Deel dit artikel

mensenrechten zijn volgens velen sinds lang een wezenlijk onderdeel van de westerse cultuur. in een nieuwe kritische geschiedenis van de mensenrechten van samuel moyn, getiteld the last utopia. human rights in history, wordt deze visie echter weerlegd. mensenrechten blijken een heel recente uitvinding, en dat gewijzigde beeld van het verleden heeft ook gevolgen voor het heden.

Een kritische geschiedenis van de mensenrechten

Wim Weymans

Mensenrechten horen vandaag wellicht nog tot de enige morele principes waarin we geloven, die ons hoop bieden en die het goede belichamen. Ze dwingen respect af over de grenzen van politieke partijen of ideologieën heen, bieden een moreel kompas in de internationale politiek en verwijzen naar een betere wereld. Geen wonder dat ze, zowel door het brede publiek als door academici, haast als een soort seculiere religie worden gezien, een blijde boodschap voor onze tijd.

Gezien het morele en haast religieuze karakter van mensenrechten verbaast het niet dat de geschiedenis van die mensenrechten meestal wordt voorgesteld als een onvermijdelijke en positieve ontwikkeling, die begint met de Tweede Wereldoorlog, de Franse Revolutie of zelfs in de oudheid en die eindigt met het succes en het prestige dat mensenrechten vandaag genieten. Als triomfantelijke geschiedenis die ons sterkt in ons geloof in het goede lijkt ze op een ouderwetse geschiedenis van de katholieke kerk. Beide beginnen immers met een kleine groep ‘gelovigen’ die – ondanks de tegenstand – langzaam maar zeker hun medemensen van hun grote gelijk wisten te overtuigen. Beide zijn optimistische geschiedenissen waarin alles in het teken staat van de onvermijdelijke triomf van het goede over het kwade. Alles wordt binnen dat kader geplaatst: net zoals het jodendom in een traditioneel christelijk perspectief niets meer is dan een voorbereiding op de komst van Christus, zo leverden vroegere emancipatiebewegingen in het mensenrechtenverhaal al een bijdrage tot onze hedendaagse strijd. Dat joden of onze voorouders dat allicht anders zagen is vanuit dit doelgerichte perspectief bijkomstig. In een dergelijke benadering staat het verleden in het teken van het heden, en wordt alles waarin we onszelf niet herkennen weggelaten.

Het is vreemd dat uitgerekend historici de geschiedenis van de mensenrechten op een triomfalistische en doelgerichte wijze voorstellen

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd dat uitgerekend historici de geschiedenis van de mensenrechten op een dergelijke triomfalistische en doelgerichte wijze voorstellen. De meeste historici hebben immers al lang de doelgerichte geschiedschrijving ingeruild voor een kritisch perspectief waarbij het verleden niet wordt herleid tot het heden, maar net de eigenheid en vreemdheid van het verleden worden benadrukt. Geschiedenis verschijnt in die kritische benadering niet als onvermijdelijk en noodzakelijk maar blijkt het gevolg van toeval en keuzes. Toen historici op het einde van de jaren 1990 – relatief laat – de geschiedenis van de mensenrechten begonnen te schrijven, namen ze verrassend genoeg geen kritisch maar een ouderwets doelgericht perspectief in. Terwijl historici intussen haast al onze zekerheden (omtrent wetenschap, de natiestaat of genderidentiteit) relativeren door te tonen dat ze er vroeger anders uitzagen en het gevolg zijn van toevallige ontwikkelingen, lijken ze in het geval van de mensenrechten onze morele zekerheden net te willen bevestigen. Mensenrechten blijken het laatste heilige huisje waarvan zelfs de historicus beschroomd zijn kritische blik afwendt.

Maar ook heilige huisjes gaan vroeg of laat tegen de vlakte, zoals blijkt uit het baanbrekende boek The Last Utopia (2010) van Samuel Moyn, een jonge historicus die doceert aan de Columbia University in New York. De grote verdienste van Moyn en enkele andere collega’s zoals Mark Mazower of Jan Eckel, is dat ze het kritische perspectief sinds kort ook zijn gaan toepassen op de mensenrechten, waardoor die in hun eigen tijd worden gesitueerd en ze het product blijken van keuzes, toeval en macht. Vanuit een dergelijk kritisch perspectief blijken mensenrechten niet zo oud als we vaak denken. Op het eerste gezicht lijken rechten, zoals die ontstonden in de zeventiende eeuw, en zeker de ‘rechten van de mens’ (droits de l’homme, rights of man) zoals die in de achttiende eeuw werden ingeroepen tijdens de Franse en Amerikaanse Revolutie, duidelijke voorlopers voor onze mensenrechten. Bij nader toezien blijken die ‘rechten van de mens’ (lees: burgerrechten) echter iets heel anders te zijn dan onze ‘mensenrechten’.

Mensenrechten gelden immers in principe overal, en daardoor overstijgen én beperken ze de natiestaat, die door buitenstaanders kan worden bekritiseerd als hij mensenrechten schendt. Traditioneel zijn rechten echter niet tegengesteld aan de staat, maar veronderstellen ze die juist: de moderne staat werd in de zeventiende eeuw immers uitgevonden om rechten van burgers binnen deze staat te beschermen. Geen rechten zonder staat. Ons ideaal van mensenrechten, waarbij niet de staat maar bovenstatelijke instanties zoals de Verenigde Naties (VN) rechten garanderen en afdwingen, was onze voorouders onbekend. Voor hen waren rechten geen universele mensenrechten maar burgerrechten, gekoppeld aan het burgerschap van één bepaalde staat. Ook de emancipatiebewegingen door uitgesloten groepen (arbeiders, vrouwen, minderheden …) of door het gehele volk streefden naar gelijke rechten binnen de staat. Bovendien impliceert de strijd voor burgerrechten vaak revolutionair geweld (denk maar aan de Franse Revolutie) en ook daarin verschillen die rechten van onze geweldloze visie op mensenrechten. De ‘Arabische Lente’ is dus eerder een burgerrechtenrevolutie dan een mensenrechtenbeweging.

Ons ideaal van mensenrechten, waarbij niet de staat maar bovenstatelijke instanties zoals de Verenigde Naties rechten garanderen en afdwingen, was onze voorouders onbekend

Zijn de eerste humanitaire acties in de negentiende eeuw, zoals de internationale campagnes tegen slavernij, dan geen mensenrechtenbeweging ‘avant la lettre’? Volgens Moyn zijn ze dat niet. Hij benadrukt dat humanitaire acties uitgaan van medelijden en daardoor een ongelijke imperialistische relatie in stand houden tussen de actieve paternalistische helper en de passieve afhankelijke hulpbehoevende. Men verkoos, zeker in de negentiende eeuw, het beeld van ‘lijdenden’ die aan onze goodwill zijn overgeleverd, boven het schrikbeeld van onderdrukten die zelf hun rechten opeisen door bloedige slavenopstanden of een onafhankelijkheidsstrijd (zoals de revolutie in Haïti tussen 1791 en 1804). Anders dan in het humanitaire paternalisme vertrekken mensenrechten van gelijkheid. Een recht is per definitie geen gunst.

Moyn ontkent natuurlijk niet dat er in de jaren 1940 wel – en voor het eerst – sprake is van mensenrechten (human rights). Maar ook hier breekt hij met het standaardbeeld van de triomfantelijke doorbraak van de mensenrechten na de Tweede Wereldoorlog als reactie op de Holocaust. Dat laatste klopt alvast niet, want de Holocaust werd pas decennia later bekend bij een breed publiek, en er werd in die tijd dan ook nauwelijks naar verwezen. Bovendien overschatten historici vaak de rol die mensenrechten in die periode spelen, wat samenhangt met de traditionele doelgerichte visie erop. Moyn verwerpt die tunnelvisie. Hij gaat daarom niet alleen na waar mensenrechten opduiken in officiële documenten, maar hij onderzoekt ook welke betekenis aan de term werd gegeven en vooral welke weerklank die had buiten de diplomatieke wereld. Eenmaal gesitueerd binnen die ruimere context blijkt de impact van mensenrechten in de jaren 1940 zo goed als nihil. Het klopt dat de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt en anderen af en toe naar ‘mensenrechten’ verwezen, maar de term blijft vaag. Hij betekende verschillende dingen voor verschillende mensen en had (in tegenstelling tot vandaag) geen enkele wervende kracht.

En wat met het ontstaan van de Verenigde Naties in 1945? Die blijken vooral een product van de toenmalige grootmachten die hun macht wilden consolideren (getuige de centrale rol van de Veiligheidsraad). ‘Mensenrechten’ werden daarbij gebruikt als een symbolisch vijgenblad waardoor de VN als iets nieuws kon worden voorgesteld, terwijl in de praktijk de grootmachten de touwtjes nog steeds stevig in handen hielden. Oude wijn in nieuwe zakken dus. En zelfs de nu zo geroemde Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de VN (1948) werd destijds nauwelijks ingeroepen en bracht geen beweging tot stand, laat staan dat ze een universele weerklank vond. Met die verklaring werden volgens Moyn mensenrechten zoals we die kennen niet geboren maar ‘doodgeboren’.

In de jaren 1950 – in volle Koude Oorlog – overleefden mensenrechten slechts in Europa, ditmaal als een instrument in de Koude Oorlog: het liet de christendemocratische founding fathers van Europa toe om te verduidelijken waarin West-Europa (dat mensenrechten verdedigde) ideologisch verschilde van z’n Oost-Europese tegenhanger (die dat niet deed). De band tussen katholicisme en mensenrechten wekt verwondering, want de katholieke kerk had tot de jaren 1940 mensenrechten (en democratie) haast altijd veroordeeld. Dat veranderde pas in 1942, toen de invloedrijke katholieke denker Jacques Maritain in één geschiedvervalsende beweging verkondigde dat de kerk in feite steeds een voorvechter was geweest van de mensenrechten. Maar het ging dan wel om een christelijke, zogenaamd ‘personalistische’ interpretatie van mensenrechten. In die interpretatie was er slechts sprake van mensenrechten binnen een christelijke gemeenschap, waar rechten niet toekwamen aan het geatomiseerde individu maar aan de persoon die in deze spirituele gemeenschap was ingebed, en daardoor het materialisme oversteeg dat zowel het liberale individu als de socialistische en communistische gemeenschap kenmerkte. In tegenstelling tot onze idee van mensenrechten als een ideaal dat partijgrenzen overstijgt, waren mensenrechten toen nog partijdig (conservatief, anti-individualistisch en anticommunistisch) en dus allerminst universeel. Als mensenrechten sinds die tijd een rol spelen binnen de kerk dan is het vooral in deze conservatieve zin, die is tegengesteld aan onze ‘individualistische’ idee van mensenrechten.

In de jaren 1960 werd op het internationale forum sporadisch naar mensenrechten verwezen – haast uitsluitend binnen de VN. Maar dit slechts na een lange periode van stilte, die alles te maken had met de dekolonisatie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hunkerde het overgrote deel van de mensheid (dat nog door koloniale mogendheden was bezet) naar onafhankelijkheid. Aanvankelijk stelden de geallieerde grootmachten – die de door Nazi-Duitsland bezette landen wilden bevrijden – ook daadwerkelijk onafhankelijkheid en collectieve zelfbeschikking in het vooruitzicht. Winston Churchill wilde echter enkel komaf maken met het Duitse imperialisme, maar uiteraard niet met zijn eigen empire en zijn vele kolonies. Op zijn vraag lieten de grootmachten de belofte van onafhankelijkheid en zelfbeschikking dan ook snel vallen. In plaats daarvan kwamen mensenrechten, als een soort ongevaarlijke troostprijs, wat verklaart waarom de ontgoochelde dekolonisatiebeweging mensenrechten aanvankelijk links liet liggen.

Toen deze beweging in de jaren 1960 uiteindelijk toch naar mensenrechten ging verwijzen – op het ogenblik dat ex-kolonies binnen de VN sterk aan invloed toenamen – dan bleek de betekenis opnieuw radicaal gewijzigd. Bevestigden ze na de oorlog nog het imperialisme, dan werden ze nu geassocieerd met antikolonialisme. Voor niet-westerse landen stonden mensenrechten immers gelijk met het recht op collectieve zelfbeschikking, niet met de individuele rechten die we vandaag zo belangrijk vinden. De staatssoevereiniteit bleef ook toen het streefdoel, en mensenrechten hadden destijds weinig gemeen met onze idee dat de staatssoevereiniteit moet worden ingeperkt door universeel geldende individuele rechten.

Ook al riep de VN 1968 uit tot het ‘human rights year’, toch bleven in die tijd mensenrechten volstrekt onbekend bij een breder publiek. Tijdens mei 1968 werd de westerse jeugd door velerlei idealen geïnspireerd, met name door gewelddadige revolutie, guerrilla en anti-imperialistische strijd in de derde wereld, maar mensenrechten kwamen niet in dat rijtje voor. Pas in het midden van de jaren 1970 zijn mensenrechten plots niet langer uitsluitend bij VN bureaucraten bekend maar ook bij een veel breder publiek. Waarom? Een algemene verklaring is dat het Westen dan pas op een geloofwaardige en ‘veilige’ manier mensenrechten kon verdedigen, nadat ze eerst al hun kolonies en (in het geval van de Verenigde Staten) Vietnam hadden losgelaten. Daarnaast inspireerden de Helsinki-akkoorden tussen Oost en West (1975) dissidenten uit het Oostblok. In deze akkoorden waren immers ook mensenrechten als schijnbaar onschuldig aanhangsel opgenomen, en dissidenten zoals Václav Havel herinnerden in de jaren daarop hun leiders aan de akkoorden die ze hadden ondertekend. Deze dissidenten zagen in mensenrechten een moreel ‘zuiver’ alternatief voor ongeloofwaardige politieke idealen. Maar vooral het feit dat de nieuwe Amerikaanse president Jimmy Carter sinds 1976 out of the blue over mensenrechten begon te spreken, maakte dat de term plots, voor het eerst, vaak opdook in kranten en niet-diplomatieke kringen.

Dat mensenrechten sindsdien ook los van dat wisselende politieke gebruik verankerd bleven in het westerse bewustzijn, was vooral de verdienste van mensenrechtenbewegingen, die het in het Westen onder meer opnamen voor dissidenten. Het bekendste voorbeeld is Amnesty International, dat weliswaar al sinds de jaren 1960 actief was, maar pas in de jaren 1970 haar bekendheid en ledenaantal sterk zag toenemen, en in 1977 de Nobelprijs kreeg.

Met de ondergang van revolutionaire of antikoloniale utopieën was er nood aan een alternatief: mensenrechten werden onze nieuwe utopie

De belangrijkste verklaring voor het plotse succes van mensenrechten in het midden van de jaren 1970 ligt volgens Moyn echter bij de zware crisis die rivaliserende emancipatiebewegingen toen doormaakten. De onderdrukking van de Praagse Lente (1968) en de staatsgreep die een einde maakte aan het linkse regime van Allende in Chili (1973) verzwakten het linkse verhaal. En de onafhankelijkheid bracht ex-kolonies niet de verhoopte emancipatie, maar corrupte regimes die burgerrechten met voeten traden. Met de ondergang van revolutionaire of antikoloniale utopieën was er nood aan een alternatief: mensenrechten werden zo onze nieuwe utopie, als laatste in een lange rij. Ironisch genoeg was het net het morele en apolitieke karakter van mensenrechten, dat hen tot dan toe irrelevant maakte, dat door het failliet van politieke emancipatieverhalen plots aantrekkelijk werd. Dat alles klinkt ontluisterend: volgens Moyn geloven we niet in mensenrechten omdat ze sinds lang wezenlijk deel uitmaken van onze cultuur, maar omdat ons destijds niets anders overbleef. Mensenrechten bij gebrek aan beter dus.

Het ontstaan van mensenrechten blijkt ook in een ander opzicht ontluisterend. Anders dan mensenrechten was de welvaartsstaat wel een direct gevolg van de Tweede Wereldoorlog. Net op het moment dat mensenrechten aan hun opmars beginnen in de jaren 1970, komt die welvaartsstaat echter sterk onder druk te staan. Sterke nationale solidariteit wordt vervangen door zwakke internationale solidariteit. Vergeleken met de idealen van de welvaartsstaat blijken mensenrechten echter minder ambitieus en dus ook minder ‘gevaarlijk’: de mensenrechtenagenda beperkt zich immers meestal tot het aanklagen van het ergste kwaad en laat de ongelijke verdeling van macht en inkomen ongemoeid.

Uit de traditionele doelgerichte geschiedenis van de mensenrechten blijkt dat wie het verleden slechts ziet als een voorbereiding op het heden, onrecht doet aan de eigenheid en vreemdheid van dat verleden. Sommige historici besluiten daaruit dat een historicus die de eigenheid van het verleden respecteert moeilijk een ‘nuttige’ bijdrage kan leveren tot een beter begrip van het heden. Moyn trekt een andere conclusie: volgens hem kan de historicus zowel op het verleden als op het heden betrokken zijn. Respect voor de vreemdheid van het verleden laat ons immers net toe om het heden te verhelderen. Door een correct historisch begrip van het ontstaan van mensenrechten, kunnen we bijvoorbeeld de toegenomen verwachtingen begrijpen waarmee mensenrechtenactivisten vandaag worden geconfronteerd. Mensenrechten ontstonden in de jaren 1970 omdat ze toen een minimalistisch apolitiek alternatief boden voor falende politieke ideologieën. Maar gaandeweg werd verwacht dat ze de leemte zouden opvullen die door verdwenen emancipatiebewegingen was ontstaan. Van een minimalistisch programma in de jaren 1970 – toen vooral rechten van gefolterden centraal stonden – evolueerden mensenrechtenbewegingen sindsdien steeds meer naar allesomvattende emancipatiebewegingen, die een structureel antwoord willen bieden op alle lijden in de wereld. Vandaar de relatief recente (en, zoals we zagen, weinig vanzelfsprekende) verbinding tussen de oudere traditie van humanitaire acties en de veel jongere mensenrechten. Mensenrechten zijn door deze toegenomen verwachtingen zo allesomvattend geworden dat ze vandaag nood hebben aan verduidelijking en keuzes.

Als we beseffen dat mensenrechten een relatief recente uitvinding zijn en geen stabiele eeuwenoude traditie of erfenis die we respectvol moeten bewaren, dan biedt ons dat de vrijheid om zelf te kiezen hoe we mensenrechten in de toekomst willen interpreteren. We staan daarbij voor het volgende dilemma. Ofwel keren we terug naar de apolitieke morele oorsprong van mensenrechten met een beperkte agenda (slechts het ergste kwaad bestrijden), maar in dat geval moeten we de ruimere utopische ambitie opgeven om de wereld structureel te verbeteren. Ofwel kiezen we voor een mensenrechtenbeweging die zich ook voor meer ambitieuze politieke thema’s inzet zoals structurele armoedebestrijding, vrouwenrechten en global governance. In dat geval kan de mensenrechtenbeweging echter niet langer doen alsof ze, zoals in de beginjaren, een louter neutrale apolitieke beweging is. Er bestaat immers geen consensus over hoe de wereld kan worden verbeterd en dat betekent dat conflict en politieke keuzes onvermijdelijk zijn. Men kan bijvoorbeeld kiezen voor een strijd voor een eerlijker verdeling van welvaart en macht (wat minder aandacht impliceert voor wrede regimes die folteren). De socio-economische rechten die binnen de welvaartsstaat individuele politieke rechten aanvulden, kunnen dan op wereldschaal worden bepleit. Zo zouden mensenrechten opnieuw kunnen aansluiten bij de politieke idealen wier plaats ze destijds innamen. Daardoor worden ze echter ook meer partijdig en neemt hun morele en universele prestige verder af. Ze verliezen dan aan zuiverheid maar winnen daardoor hopelijk aan relevantie.

Samuel Moyn, The Last Utopia. Human Rights in History. (Cambridge, MA: Harvard University Press, 2010).

Wim Weymans is als politiek filosoof verbonden aan KU Leuven en FWO-Vlaanderen.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen