Deel dit artikel

de periode 1930-1945 is één van de bloedigste in de geschiedenis van oost-europa. oekraïne, wit-rusland en een deel van polen waren niet alleen het toneel voor stalins zuiveringen en hitlers vernietigingskampen, ze kenden ook een meer verborgen tragedie. bijna 14 miljoen mensen werden getroffen door een doelbewust en systematisch uitroeiingsbeleid, met als moorddadige wapen: honger. in Bloodlands geeft timothy snyder een naam en een gezicht aan deze zwaar getergde regio.

Bloedlanden

lien verpoest

Het hoeft niet gezegd dat de periode 1930-1945 één van de bloedigste is in de geschiedenis van Oost-Europa. Toch vertellen de vernietigingskampen van Hitlers naziregime en de zuiveringen en goelagkampen van Stalin niet het volledige verhaal. Tussen 1930 en 1945 waren Oekraïne, Wit-Rusland en een deel van Polen het toneel van enkele andere, meer verborgen tragedies. Timothy Snyder, historicus en hoogleraar aan Yale University, gaf deze getergde regio een naam en een gezicht in zijn boek Bloodlands. Met een pijnlijke zorgvuldigheid schetst hij de bijzonder droevige geschiedenis van een gebied dat tussen 1930 en 1945 een permanent slagveld was voor de conflicten tussen Oost en West. Snyder richt zich bewust niet op de rechtstreekse oorlogsslachtoffers aan het front, maar vertelt het verhaal van de 14 miljoen mensen die in deze periode getroffen werden door een doelbewust en bijzonder moorddadig uitroeiingsbeleid. Door zijn ‘regionale’ aanpak weet Snyder zowel de wanpraktijken van Hitler als van Stalin te beschrijven. Beiden hebben, bijna als ‘partners in crime’, net in deze regio het ergst huisgehouden. Hardhandige collectivisatie, zuiveringen van Joden, zigeuners en Slavische minderheden, krijgsgevangen- en vernietigingskampen: Snyder beschrijft in detail hoe Hitler en Stalin een systematische uitroeiingspolitiek voerden in de ‘bloedlanden’. Hij slaagt erin een synthese te maken die zowel de gruwelijke neveneffecten van Stalins vijfjarenplannen als Hitlers exploitatiestrategie in Oekraïne incorporeert. Bloodlands is een uniek werk omdat het de meer verborgen aspecten van deze periode belicht. Bovendien overstijgt het ook de benadering van de oorlog als een Holocaustrelaas en geeft het aan de hand van getuigenissen postuum een stem aan de minderbekende slachtoffers van deze wandaden. De grootste doodsoorzaak, die qua aantal slachtoffers de zuiveringen ver oversteeg, was honger. Van de 14 miljoen burgers en krijgsgevangenen die tussen 1930 en 1945 in deze regio stierven, kwamen meer dan de helft om van de honger. Honger was een stille maar doeltreffende moordenaar. Zowel het Sovjet- als het naziregime hadden snel door dat dit een handig wapen was.     Honger was een goedkope, efficiënte en vooral onopvallende manier om burgers en krijgsgevangenen op massale schaal om te brengen.

Honger was een goedkope, efficiënte en vooral onopvallende manier om burgers en krijgsgevangenen op massale schaal om te brengen

In het begin van de jaren 1930 zat Stalin stevig in het zadel als secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. Hiermee sloten de bolsjewieken een moeizaam decennium af: de burgeroorlog die het land aan de rand van de economische afgrond had gebracht, het overlijden van Lenin en de opvolgingsstrijd tussen Stalin en Trotski, die leidde tot een eerste zuiveringsronde van politieke rivalen. Met Stalin aan het roer lag de weg naar het communisme open voor de Sovjet-Unie. Die weg leidde naar collectivisatie van de landbouw en verregaande industrialisering. De Sovjet-Unie werd als opvolger van het Russische Rijk geconfronteerd met een grotendeels agrarische bevolking. De manier waarop Lenin en daarna Stalin de boerenbevolking aanpakten, geeft blijk van een diepgeworteld cynisme. In hun toekomstvisie van industrialisering en modernisering wisten ze niet goed wat ze moesten aanvangen met die arme, ongeletterde, diepreligieuze boerenbevolking, die volgens de bolsjewieken vastgeroest zat in haar gewoontes en tradities, in tegenstelling tot het jongere, meer kneedbare proletariaat. Voor de boeren als klasse was er geen plaats in de Sovjetmaatschappij. De landbouw moest ten dienste worden gesteld van het snelle industrialiseringsproces. Om de voedselproductie zo efficiënt mogelijk te laten verlopen moesten alle productiemiddelen (werktuigen, vee, zaaigoed) worden ondergebracht in collectieve boerderijen (kolchozen). Daarnaast werden alle rijke boeren met privébezit (koelakken) die weigerachtig stonden tegenover deze evolutie bestempeld als klassenvijanden. Op 27 december 1929 vaardigde Stalin een resolutie uit waarin de totale liquidatie van koelakken als klasse vooropgesteld werd. Als gevolg hiervan werden 1,7 miljoen koelakken gedeporteerd naar gevangeniskampen in Siberië en Kazachstan. Meer dan een half miljoen overleefden de deportaties niet. Nog eens 400 000 stierven in de werkkampen. Naast deze ‘dekoelakisering’ of uitroeiing van koelakken als klasse was er echter ook een sluipende moordenaar die de gehele boerenbevolking trof: honger.

Eén van de grootste hongertragedies van de twintigste eeuw vond plaats in Oekraïne: de ‘Holodomor’ van 1932-1933. Schattingen spreken van 2 tot 4 miljoen dodelijke slachtoffers in Oekraïne, in de regio’s rond Kharkov, Kiev, Odessa en Dnepropetrovsk. Internationaal kreeg die verschrikkelijke tragedie weinig ruchtbaarheid. Slechts met mondjesmaat kwamen er ooggetuigenverslagen naar boven, meestal van buitenlandse reizigers die tegen de regels in toch naar de probleemgebieden reisden. Hun verslagen gaan door merg en been. Velen spreken van hele dorpen waar de boerenbevolking verhongerde. Mensen stierven op straat en werden soms niet meer begraven door hun familie omdat die zelf te verzwakt waren. Lijken lagen her en der verspreid en werden voer voor wilde honden. Wanhopige moeders probeerden in stations hun kinderen mee te geven aan mensen op doorreis, in de hoop hen zo te redden van de hongerdood. Overal heerste een doodse stilte, hele families wachtten op de dood. Er zijn gevallen bekend waarbij stervenden mee begraven werden met de doden, omdat het toch maar een kwestie van tijd was voor ook zij zouden overlijden. De getuigenissen van overlevenden zijn vaak te gruwelijk voor woorden. In deze mensonterende omstandigheden verdween alle normbesef. Kannibalisme kwam op grote schaal voor. Kinderen van wie de ouders overleden waren, werden een gemakkelijk doelwit. Toen de Amerikaanse journalist Harry Lang bij een Sovjetfunctionaris een propagandaposter zag met de tekst ‘Dode kinderen eten is barbarisme’, werd hem verteld dat men honderden van die posters had moeten verspreiden, vooral in Oekraïne. In de periode 1932-1933 werden er minimum 2502 mensen veroordeeld voor kannibalisme, maar het aantal ligt wellicht nog een stuk hoger. Het schaamtegevoel over dergelijke ontaarding was zo groot dat die donkere periode van de Sovjetgeschiedenis zoveel mogelijk werd doodgezwegen.

De Oekraïense naam ‘Holodomor’ voor deze periode is veelbetekenend: ‘Moryty Golodom’ (Морити голодом) betekent uitgehongerd worden. Zo werd de nadruk gelegd op de menselijke hand in deze tragedie: het ging om een opgelegde honger, bekend als de hongerterreur. Naast de Holodomor in Oekraïne werden in die periode ook de Noordelijke Kaukasus, het zuidelijke Volgagebied en Kazachstan getroffen door hongersnood. Het feit dat de hongersnood vooral toesloeg in de vruchtbare, graanrijke regio’s en niet in de steden doet vermoeden dat de mens er daadwerkelijk de hand in had. Grote boosdoener was Stalins eerste vijfjarenplan (пятилетка, pjatiletka), dat voltooid werd in 1932. Er bestaat behoorlijk wat discussie over de vraag of Stalin te strikte maatregelen oplegde en zo verantwoordelijk was voor de grote voedseltekorten, of juist echt een beleid voerde van opzettelijke uithongering om zo de kritische massa in de Sovjet-Unie te elimineren.

Was Stalin verantwoordelijk voor de voedseltekorten door te hoge productiequota op te leggen, of voerde hij een beleid van opzettelijke uithongering?

Hoe was het zo ver kunnen komen? Zelfs de meest kritische, minimalistische lezing van de Holodomor kan er niet omheen dat Stalin en zijn partijgenoten een verpletterende verantwoordelijkheid dragen. Verschillende beleidsbeslissingen in het kader van het eerste vijfjarenplan werkten de voedselschaarste in de hand: de ‘dekoelakisering’, onmogelijk hoge graanquota, stijgende graanexport en het aanleggen van voedselreserves. Stalin legde de ‘rijke’ regio’s bijzonder hoge productiequota’s op. Oekraïne kende door de uitzonderlijk goede weersomstandigheden in 1930 een schitterende oogst. De grootste fout van het regime was misschien om die oogst als standaard te zetten voor de komende jaren, wat in feite onbegonnen werk was. De oogst van 1930 was bovendien nog gezaaid door individuele boeren in plaats van landbouwcollectieven. Tegen de herfst van 1931 waren alle koelakken gedeporteerd en was de landbouw gecollectiviseerd. De eerste ‘collectieve’ oogst was een grote mislukking en bracht nog niet de helft op van de vooropgestelde graanquota voor Oekraïne. Op 5 december 1931 beval Stalin dat de kolchozen ook hun zaaigoed moesten inleveren om de quota te bereiken. Hij dacht dat dit dreigement de boeren zou dwingen om graanvoorraden in te leveren die ze verstopten. De meeste boeren hadden echter niets meer en tegen de lente van 1932 waren velen zo verzwakt van de honger dat ze amper nog in staat waren om het land te bewerken.

Onderzoek toont aan dat het Sovjetregime naast de onmogelijk hoge graanquota voor export ook in het geheim grote graanreserves opbouwde. Schattingen van die reserves lopen uiteen van 1,1 tot 5,36 miljoen ton. Een tijdelijke opschorting van de graanexport en de distributie van die geheime graanreserves hadden de bloeiende Sovjeteconomie in 1931 niet wezenlijk geschaad en hadden vooral vele honderdduizenden mensenlevens kunnen redden. Maar Stalin wilde niet raken aan de hoge quota: de graanexport moest de razendsnelle industrialisering financieren. Hieraan tornen zou een aanfluiting zijn van zijn vijfjarenplan. Ook het aanvaarden van buitenlandse hulp vanuit Polen of van het Rode Kruis had een groot verschil kunnen maken voor de verhongerende boeren van Oekraïne. Maar ook die hulp werd categoriek geweigerd door het Sovjetregime.

Ging het om een slechte planning of een bewuste tactiek van uithongering? De Oekraïense partijfunctionarissen die de graanquota moesten halen, zaten tussen twee vuren. Zij zagen objectieve redenen voor het falen van de oogst en het niet bereiken van de vooropgestelde quota. Met de deportatie van de koelakken verloren de boeren hun natuurlijke leiders. De achtergebleven boeren waren na de confiscatie van hun privébezit weinig gemotiveerd om het land te bewerken in de kolchozen. Ook de weersomstandigheden vielen tegen in 1931. Een groot deel van de veestapel was geslacht wegens sluimerende voedseltekorten en de industrie had nog niet genoeg landbouwmachines geproduceerd om de taak van het vee te over te nemen. Daarnaast waren ook de algemene chaos van dit overgangsjaar naar collectieve landbouw en de onrealistische quota verklarende factoren voor de slechte oogst. Stalin verkoos echter dit Oekraïense ‘falen’ niet in realistische, maar in ideologische termen te verklaren. Tot 1932 ontkende hij het probleem. Het was alsof hij hoopte dat het probleem zou verdwijnen als hij gewoon deed alsof het niet bestond. Vervolgens werd hij achterdochtig. Sommige Oekraïense boeren vluchtten in 1930 naar Polen. Stalin zag dit als verraad en percipieerde de hongersnood als sabotage van het vijfjarenplan, bekokstoofd door Oekraïense nationalisten en Poolse spionnen. Tegen eind 1932 brak na de totale ontkenning en achterdocht een nieuwe fase aan: harde repressie. Er werden maatregelen genomen die de hongersnood in de hand werkten. Dit levert argumenten op die wijzen op een bewuste tactiek van uithongering dan wel uitroeiing van een bepaald segment van de Oekraïense bevolking: de boeren.

Op 18 november 1932 werden de Oekraïense boeren gedwongen om de overgebleven overschotten in te leveren. Partijbrigades belaagden boerderijen en namen alles mee, tot de laatste korrel graan. Op 20 november werden de boeren verplicht hun laatste vee in te leveren als ze de graanquota niet haalden en op 28 november werd een zwarte lijst gepubliceerd. Kolchozen die de quota niet haalden, werden verplicht in één keer vijftien maal het maandelijkse graanquotum in te leveren. Tot overmaat van ramp werd hen verboden handel te drijven: zo konden ze nergens meer aan voedsel geraken. Vele families bleven met niets achter; de zwarte lijst betekende hun doodvonnis. Tegelijkertijd zetten de Sovjetautoriteiten de Oekraïense partijbonzen zwaar onder druk om de graanquota te halen. Wie hier niet in slaagde, riskeerde te worden versleten voor Oekraïense nationalist en werd afgevoerd naar de Goelag. Tegen het voorjaar van 1933 woedde de hongersnood in heel Oekraïne. In de lente liep het dodental onder de plattelandsbevolking op tot 10 000 per dag; sommige bronnen spreken van 25 000 doden per dag. Tegelijkertijd namen de Sovjetautoriteiten strenge maatregelen tegen boeren die naar de stad trokken om te bedelen. Vanaf 14 januari 1933 moesten Sovjetburgers een intern paspoort hebben om legaal in een stad te mogen wonen. Toen Stalin vernam dat boeren de grens overstaken, volgden nog meer maatregelen: vanaf 22 januari werd de politie ingezet aan de grenzen en werd treinticketverkoop aan boeren voor langeafstandsreizen verboden. De Oekraïense boeren zaten als ratten in de val en de honger sloeg onverbiddelijk toe. Een Sovjetvolkstelling van 1937 toont een demografische daling van 8 miljoen. Een groot deel van die daling is te verklaren door de hongersnood van 1932-1933 en de kinderen die de slachtoffers niet gekregen hebben. Stalin maakte de resultaten niet publiek en liet de demografen executeren.

Een decennium later werd dit zwaar getroffen gebied opnieuw het toneel van honger en dood. Vanaf 1941 werden in Oekraïne, Wit-Rusland en Polen Sovjetkrijgsgevangenen systematisch en op grote schaal uitgehongerd, in tientallen krijgsgevangenenkampen opgetrokken door de nazi’s. De Sovjets hadden intussen de traumatiserende jaren van politieke zuiveringen in 1937-1938 achter de rug. Dit had zijn sporen nagelaten bij de legertop: vele hoge officieren in het Rode Leger hielden hun troepen te lang op hun posities tijdens de gevechten met de Duitsers, uit schrik om persoonlijk verantwoordelijk gesteld te worden als ze de terugtrekking bevalen. Dit zou onherroepelijk leiden tot degradatie, arrestatie en executie. Vele Sovjetsoldaten belandden op die manier in gevangenenkampen, voornamelijk in Oekraïne en Wit-Rusland. Hier werden ze blootgesteld aan wreedheden, mishandeling, koude en vooral aan honger. De rantsoenen werden maand na maand systematisch teruggeschroefd, en alleen zij die sterk genoeg waren om te werken kregen net voldoende om te kunnen blijven werken. De zwakkeren waren ten dode opgeschreven. De complete onverschilligheid van de nazi’s ten aanzien van de Sovjetkrijgsgevangenen staat in schril contrast met de rest van de bezette gebieden. De cijfers zijn bijzonder confronterend: in de Duitse kampen voor de Sovjetkrijgsgevangenen lag het sterftecijfer doorheen de oorlog op 57,5 %. In de Duitse gevangenkampen voor de soldaten van de geallieerden daarentegen bedroeg het sterftecijfer minder dan 5 %. Deze uiterst slechte behandeling van de Sovjetkrijgsgevangenen ligt in de lijn van eerdere plannen van de nazi’s om dit oostelijke gebied te exploiteren, ongeacht de menselijke tol.

De Duitsers hadden berekend dat de Oekraïense kolchozen genoeg konden produceren om het Duitse volk te voeden

In 1940, toen de expansieplannen volop werden uitgetekend, droomde Hitler van de vruchtbare Oekraïense aarde. Hij was ervan overtuigd dat de Duitsers veel meer uit deze grond konden halen dan de Sovjets. Oekraïne werd als een geopolitiek interessante regio bestempeld in hun ‘Generalplan Ost’. Tijdens de oorlog besloot men om voorlopig gebruik te maken van de landbouwcollectieven die er al waren. Net zoals voor de Sovjet-Unie zou Oekraïne ook voor het Derde Rijk de graanschuur moeten worden. De Duitsers hadden berekend dat de Oekraïense kolchozen genoeg konden produceren om het Duitse volk te voeden, maar niet genoeg voor de Slavische volkeren. In dit opzicht was dit een goede tactiek van politieke controle en economisch evenwicht.

Die logica vormde de basis voor het ‘Hongerplan’ dat de nazi’s samenstelden op 23 mei 1941. Tijdens en na de oorlog zou de Duitse bevolking worden gevoed door de Sovjetbevolking uit te hongeren. Het doel van dit Hongerplan was het terugschroeven van het resultaat van Stalins vijfjarenplannen: de industrie en de grote steden vernietigen, inclusief hun bevolking; akker- en bosgebied uitbreiden; en de productiviteit van de Oekraïense zwarte aarde maximaliseren. Er werd letterlijk aan toegevoegd dat ‘tientallen miljoenen mensen zullen sterven of naar Siberië moeten vluchten. Pogingen om deze mensen te redden van de hongerdood zou echter ten koste gaan van de bevoorrading van Duitsland.’ En daar kon duidelijk geen sprake van zijn. Het absolute gebrek aan respect voor het leven en welzijn van de Sovjetkrijgsgevangenen moet dan ook in het licht worden gezien van dit Hongerplan. Ook zij werden systematisch uitgehongerd. Hoewel de nazi’s dit nooit ten volle tot uitvoering hebben kunnen brengen, is het bestaan van plannen om de hele Oost-Slavische regio op grote schaal voedsel te ontzeggen even schandelijk als Stalins repressieve aanpak van de Holodomor in 1931-1932.

‘Honger is een wapen’, constateerde prominent bolsjewiek en later diplomaat Maksim Litvinov in 1921 over de Russische burgeroorlog. Een decennium na zijn uitspraak begon Stalin honger effectief als wapen te gebruiken. ‘Hij die niet werkt, zal ook niet eten’, zei hij tijdens een speech op 19 februari 1933. Op dat moment stierven er in Oekraïne meer dan 10 000 mensen per dag van de honger. De onschuldige burgers die de ‘bloedlanden’ bewoonden, werden tussen 1930 en 1945 blootgesteld aan een eindeloze reeks onmenselijke beproevingen. Jonge mannen die als kind de Holodomor nauwelijks hadden overleefd, werden door de Sovjets naar het front gestuurd en stierven toch nog de hongerdood in de Duitse gevangenkampen.

Dergelijke trauma’s, die decennialang verzwegen werden, verklaren de grote aandacht voor de herinneringscultuur in Polen en Oekraïne. Door de stichting van musea en monumenten, en de organisatie van herdenkingen en publicaties over deze verborgen tragedies brengt men de regio met een grote vastberadenheid weer onder de aandacht. Het laatste decennium hebben Oekraïense diplomaten zich onafgebroken ingespannen om de herinnering aan de Holodomor op de internationale agenda te plaatsen. Zo vroeg men onder andere aan de Human Rights Council van de Verenigde Naties om de hongersnood te erkennen als een genocide, tot nu toe zonder succes, mede door het protest van Rusland, die deze acties als polariserend en haatdragend beschouwt. Verschillende landen (waaronder de Verenigde Staten) hebben de Holodomor echter wel erkend als genocide. Het Europese parlement noemde het in een resolutie van 2008 een ‘misdaad tegen de mensheid’.

In 1931 schreef de Belgische senator August Vermeylen een enthousiast verslag over zijn reis doorheen de Sovjet-Unie. De mensen van dit jonge rijk zagen er volgens hem gezond en gelukkig uit. Het eten was goed in de fabrieken, men had er bibliotheken, restaurants, bioscopen en clubs. De deportatie en dwangarbeid van ‘weerspannige’ boeren leek ‘voor ons zedig gevoel wat kras’, aldus Vermeylen, maar ‘voor de arbeiders blijkt dwang overbodig!’ Hij had al veel gehoord over de zogenaamde Sovjethel, maar ‘ik moet eerlijk bekennen dat die hel waarlijk niet zo ongezellig bleek!’ August Vermeylen kon toen amper bevroeden wat de Sovjetbevolking in de jaren die daarop volgden te wachten stond.

Timothy Snyder, Bloodlands: Europe Between Hitler and Stalin. (New York: Basic Books, 2010).

Lien Verpoest is als historica verbonden aan de KU Leuven.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen