Deel dit artikel

in de tweede helft van de negentiende eeuw komt de historische taalbeschrijving sterk in de belangstelling te staan: zowel engelse, duitse als nederlandse lexicografen willen de geschiedenis van de woordenschat zo volledig mogelijk optekenen. het historische woordenboek moet voor de leden van een taalgemeenschap een algemeen toegankelijk, identiteitsbepalend referentiepunt worden.maar is die ambitie gerealiseerd? in vergelijking met de engelse lexicografie hinkt de nederlandse heel wat achterop.

De armoede van de Nederlandse lexicografie

Dirk Geeraerts

In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt zowel voor het Engels, het Duits als het Nederlands een aanvang gemaakt met een bijzonder type van woordenboek: het historische woordenboek dat de geschiedenis van de woordenschat op een zo compleet mogelijke manier wil beschrijven. Het Deutsches Wörterbuch (DWB) wordt in 1852 opgezet door de gebroeders Grimm (die van de sprookjes). Van het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) verschijnt onder de leiding van Matthias de Vries een eerste aflevering in 1864. En de Oxford English Dictionary (OED), met James Murray als hoofdredacteur, begint regelmatig te verschijnen in 1884, toen nog onder de naam New English dictionary on historical principles. Ieder van die woordenboeken zal een lange geschiedenis kennen, en alle drie groeien ze mettertijd uit tot monumentale proporties. Het duurt dan ook een hele tijd voor ze voltooid worden: de eerste editie van de OED is klaar in 1928, maar het DWB en het WNT worden pas in 1960 en 1998 afgewerkt.

Die opmerkelijke golf van lexicografische initiatieven na 1850 is niet zomaar een samenloop van omstandigheden. Alleen al het feit dat de initiatiefnemers elkaar kenden en onderling ervaringen en plannen uitwisselden, wijst daarop. Op het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) in Leiden, waar het Woordenboek der Nederlandsche Taal uiteindelijk voltooid werd, wordt bijvoorbeeld een aandoenlijk kaartje bewaard waarmee Murray, glunderend tussen zijn redactionele staf, zijn kerstgroeten overbrengt aan de redactie van het Nederlandse woordenboek. Maar die onderlinge contacten zijn natuurlijk alleen maar symptomatisch. Er zijn wel dieperliggende oorzaken aan te wijzen voor de bijzondere belangstelling voor een historische taalbeschrijving die in deze woordenboeken gestalte krijgt. Drie factoren zijn daarbij van belang. Het zijn tegelijkertijd drie factoren die in hoge mate bepalen wat voor type woordenboek de drie projecten willen produceren.

In de eerste plaats is de taalkunde als wetenschappelijke discipline in de negentiende eeuw nog jong. De wetenschappelijke studie van de taal zoals we die nu kennen, ontstaat immers pas aan het einde van de achttiende eeuw. De belangstelling gaat dan vooral uit naar de oorsprong, de ontwikkeling en de onderlinge verwantschap van de talen, en onze historische woordenboeken geven op grote schaal gestalte aan die belangstelling.

De historische woordenboeken passen bij de negentiende-eeuwse tijdgeest als symbolische belichaming van een veronderstelde ‘nationale’ identiteit

In de tweede plaats passen de woordenboeken bij de negentiende-eeuwse tijdgeest als symbolische belichaming van een veronderstelde ‘nationale’ identiteit – zij het dan wel dat die identiteit eerder aan een taal dan aan een politieke entiteit wordt opgehangen: hier is, in goed-romantische traditie, sprake van Volksnationalismus eerder dan Staatsnationalismus. Het motto waarmee het Woordenboek der Nederlandsche Taal opent, verduidelijkt dat: ‘De taal is gansch het volk’: de taal belichaamt een eigen identiteit die de leden van een gemeenschap met elkaar verbindt. Vaak wordt daarbij een schatkamermetafoor gebruikt: de taal is identiteitsbepalend erfgoed en het woordenboek is een museale schatkamer waarin dat erfgoed bewaard wordt.

In de derde plaats heeft het woordenboek ook een praktische, pedagogische functie: het bevordert niet alleen de communicatie tussen de leden van de taalgemeenschap, maar de kennismaking met het eigen erfgoed en de daarin verondersteld vervatte eigen identiteit is ook een vorm van socialisering die het individu sterker in de gemeenschap verankert. De samenstellers van de woordenboeken hebben overigens zeer concrete (zij het in hedendaagse ogen naïeve en paternalistische) ideeën over hoe dat kan gaan. In het voorwoord van het Deutsches Wörterbuch staat het bijvoorbeeld als volgt (de hoofdletters ontbreken ook in het origineel): ‘warum sollte nicht der vater ein paar wörter ausheben und sie abends mit den knaben durchgehend zugleich ihre sprachgabe prüfen und die eigene auffrischen? die mutter würde gern zuhören.’ We kunnen deze kenmerken als volgt samenvatten. De woordenboeken waarover we het hier hebben, vervullen een wetenschappelijke, een symbolische en een praktische functie. Wanneer we straks ingaan op de hedendaagse lexicografie, zullen we terugkomen op die drie functies.

Maar het historische woordenboek als algemeen toegankelijk, identiteitsbepalend referentiepunt, dat is natuurlijk alleen maar een begin. In het midden van de negentiende eeuw staan het Engels, het Duits en het Nederlands lexicografisch op dezelfde hoogte: voor de drie talen wordt telkens een project gestart dat een ongekende impact op de lexicografie van de drie talen zou kunnen hebben. Als de ambities gerealiseerd worden, dan moet de kwaliteit van de woordenboeken er voor de drie talen met sprongen op vooruitgaan: ofwel zullen de historische woordenboeken zelf voor iedereen beschikbaar zijn (wat de oorspronkelijke redacteuren ongetwijfeld gehoopt hadden), ofwel zullen de handwoordenboeken kunnen putten uit de superieure beschrijving in het ‘nationale woordenboek’. In beide gevallen zal er voor de gewone woordenboekgebruiker een betere en meer volledige beschrijving ter beschikking staan.

Maar werden de ambities gerealiseerd? De lexicografie van het Engels staat er op dit moment in ieder geval florissant bij. De Oxford English Dictionary is aan zijn derde editie toe. Na de voltooiing van de eerste editie in 1928 werd tussen 1972 en 1986 een tweede, aangevulde editie gepubliceerd. De kwantumsprong kwam echter na die tweede editie: voor de derde werd resoluut gekozen voor een elektronische publicatie, wat in concreto betekent dat het woordenboek op dit moment online beschikbaar is en op die manier ook permanent bijgehouden en aangevuld wordt. Voor volledige toegang tot het woordenboek moet wel worden betaald, maar de belangstelling is blijkbaar voldoende groot zodat een staf van een zeventigtal mensen permanent ingezet kan worden voor de doorlopende aanvulling van het woordenboek.

Treasure-house of the language. The living OED van Charlotte Brewer, hoogleraar aan de universiteit van Oxford, beschrijft op een zeer informatieve en leesbare wijze de geschiedenis van de Oxford English Dictionary van de voltooiing van de eerste editie in 1928 tot nu. Het vormt zo in zekere zin een vervolg op Caught in the Web of Words van Elisabeth Murray (1977), dat het levensverhaal van James Murray en de ontstaansgeschiedenis van de eerste OED-editie vertelt. Brewer besteedt aandacht aan de inhoudelijke wijzigingen die het project in de opeenvolgende edities onderging, maar net zo goed aan de persoonlijke en institutionele verhoudingen waarbinnen die veranderingen tot stand kwamen. De directie van ‘the Press’ was het bijvoorbeeld niet altijd eens met de richting die de hoofdredactie van het woordenboek wou inslaan, en de spanningen die daaruit ontstaan beschrijft Brewer in een paar hoogst leesbare passages.

De Oxford English Dictionary is dan wel het vlaggenschip van de Engelse lexicografie, het is zeker niet de enige aanwijzing voor de superieure kwaliteit van de Engelse lexicografie. Ook in het meer commerciële, voor een groot publieke bedoelde marktsegment ziet het er goed uit, en dat is met name te danken aan Britse (veeleer dan Amerikaanse) uitgeverijen. Oxford University Press, Cambridge University Press, Longman en Collins zijn vier uitgeverijen die ieder een rijk aanbod aan woordenboeken op de markt brengen, voor moedertaalsprekers en voor vreemdetaalleerders. Ook in kwalitatief opzicht loopt de Engelse lexicografie voorop. Alle belangrijke vernieuwingen in de lexicografische praktijk van de voorbije dertig jaar zijn het eerst in de Engelse lexicografie tot stand gekomen: dat geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van grote tekstverzamelingen (of corpora) als basis voor de woordbeschrijving en voor de introductie van nieuwe types woordenboeken, zoals de ‘learner’s dictionary’.

Alle belangrijke vernieuwingen in de lexicografische praktijk van de voorbije dertig jaar zijn het eerst in de Engelse lexicografie tot stand gekomen

Waaraan is die leidende positie van het Engels te danken? Een overheersende factor is uiteraard de internationale opgang van het Engels: het Engels is dé internationale taal bij uitstek en dus is er een markt voor informatie over het Engels. Die markt zorgt ervoor dat investeren in woordenboekontwikkeling commercieel rendabel is. Maar zeker is ook dat van de relatief vroege voltooiing van de Oxford English Dictionary een bijzondere stimulans op de ontwikkeling van de Engelse woordenboeken is uitgegaan.

Vergelijken we de situatie voor het Nederlands met die voor het Engels (het Duits laten we nu verder buiten beschouwing), dan ziet het plaatje er veel minder rooskleurig uit. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal is pas in 1998 voltooid en de periode die het bestrijkt, loopt voor de meeste delen van het woordenboek slechts tot 1921. Er is binnen het Instituut voor Nederlandse Lexicologie wel een Algemeen Nederlands Woordenboek (ANW) in de maak dat als opvolger van het WNT moet fungeren, maar het duurt nog wel tien tot vijftien jaar voor dat beschikbaar zal zijn. Aan de commerciële kant is daarnaast eigenlijk maar sprake van één groot lexicografisch bedrijf, Van Dale.

Het vlaggenschip van dat bedrijf, de Grote Van Dale (GVD) heeft dringend een grondige revisie nodig. Waarom dat het geval is, mag blijken als we de vraag stellen of het Woordenboek der Nederlandsche Taal invloed heeft gehad op de GVD, vergelijkbaar met de manier waarop de Oxford English Dictionary een stimulans geweest is voor de Engelse lexicografie. Het WNT heeft inderdaad een substantiële invloed uitgeoefend op de GVD: in de jaren vijftig, zestig en zeventig van de vorige eeuw was Cornelis Kruyskamp hoofdredacteur van Van Dale en tegelijk redacteur van het WNT. Kruyskamp heeft toen de informatie uit het WNT (op dat moment het zorgvuldigst samengestelde en breedst gedocumenteerde woordenboek van het Nederlands) systematisch gebruikt voor de bewerking van de GVD. Echter, die WNT-invloed is niet noodzakelijk blijvend positief (en dat is ook wel uit onderzoek van taalkundigen gebleken): voor een beschrijving van het hedendaagse Nederlands is het WNT immers een verouderde bron.

Daarbij rijst een ruimere vraag: als het Woordenboek der Nederlandsche Taal niet langer het vanzelfsprekende gezaghebbende referentiepunt voor de lexicografie van het hedendaagse Nederlands kan zijn, wat dan wel? Welke bron vervangt het WNT als grondslag voor de Grote Van Dale? In de context van de internationale lexicografie zou een breed uitgebouwd corpus van hedendaags Nederlands voor de hand liggen, maar er zijn verschillende redenen waarom zo’n corpus op dit moment nog niet de rol ten aanzien wan de publieksgerichte lexicografie vervult die men zou mogen verwachten.

In de eerste plaats is zo’n corpus nog niet voorhanden. Men had eigenlijk mogen verwachten dat de Taalbankafdeling van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw de systematische corpusdocumentatie van het hedendaagse Nederlands ter hand zou hebben genomen, maar de visie lag blijkbaar anders: het INL biedt een beperkt aantal kleinere corpora aan, maar geen systematisch en geïntegreerd corpus van hedendaags Nederlands waarin op een permanente wijze aan tekstuele documentatie van de lopende woordenschatontwikkelingen wordt gedaan. Thans wordt wel, extern ten opzichte van het INL en naar het model van het succesrijke Corpus Gesproken Nederlands, een Corpus Geschreven Nederlands geëntameerd, maar het zal uiteraard nog een hele tijd duren voor dat project voltooid is en voor het effect ervan in de commerciële lexicografie van het Nederlands (en a fortiori in Grote Van Dale) voelbaar zou kunnen zijn.

In de tweede plaats zijn er beperkingen op de mate waarin het Algemeen Nederlands Woordenboek de voormalige rol van het Woordenboek der Nederlandsche Taal ten aanzien van de commerciële lexicografie zou kunnen ondervangen. Zo is het ANW ook geconcipieerd, als hedendaags equivalent van het WNT, niet alleen met het oog op wetenschappelijke degelijkheid, maar ook met het oog op positieve spillovereffecten in de publieksgerichte lexicografie. Maar de vermoedelijke omvang van het ANW, in termen van het aantal beschreven woorden, zal een stuk lager liggen dan de huidige omvang van de Grote Van Dale. Bovendien is de corpusbasis waarop het ANW gebouwd wordt, naar hedendaagse internationale verwachtingen beperkt: er wordt een corpus van ongeveer 100 miljoen woorden aangelegd, terwijl de gebruikelijke omvang voor hedendaagse corpora een veelvoud daarvan vormt. Misschien zal het effect van die beperkingen minimaal zijn, maar ook dan zal het nog minstens tien jaar duren voor het ANW een omvang heeft bereikt die verwerking van de resultaten in de publieksgerichte lexicografie mogelijk maakt.

In de derde plaats is Van Dale zelf, als commercieel bedrijf, niet in staat of bereid om de investeringen te doen die tot een breed gebruik van corpusmateriaal en een doelgerichte en systematische ont-WNT’isering en revisie van de Grote Van Dale kunnen leiden. De hoofdredacteuren van de GVD in het post-Kruyskamptijdperk hebben geprobeerd de bewerking van de GVD in die richting te doen evolueren, maar de commerciële beperkingen op de mogelijkheden van de GVD hebben die pogingen verhinderd. Hoe de volgende hoofdredactie van de GVD met de beperkingen zal omspringen is nog onduidelijk, maar in ieder geval is het bedrijf Van Dale zelf op dit moment niet geneigd om de opschoning van de GVD grondig aan te pakken.

Het bedrijf Van Dale is op dit moment niet geneigd om de opschoning van de Grote Van Dale grondig aan te pakken

De onmiddellijke toekomst ziet er voor de kwaliteit van de publieksgerichte lexicografie van het Nederlands dus niet zo goed uit: na hun gelijke start in het midden van de negentiende eeuw is de lexicografie van het Nederlands ver achtergebleven bij de Engelse. Dat is op zich een verontrustende situatie, maar we moeten wel even nuanceren: als we terugdenken aan de drie functies die we eerder aan de grote negentiende-eeuwse woordenboeken hebben toegeschreven, dan zien we dat het probleem zich vooral voordoet ten aanzien van de praktische woordenboekfunctie.

De symbolische functie is immers duidelijk irrelevant geworden. Het woordenboek als schatkamer en symbool van een gemeenschappelijke identiteit heeft in ons laatmoderne tijdperk zijn belang en aantrekkingskracht verloren. De wetenschappelijke functie is wel nog relevant, maar hoeft niet de vorm aan te nemen van een woordenboek. Waarom zouden we alles wat in de woordenschat verandert per se willen registreren in de vorm van een beschrijving die woord per woord bekijkt wat er aan de hand is? Als we in de huidige omstandigheden een inzicht willen krijgen in hoe de woordenschat evolueert, dan is het waarschijnlijk belangrijker naar onderliggende factoren te kijken dan naar afzonderlijke woorden: als we bijvoorbeeld willen weten hoe het Engels het Nederlands beïnvloedt, dan zullen we niet, zoals de lexicografie klassiek doet, losse woorden willen beschrijven, maar dan doen we een kwantitatieve studie over algemene tendensen in de woordenschat.

Rest dus de praktische functie: het verstrekken van betrouwbare en bruikbare informatie over de woordenschat. Op dit terrein is de achterstand die de Nederlandse lexicografie heeft opgelopen in vergelijking met de Engelse wel reden tot zorg: Grote Van Dale lijdt, bij gebrek aan een deugdelijke documentatiebasis die de voormalige rol van het Woordenboek der Nederlandsche Taal kan vervangen, onder achterstallig onderhoud, en het Algemeen Nederlands Woordenboek is nog niet ver genoeg gevorderd om direct of indirect soelaas te bieden.

Charlotte Brewer,Treasure-house of the language. The living OED (New Haven/Londen: Yale University Press 2007).

Dirk Geeraerts is als taalkundige verbonden aan de KU Leuven.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen