook nog op andere manieren belangrijk voor het forensische mensenrechtenonderzoek. Rosenblatt haalt terecht aan dat tijdens opgravingen ook wetenschappelijke expertise wordt opgebouwd. De samenwerking tussen de Abuelas en forensische experts leidde zo tot een revolutie in het DNA-onderzoek, die cruciaal was voor de latere identificatie van slachtoffers van bijvoorbeeld de genocide in Rwanda of de aanslagen op de WTC-torens. 

In het boek wordt duidelijk dat forensisch mensenrechtenonderzoek zich bewust is van de politieke en ethische moeilijkheden die de praktijk van opgravingen met zich meebrengt. Toch wordt volgens de auteur een aantal dilemma’s onvoldoende besproken in het veld. Deze relatieve geslotenheid ondervond ik zelf ook in Spanje. Rosenblatt opent de discussie over een aantal aspecten van opgravingen die tot nog toe minder geanalyseerd werden; met name het sacrale karakter van opgravingen van massagraven, de zorg voor de doden en het debat over eventuele rechten van de doden. Volgens hem zijn dit geen bijzaken op weg naar de gerechtshoven. En inderdaad, het voorbeeld van Chillón illustreert dat de zorg voor de doden een essentieel onderdeel is van het werk en de impact van opgravingsteams. Personen mogen dan meer dan lichamen zijn, zoals de Madres argumenteren wanneer ze doelen op de politieke nalatenschap van de desaparecidos, maar personen zijn voor nabestaanden nu eenmaal ook lichamen. 

In het Spaanse voorbeeld worden opgravingen amper gebruikt voor juridisch onderzoek, en zijn ze ook pas gestart (in 2000) op een moment dat historisch onderzoek de franquistische versie van het verhaal van de Burgeroorlog al in grote mate had ontmaskerd. Ik interpreteer in dat geval de zorg voor de doden door forensische experts als een antwoord op het geweld dat de slachtoffers post mortem is aangedaan. Van de slachtoffers in Chillón ‘unos muertos más’ maken door hen te herbegraven hield misschien politieke risico’s in, maar het herstelde wél de menselijkheid die de franquisten hen hadden afgenomen door hen tijdens de Burgeroorlog geen waardige rustplaats te gunnen. Het signaal dat een opgravingsteam in dergelijke situaties geeft, is te vergelijken met het voorbeeld dat musea stellen als ze menselijke resten teruggeven aan inheemse volkeren nadat ze waren meegenomen door een koloniale machthebber in het verleden. Rosenblatt ziet een herbegrafenis in die gevallen als de bevestiging van de continuïteit van die volkeren, als hun verzet tegen een beeld van hen als een relict uit de geschiedenis. In Spanje is een van de slogans van herinneringsactivisten dan ook ‘wij zijn de kleinkinderen van de arbeiders die je nooit hebt kunnen doden’. 

Forensische teams moeten voortdurend afwegingen maken tussen het recht op weten van de ene familie en de wens tot het met rust laten van de doden van de andere familie

De verschillende functies en belangengroepen maken opgravingen van massagraven dus inherent conflictueus. Forensische teams bevinden zich tussen verschillende vertegenwoordigers van die groepen. Ze moeten voortdurend afwegingen maken tussen bijvoorbeeld het recht op weten van de ene familie en de wens tot het met rust laten van de doden van de andere familie. Die conflicten lijken mij moeilijk te vermijden, omdat het uiteindelijk gaat over wie mag spreken voor de doden, de ultieme ‘stille’ belangengroep die alleen kan worden gerepresenteerd door levenden met verschillende wensen. Elk conflict blijkt een reactie op het ontbreken van een van de functies van opgravingen. De Madres weigerden opgravingen omdat ze vreesden dat ze hun eisen voor verdere berechting van de daders zouden smoren. Hun Bosnische lotgenoten protesteerden dan weer omdat ze merkten dat er minder belang werd gehecht aan identificaties van lichamen dan aan het verzamelen van bewijzen voor het internationale tribunaal. Als opgravingen maar één van de verschillende functies – juridisch, humanitair en historisch – vervullen is hun bijdrage dus beperkt. Volgens mij is het daarom tijd om te focussen op het spectrum van mogelijkheden als men de bijdragen op elk van de drie gebieden combineert. Een voorbeeld uit het Argentijnse onderzoek naar de vermiste Laura Carlotto kan duidelijkheid scheppen. Een forensisch antropoloog las uit een schotwond dat de jonge vrouw vanop 30 cm afstand achter in het hoofd was geschoten; uit haar gebit bleek dat ze zich op het einde van haar leven niet meer had kunnen verzorgen, en uit haar bekken stelde hij vast dat ze bevallen was. Historici en activisten gebruikten die informatie om het verhaal van de dictatuur te weerleggen dat de desaparecidos in gevechten met ordetroepen gestorven waren. Een rechter baseerde zich op de gegevens om de verantwoordelijke van het detentiecentrum waar ze opgesloten zat te straffen, en de moeder van de vrouw gebruikte de resultaten van het forensisch onderzoek om haar ontvoerde kleinkind terug te vinden. 

Eén forensisch bewijs uit een rapport vertelt slechts hoe iemand stierf en zal dus nooit een volledig historisch narratief kunnen opbouwen over waarom, in welke context en door wiens toedoen iemand stierf. Forensische archeologie vernietigt bovendien haar eigen onderzoeksobject tijdens een opgraving – om de informatie te kunnen opslaan benadrukken forensische teams daarom het belang van wetenschappelijke begeleiding wanneer slachtoffergroepen zelf opgravingen starten, zoals in Irak. Maar het effect van forensische waarheid hangt dus ook enorm af van hoe de informatie verwerkt wordt. Daarvoor is coördinatie nodig, en zoals Spaanse mensenrechtengroepen aanhalen, multidisciplinaire samenwerking tussen forensische antropologen, historici, juristen en activisten om een volledig historisch narratief te schrijven.

De tegengestelde belangen, zoals bijvoorbeeld die tussen individuele rouw of closure enerzijds, en de politiek inzetbare herinnering waar de Madres naar streven anderzijds, worden volgens Rosenblatt in praktijk wel degelijk meer gecombineerd dan vaak wordt aangenomen. Hij geeft voorbeelden van moeders van vermisten in Argentinië die actief blijven in mensenrechtenverenigingen ook nadat ze hun kind een eervolle begrafenis konden geven. Ook in Spanje kon ik vaststellen dat voor vele jonge mensen hun activisme verder doorbreekt na betrokken te zijn geweest bij een opgraving.  De tegenstelling closure versus politieke strijd doet mij denken aan de zwart-witkeuzes die ook het bredere veld van de ‘transitional justice’ tekenen. Dit veld, dat zich bezighoudt met de uitdaging van hoe een samenleving omgaat met een gewelddadig verleden, wordt van in het begin getergd door afwegingen tussen herinneren versus afsluiten, gerechtigheid versus vergiffenis, en conflict versus verzoening.

Het bredere veld van ‘transitional justice’ wordt getergd door afwegingen tussen herinneren versus afsluiten, gerechtigheid versus vergiffenis, en conflict versus verzoening

De protesten van de Argentijnse en Bosnische moeders gaan volgens mij echter niet over het al dan niet opgraven van het verleden, maar wel over welk soort reparatie of herstel ze dienen, en welke plaats het verleden uiteindelijk krijgt in heden en toekomst. Denk aan het voorbeeld van sommige Argentijnse Madres die vrezen dat opgravingen te slachtoffergericht zijn en de blik afwenden van de daders. In de Spaanse case, waar opgravingen los van een gerechtelijk onderzoek verlopen, is het ter verantwoording roepen van individuele verantwoordelijken van het franquisme nog veel onbereikbaarder. Het grootste taboe is echter de medeplichtigheid van de lokale gemeenschappen zelf aan de moorden; en ook de forensische rapporten, ook al graven ze het verleden op, werpen weinig licht op die kwestie, terwijl we uit de geschiedenis van de sociale steun aan dictaturen toch veel zouden kunnen leren.

Om te begrijpen welk soort herstel de opgravingen bieden en wat hun limieten zijn gebruik ik graag John Torpeys onderscheid tussen ‘commemorative’ (terugkijkende of herinnerende) en antisystemische gerechtigheid uit zijn werk Politics and the Past: On Repairing Historical Injustices (2003). Opgravingen worden ingezet voor het eerste type, dat focust op specifieke misdaden uit het verleden, waarvoor individuele daders verantwoordelijk zijn. Hier is het einddoel gerechtigheid voor criminele daden. Discussies over hoe om te gaan met mensenrechtenschendingen uit het verleden gaan echter vaak ook over antisystemische gerechtigheid. In dat geval eisen groepen sociale rechtvaardigheid voor structurele misbruiken die tot op heden voor ongelijkheid tussen groepen zorgen, denk maar aan de beweging voor herstel of tegemoetkomingen voor slavernij in de Verenigde Staten. Vandaar dat bijvoorbeeld in Spanje vele herinneringsactivisten niet tégen opgravingen zijn, maar vooral vinden dat er gewoon meer rond moet gebeuren, dat met name ook de erfenissen van het franquisme in het justitiële apparaat, de academische wereld en de socio-economische structuur van de maatschappij moeten worden bestreden.

Hoeveel forensische protocollen er de laatste decennia ook geschreven zijn, geen enkele daarvan kan alle spanningen tijdens een opgraving voorzien. Conflicten rond wat er gebeurt met het verleden worden net zoals massagraven blootgelegd bij confrontatie met bepaalde keuzes en opnieuw begraven als er een compromis wordt gevonden. Zoals Rosenblatt schrijft, lossen opgravingen zelden de discussies op over de legitimiteit van overheden na een periode van mensenrechtenschendingen, maar veranderen ze die alleen. Daarom leggen forensische experten zich volgens hem neer bij het feit dat ze die dialoog moeten faciliteren in plaats van pogen op te lossen. Zoals ik ook heb kunnen waarnemen in Spanje, hebben forensische teams vooral veel vaardigheden nodig om conflicten te hanteren om graf per graf oplossingen te vinden.

Digging for the Disappeared maakt duidelijk dat het onwenselijk is om het ene belang principieel boven het andere te plaatsen: niet dat van moeders, rabbijnen of politieke militanten, en ook niet dat van de doden. Rosenblatt stelt: ‘De opdracht is niet om het ene model van rouw boven het andere te plaatsen, maar om doorheen de diverse vormen van rouw een pad te vinden dat breed genoeg is voor iedereen.’ Ik concludeer daarom dat de forensische ethiek geen universeel antwoord moet proberen te vinden op de vraag of het gerecht, de familie dan wel het collectieve geheugen de doden mag claimen. Er kan alleen worden gezocht naar manieren om het ene belang zo weinig mogelijk in de weg te laten staan van het andere. Beleidsmakers in het veld van de ‘transitional justice’ zouden zich daardoor kunnen laten inspireren. Terwijl velen onder hen het vage doel van verzoening vooropstellen, zouden we ook – met een term van Chantal Mouffe – een ‘agonistisch’ samenlevingsmodel kunnen nastreven waarin het conflictueuze karakter van visies op het verleden wordt erkend.

In zijn boek vraagt Rosenblatt de mening van Clyde Snow, de peetvader van forensisch mensenrechtenonderzoek, over de rechten van de doden. Snow antwoordt dat je moet weten wanneer je moet opkijken van de graven naar andere wantoestanden rondom je: ‘You have to know when to plant trees.’ Zijn pragmatische antwoord is gebaseerd op de realiteit van harde keuzes die moeten worden gemaakt in postgeweldsituaties. Het verhaal van Digging for the Disappeared waarin principes vaak botsen met de complexe realiteit mag dan ontnuchterend zijn, de manier waarop dit veld zijn ethiek opbouwt – ‘from the ground up’ – kan vele wetenschappers inspireren.
 
Adam Rosenblatt, Digging for the Disappeared: Forensic Science after Atrocity. (Stanford: Stanford Studies in Human Rights, 2015).

Lore Colaert is als historica verbonden aan het Vlaams Vredesinstituut.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen