Deel dit artikel

een biografie over michael ventris, het lijkt niet alsof de wereld daar op zat te wachten. michael wie? wanneer men erbij vertelt dat hij de man was die het oudste griekse geschrift, het lineair b, ontcijferde, veren een aantal lieden overeind: biografieën van archeologen doen altijd oude jongensdromen ontwaken. maar bij nader inzien leest het levensverhaal van ventris als een bijzonder onorthodoxe handleiding tot academisch succes.

De pathologie van de nieuwsgierigheid

David Van Reybrouck

Ga naar het Leuvense Letterengebouw in de BlijdeInkomststraat en neem de lift naar de bibliotheek op het zesde. Aarzel in het nauwe gangetje voor de deur. ‘Multiple choice,’ staat er, ‘trekken of duwen’. Dat het bolletje zwart is gemaakt bij ‘trekken’ merk je net te laat: geheel en al je intuïtie volgend duw je tegen de deur. Houd moed en begeef je naar de kaartenbakken. Bovenop de fichiers prijken de trofeeën die blijk geven van een rijk departementaal leven: een beker gewonnen op het ‘Interfacultair Welsprekendheidstornooi 1995’ , een medaille voor de ‘Derde Prijs Zaalvoetbal Heren 1985-86’. Geen wonder, denk je terwijl je het kitscherige klatergoud bestudeert, hier zitten de classici, een verzameling welbespraakte maar snel verkouden onderzoekers die hun sport bij voorkeur binnenskamers beoefenen.

Draai je nu om. In de kast die voor je staat, neem je links onderaan jaargang 1953 van de Journal of Hellenic Studies. Op pagina 84 zie je onbegrijpelijke tabellen, logo’s en Griekse karakters. Je struikelt over honderden gecursiveerde en gesplitste woorden: a-mi-ni-si-jo, to-Ro-no-wo-ko, het lijken klankgedichten uit de jaren vijftig. Maar er is ernst mee gemoeid. De auteurs, Michael Ventris en John Chadwick, hebben het over ‘inflectional variation’, ‘medio-passive participles’ en ‘diphthongal noun declensions’. Je begrijpt er niets van en wil het terugplaatsen. Hou het nog even vast. Wat je in je handen houdt, is de grootste mijlpaal uit de twintigste-eeuwse klassieke filologie: de definitieve ontcijfering van het Lineair B.

Wat je in je handen houdt, is de grootste mijlpaal uit de twintigste-eeuwse klassieke filologie.

Kreta, 1900. De Britse archeoloog Sir Arthur Evans is begonnen met de opgraving van wat een begrip in de klassieke archeologie zal worden: Knossos. Naast het paleis van de mythische Koning Minos en het labyrint van de nog legendarischer Minotaurus worden daarbij ook gebakken kleitabletten aangetroffen. Vergeleken met de schitterende fresco’s en het wonderschone vaatwerk zien ze er niet erg fraai uit, behalve dat ze bekrast zijn met allerlei symbolen en tekens die keurig gerangschikt zijn langs evenwijdige lijnen. Evans noemt het ‘Lineair B’, ter onderscheiding van het iets oudere Lineair A, hij vermoedt dat het om een primitief Kretenzisch schrift gaat dat hij ‘Minoïsch’ noemt. Vandaag worden de tabletten tussen 1300 en 1200 voor Christus gedateerd en weet men dat ze niet alleen in Kreta maar ook in heel zuidelijk Griekenland voorkomen. Het belang ervan valt moeilijk te onderschatten: afkomstig uit de paleisarchieven van monumentale nederzettingen zoals Thebe, Mykene, Pylos en Knossos bieden ze een unieke kijk op de samenleving in de Egeïsche Bronstijd, bijna duizend jaar voor Pericles, Socrates en Sophocles.

Gedurende meer dan een halve eeuw gold de ontcijfering van het Lineair B als een soort archeologisch-filologische variant van de stelling van Fermat: ze leverde meer enthousiastelingen dan resultaten op. Toen de 85-jarige Evans in 1936 een schoolklas rondleidde op een tentoonstelling over de Kretenzische beschaving in Londen, werd hij door een van de scholieren aangesproken met de opmerking: ‘Did you say the tablets haven’t been deciphered, Sir?.’ Als Evans in de veertienjarige knul die voor hem stond een zoveelste avonturier zag die het wel even zou oplossen, had hij gelijk. Alleen: deze knaap zou de klus ook daadwerkelijk klaren. Twintig jaar later pas. Zijn naam was Michael Ventris.

Over die Ventris werd zopas een biografie geschreven door Andrew Robinson. De auteur is in het dagelijkse leven literair redacteur van de Times Higher Education Supplement en schreef daarnaast, als science writer een stuk of wat boeken over de geschiedenis van het schrift en het ontcijferen van taalsystemen. Het was in die context dat hij getroffen werd door de figuur van Michael Ventris. De resulterende biografie is in feite een tot boekproporties opgeblazen essaytje dat niet bepaald imponeert door treffende historische contextualisering of diepgaand archivarisch onderzoek.

Toch is het zeer de moeite waard. Als de biografie in zekere zin het schetsmatige van de biograaf overleeft, dan heeft ze dat vooral aan haar onderwerp te danken. Het levensverhaal van Michael Ventris laat zich namelijk lezen als een bijzonder onorthodoxe handleiding tot academisch succes. Grasduinend in het boek vindt een wetenschappelijk onderzoeker er moeiteloos nuttige tips voor zijn of haar eigen carrière.

Tip 1: heb een ongelukkige jeugd! Ventris werd in 1922 in Engeland geboren uit een half-Poolse moeder van goede komaf en een Britse vader die als officier heeft gediend in de Indian Army. Door zijn vaders zwakke gezondheid (hij lijdt aan tbc) werd hij gedwongen om lange tijd met de familie in Zwitserland te verblijven. Naast het Pools en het Engels dat hij al van huis uit sprak, leerde hij er zo als achtjarige jongen Frans en Duits bij: voor een toekomstig linguïst geen slecht begin. Wanneer zijn ouders op zijn dertiende scheidden, verdiepte hij zich vervolgens op kostschool in Grieks en Latijn, en liet hij zich betoveren door de onleesbare tabletten van Knossos. Kort voor de Tweede Wereldoorlog overleed zijn vader, een jaar later pleegde zijn moeder zelfmoord, nadat haar familie door de Duitse bezetting van Polen alle grondbezit kwijt is. Hij was achttien, wees en woonde alleen in een modernistische flat in Noord-Londen.

Tip 2: studeer niet, of althans nooit aan een universiteit, en in ieder geval niet het vak waarin je later zal schitteren. Door zijn moeders uitgebreide contacten met vooraanstaande kunstenaars uit de modernistische scene (de beeldhouwers Henry Moore en Naum Gabo, de architecten Marcel Breuer en Ben Nicholson) werd Ventris aangemoedigd om aan een hogeschool in Londen architectuur te studeren. Zijn leven lang zou hij het dubbelspoor bewandelen tussen bouwkunde en taalkunde, tussen ontwerpen en ontcijferen. Hij tekende woningen, zette met vrienden een architectenbureau op en was betrokken bij een grootschalig informatieproject ten behoeve van architecten. Daarnaast hunkerde hij naar meer: met architectuur kon hij zijn brood verdienen, maar niet zijn pap koelen. In de avonduren sleutelde hij in zijn flatje aan de kleitabletten. Hoewel de analytische blik van de architect hem ongetwijfeld hielp in de studie van het Lineair B, ervoer hij meestal een geweldige spanning tussen de architecturale lasten en de filologische lusten. Ziedaar het lot van een toekomstig genie!

Tip 3: begin vroeg met kinderen, geloof niets van de flauwekul als zou een kroost het onderzoek belemmeren! Ventris was negentien toen hij in volle oorlogstijd, nog ongehuwd, zijn eerste kind verwachtte. Nog voor de geboorte werd hij opgeroepen om bij de RAF een training als piloot en navigator te krijgen; hij zou nauw betrokken raken bij het hachelijke bombardement van de stad Worms. Na de oorlog kreeg hij er nog een dochtertje bij, eveneens nog voordat hij zijn diploma had behaald. Aansluitende tip: wees geen al te gezellige papa. Men sluite zich bij voorkeur op in zijn bureau, ten detrimente van het gezinsleven. Wanneer het nageslacht het helemaal te bont maakte, parkeerde Ventris ze voor langere duur bij kennissen, kwestie van zich aan het onderzoek te kunnen wijden. Bavetten of tabletten, men moet zijn prioriteiten stellen.

Tip 4: heb geen enkele affiniteit met de mores van het vakgebied. Terwijl zijn collega’s klassieke archeologen en filologen doorgaans fijne lui of lieden??? waren met dure sigaartjes, keurige boekenkasten en een hang naar Victoriaanse nostalgie, koos Ventris resoluut voor het modernisme van zijn tijd. Het gedweep met Italië, het zwijmelen over Griekse eilanden, het bejubelen van flauwe landwijn, het was hem volstrekt vreemd. Ventris hield van Zweden en Denemarken of all places, landen die niet eens door de Romeinen waren bezet! En dan niet zozeer van de uitgestrekte wouden, de rustige Scandinavische ‘volksaard’, het zilte rendiervlees en andere clichés over het hoge noorden, maar van de hedendaagse architectuur die er sober en functioneel was. Lineair B ging voor hem niet zozeer over de Bronstijd van het Egeïsch gebied, maar over een intellectueel, ja bijna abstract vraagstuk. Een bouwkundig probleem, een ingenieurspuzzel. Dat lag hem wel.

Tip 5: laat de concurrenten in uw kaarten kijken, hou niets achter de hand, weiger om met de eer te gaan lopen. Individuele geldingsdrang leek Ventris totaal vreemd. In de naoorlogse jaren had hij immers met een paar vrienden een architectenbureau opgezet waarbij ‘socialisme’, ‘modernisme’ en ‘groepswerk’ de buzzwords waren. Het ontwerpen van gebouwen mocht niet langer een partijtje soloslim zijn, maar vroeg, gezien de toegenomen complexiteit, om collectieve inspanningen. Toen hij zich vanaf 1948 bijzonder intensief met Lineair B ging bezighouden, paste hij die methodiek toe op de ontcijfering. Op dat ogenblik hadden meerdere onderzoekers zich reeds suf gestaard op de Kretenzische tabletten en zat het kraken van de code in een volstrekte impasse. Middels een enquête onder hen inventariseerde hij de knelpunten, de zekerheden en de doodgelopen pistes. Vervolgens zou hij vier jaar lang de vakbroeders en -zusters bestoken met zijn Work Notes waarin hij met de grootst mogelijke openheid zijn vorderingen en hypotheses meedeelde, gewoon in de hoop dat het ooit tot een oplossing zou komen. Hij kon oprecht verheugd zijn over de successen die anderen boekten. Wanneer hij zelf plots een geweldige sprong vooruit had gemaakt, sloot hij zich niet op met zijn vondst maar vond in de jongere klassieke filoloog John Chadwick een geschikte partner om verder mee samen te werken. Die manier van werken – dit totaal gebrek aan persoonlijke eerzucht, die pure gretigheid om iets bij te leren – vormt een unicum in de twintigste-eeuwse wetenschapsgeschiedenis.

Die manier van werken vormt een unicum in de twintigste-eeuwse wetenschapsgeschiedenis.

De ontcijfering van het Lineair B is vaak vergeleken met de ontdekking van de structuur van het DNA. Ja, beide vonden plaats in het magische wetenschapsjaar 1952-1953 en beide gingen inderdaad om complexe patronen die in letters moesten worden ????worden???. Ja, Ventris en Chadwick hadden als duo wel iets van Crick en Watson, de bedenkers van de dubbele helix. Ja, de ultieme oplossing dat het om een oud-Grieks dialect ging, was even voor de hand liggend als het moleculaire wenteltrapje van de biologen. En ja, er waren nog andere kapers op de kust van deze fundamentele doorbraak: als je verneemt dat een van de mededingers in het ontcijferingsdebat, de Amerikaanse Alice Kober, een jonge, getalenteerde vrouw was die vroegtijdig aan kanker overleed, lijkt de parallel met genetica, waar Rosalind Franklin een gelijkaardig lot beschoren was, zo goed als volledig. Nochtans is dat allemaal maar uiterlijke schijn. Want waar ‘the rush to the double helix’ aaneenhing van naijver, achterbaksheid en zelfs koelbloedige diefstal (Watson en Crick bereikten hun doorbraak onder meer door essentieel fotomateriaal dat ontvreemd was aan Franklin), wordt de ontcijfering van Lineair B gekenmerkt door een ongekende hoffelijkheid. Een welsprekendheidstornooi was het welhaast, geen ruw zaalvoetbal.

Van Evans tot Ventris hadden de ontcijferaars zich hoofdzakelijk beziggehouden met het onderscheiden van de tekens (Lineair B bleek ongeveer 89 syllabische tekens te kennen) en het vastklampen aan een bepaalde hypothese: voor de een was het Kretenzisch, voor de ander een Oost-Mediterraanse taal verwant aan het Cypriotisch, voor de jonge Ventris Etruskisch. Het scrupuleuze werk van Alice Kober had echter geholpen om alle speculatie over de herkomst op te schorten en het tekensysteem in abstracto te bekijken. Zij stelde vast dat bepaalde woorden gekenmerkt werden door gelijkaardige uitgangen, wat er toe leidde om verbuigingen te vermoeden volgens het aantal, geslacht en naamval. Wát er stond en hóe het uitgesproken moest worden, was nog lang niet aan de orde, maar haar methode stond wel toe om structuren en principes in het taalsysteem te herkennen. Het is die werkwijze die Michael Ventris tot in het extreme doordreef, met dat verschil dat hij rijkelijk gebruikmaakte van statistische methodes: frequentieanalyse, locatievoorkeur, spellingsvariantie, …. Hij jongleerde met de 89 tekens en slaagde erin een heel stel formele regels te distilleren. John Chadwick, die hem later zou helpen met de uitwerking van de ontcijfering, zou na zijn dood zeggen dat de kracht van Ventris’ denken erin bestond om ‘orde te zien in ogenschijnlijke wanorde’.

Net zoals zijn collega-ontcijferaars had Ventris zich beziggehouden met het opstellen van een speculatieve transcriptie van de tekens. Maar toen hij merkte dat op de Kretenzische tabletten een aantal woorden voorkwamen die op de tabletten van het Griekse vasteland ontbraken, begon hij te vermoeden dat het om lokale plaatsnamen ging. En toen een groepje van drie tekens zich als ko-no-so liet lezen, proto-Grieks voor Knossos, bleek die transcriptie ook elders stand te houden. Door andere plaatsnamen te gokken kon hij zo zijn vertaalsleutel verder uitbreiden. Twaalf jaar lang had hij gedacht dat het schrift een vroege vorm van Etruskisch was, maar nu bleek het plots om een vroege vorm van Grieks te gaan. ‘I know it, I know it. I am certain of it,’ waren de woorden waarmee hij in juni 1952 uit zijn werkkamer stoof. Een paar dagen later schreef hij in een brief naar een collega-ontcijferaar: ‘During the last couple of days I have been carrying on with the fantasy I discussed in my last Note; and though it runs completely counter to everything I’ve said in the past, I’m now almost completely convinced that the tablets are in GREEK.’ Het zou een volgende tip kunnen zijn: wees zeer analytisch, maar ook niet te veel, durf creatieve sprongen in het ongewisse maken. Permitteer u zo nu en dan een fantasy. En ook: klamp u jarenlang met grote hardnekkigheid vast aan een foute hypothese. Duw tegen de deur als er ‘trekken’ staat.

Ventris had een enorme doorbraak geforceerd, samen met Chadwick schreef hij zijn bevindingen neer in het artikel dat vandaag tegenover de kaartenbak op het departement klassieke filologie staat. Een latere vondst uit Pylos zou als ultieme Rossetta-steen gelden: naast pictogrammen van driepikkels en vierorige amforen stond tekst in Lineair B. Bij transcriptie ervan regende het ‘trio’-dit en ‘tetra’-dat: bij het plaatje had men het juiste woord gevonden. Ondertussen plande Ventris Documents in Mycenean Greek, een monografie die de bijbel zou worden van alle ‘mycenologen’. Hij was eenendertig, de weg naar academisch succes lag open, de architectuur kon eindelijk vaarwel gezegd worden. Maar dat was buiten de waard gerekend: Ventris sloeg het aanbod van lezingen systematisch af (‘I am chiefly interested in the more esoteric technicalities of the subject,’ excuseerde hij zich), had een hekel aan congressen (‘The whole Paris thing is rather a bore,’ noemde hij een geplande bijeenkomst) en zag op tegen het academische bestel (‘I have the feeling that 95 % of our times gets used up on administration rather than creative work’). Ventris bedankte voor de eer. Het probleem was opgelost, het Lineair B ontcijferd, na een paar weekjes snorkelen en skiën zou hij terug overgaan tot de prozaïscher orde van de dag: architectuur.

‘I am chiefly interested in the more esoteric technicalities of the subject.’

Of Ventris inderdaad nimmer zou terugkeren naar zijn grote liefde zullen we nooit weten. In 1956, nauwelijks een paar jaar na de ontcijfering van het schrift, kwam hij in onopgehelderde omstandigheden om het leven. Iets met een nachtelijke autorit in Londen, zonder duidelijk doel, maar met hoge snelheid en een geparkeerde vrachtwagen. Zelfmoord, volgens velen. Hij was vierendertig. De drukproeven van zijn magnum opus waren pas gecorrigeerd, het werk zou eerstdaags verschijnen. Ware het niet zo cynisch, dan zou sterven op het hoogtepunt van je roem de ultieme tip kunnen zijn. In alle opzichten was voor Ventris de klus geklaard. De inhoud van de tabletten had hem zelf nooit zo geïnteresseerd en nu ze leesbaar waren, bleken ze niet eens zo wereldschokkend. Geen magnifieke hymnen of flarden van epische gedichten, maar de eerder prozaïsche boekhouding van een paleisadministratie: lijsten met persoonsnamen, opsommingen van aantallen schapen, kruiken wijn, schalen olijfolie. Echo’s van een leven zo’n vier millennia geleden.

En toch … als er iets te lezen valt uit het verhaal van deze tabletten dan is het ongetwijfeld dat wetenschap, wars van alle academische conventies, uiteindelijk het meest gebaat is met een gedreven, belangeloze, bijna pathologische nieuwsgierigheid. Het verlangen om iets te weten. Het rusteloze zoeken. Hartstocht. Daar gaat het om. Al de rest is klatergoud.

Andrew Robinson, The Man Who Deciphered Linear B. The Story of Michael Ventris (London: Thames and Hudson 2002).

David van Reybrouck is archeoloog en cultuurhistoricus en auteur van onder andere De plaag en Congo.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen