Deel dit artikel

een wereldberoemd historicus schrijft zijn levensverhaal. biedt deze fascinerende persoonlijke geschiedenis, zoals hij ons wil doen geloven, ook een doorslag van de twintigste eeuw? en geeft deze autobiografie een antwoord op de vraag waarom een intellectueel van een dergelijke allure tot het einde toe bleef geloven in het communistische ideaal? over verlangens en ontgoochelingen.

Een verloren geschiedenis

Jo Tollebeek

De faam van de Britse historicus Eric Hobsbawm strekt zich ver buiten zijn vakgebied uit. Zij berust op de grote overzichten van de moderne geschiedenis die hij publiceerde. The Age of Revolution, The Age of Capital en The Age of Empire, verschenen tussen 1962 en 1987, vormden samen een trilogie over de negentiende eeuw. In Age of Extremes, uit 1994, ging het om de ‘korte’ twintigste eeuw, de periode vanaf de Eerste Wereldoorlog tot de val van de Sovjet-Unie. Het boek werd in bijna veertig talen vertaald. Voor velen werd Hobsbawm door zijn meeslepend geschreven en vaak verrassende syntheses de historicus par excellence. Meer nog: de nu zesentachtigjarige Hobsbawm werd voor velen de geschiedenis zelf, hij belichaamde de geschiedenis.

Hobsbawm werd voor velen de geschiedenis zelf, hij belichaamde de geschiedenis

Die rol is door Hobsbawm zelf geënsceneerd, op tweevoudige wijze. Aan de ene kant rechtvaardigde hij zijn geschiedenis van de ‘korte’ twintigste eeuw door te benadrukken dat hij de in Age of Extremes beschreven periode zelf had meegemaakt. ‘Wij zijn deel van deze eeuw. Zij is deel van ons’, zo luidde het in staccato geschreven zinnetjes. De boodschap was duidelijk: Hobsbawm stelde zichzelf voor als een betrouwbare gids voor wie, anders dan hij, deze eeuw niet had ‘doorleefd’.

Aan de andere kant presenteert Hobsbawm de eigen persoonlijke levensgeschiedenis in zijn onlangs verschenen autobiografie Interesting Times uitdrukkelijk als ‘een twintigste-eeuws leven’. Zoals het ‘grote verhaal’ van Age of Extremes werd gelegitimeerd door een verwijzing naar de eigen levensgang, zo wordt — omgekeerd — het eigen leven in de autobiografie met belang ‘bekleed’ door het te koppelen aan de algemene geschiedenis. Startend te midden van de ruïnes die door de ‘Grote Oorlog’ werden geschapen, en zich vervolgens een weg banend door de moorddadige eeuw die daarop volgde, wordt dit leven gemodelleerd naar de geschiedenis die in Age of Extremes werd beschreven. Maar daardoor kan Interesting Times ook ter hand worden genomen als een inleiding tot deze geschiedenis. Althans, dat is wat Hobsbawm suggereert.

De lezer wil het graag geloven. Hobsbawm lijkt immers alle peripetieën van de twintigste-eeuwse intellectueel te hebben doorgemaakt. Geboren in 1917 in Alexandrië als zoon van een Brits onderdaan, groeide hij in de jaren 1920 op in de geboortestad van zijn moeder, Wenen. Zijn ouders behoorden er tot de middenklasse, waarvan de mentale horizon zich nog steeds over heel Centraal-Europa uitstrekte. De cultuur was in Wenen Duits, maar de stad was kosmopolitisch en veeltalig, een stad van migranten ook. Als jood onderscheidde Hobsbawm er zich amper van zijn stadsgenoten. Zijn jodendom was geassimileerd en geëmancipeerd.

Na de vroegtijdige dood van zijn ouders verhuisde Hobsbawm in 1931 naar Berlijn. Hij zou er twee jaar blijven. Het werden, zo wordt in de autobiografie herhaaldelijk beklemtoond, cruciale jaren voor zijn leven. Maar ook voor de wereldgeschiedenis bleken de Berlijnse jaren 1931-1933 van beslissende betekenis: de Weimarrepubliek beleefde er haar einde in een groeiende economische crisis en in een golf van politieke ‘erupties’. Der Engländer volgde de gebeurtenissen vanuit het gymnasium, zich steeds meer bewust van de spanningen in staat en maatschappij. In 1932 trad hij toe tot de Sozialistischer Schülerbund. Hij werd communist, onder meer aangetrokken door het enthousiasme dat uit de linkse massamanifestaties sprak, maar ook door de intellectuele beloftes die het dialectisch materialisme leek in te houden. In januari 1933 werd echter met Weimar afgerekend; Hitler greep de macht.

Enkele maanden later trok Hobsbawm naar Londen, niet op de vlucht voor het antisemitisme en anticommunisme van de nationaal-socialisten, maar voor de economische depressie. Londen maakte op de zestienjarige een treurige indruk: hier, anders dan in Berlijn, geen communisme, geen strijd, geen avant-garde ook, slechts de geslotenheid en het geregelde leven van een eiland. En toch, in Londen ontdekte Hobsbawm een liefde voor het leven, jazz; hij zou er in 1959 onder het pseudoniem Francis Newton een boek over publiceren. Van Londen ging het naar Cambridge, waar Hobsbawm in 1936 een studiebeurs voor het prestigieuze King’s College kreeg. In red Cambridge, waar in deze jaren sovjetspionnen als Guy Burgess en Anthony Blunt werden opgeleid, vormde dat het greenhouse van het communisme. Hobsbawm aarzelde evenmin: hij werd lid van de Communistische Partij, als zovelen van de radicale generatie die in de voor het overige parochiaal gebleven universiteitsstad studeerde.
Gemakkelijk voor zichzelf maakte Hobsbawm het daarmee niet: door zijn communisme kreeg hij tijdens de nieuwe oorlog niet de plaats bij de Britse inlichtingendienst waarop hij had gehoopt. De Koude Oorlog verlengde vervolgens zijn isolement. Een professoraat in Cambridge werd hem geweigerd. De in 1947 aan Birkbeck College van de University of London gestarte carrière verliep moeizaam. Maar Hobsbawm gaf er les aan werkstudenten, en dat beviel hem. Vanaf de late jaren 1950 werd zijn leven ‘genormaliseerd’. Zijn faam als historicus groeide, het wereldwijde communistische netwerk leverde hem vooral in Latijns-Amerika blijvende contacten op. Na zijn emeritaat in Londen startte hij een tweede loopbaan in New York. Van 1984 tot 1997 — hij was toen tachtig — doceerde hij vier maanden per jaar aan de New School for Social Research.

Een tocht van Mitteleuropa naar Manhattan, die bovendien een mars langs de landmarks van de twintigste eeuw is: verwondert het dat een dergelijk leven fascineert en als waarlijk ‘historisch’ wordt begrepen? Tegelijkertijd heeft dat leven iets raadselachtigs behouden: hoe is het mogelijk, zo vroegen velen zich af, dat Hobsbawm steeds communist is gebleven? Bij de verschijning van Interesting Times werd de vraag opnieuw gesteld, onder meer door Niall Ferguson, die politieke en financiële geschiedenis in Oxford doceert en zich de voorbije jaren als een radicale Tory heeft geprofileerd. Ferguson ontkent niet dat Hobsbawm één van de grote historici van zijn generatie is. Maar hij schudt het hoofd bij het politieke onbegrip dat hij in Interesting Times opgestapeld vindt. Het pact tussen Hitler en Stalin, de excommunicatie van Tito uit de ‘communistische Kerk’, de showprocessen in de Sovjet-Unie: waarom was Hobsbawm dit allemaal blijven accepteren?

Het marxisme, met zijn wetenschappelijke ambities, gaf Hobsbawm de zekerheid de richting van de geschiedenis te kennen

Een verklaring voor die vasthoudendheid weet Ferguson niet te geven, of het moet een tautologische zijn: Hobsbawms communisme was een geloof, dat bovendien erg flexibel was. Uit de autobiografie valt echter iets anders af te leiden. Daaruit blijkt dat het marxisme, met zijn wetenschappelijke ambities, Hobsbawm de zekerheid gaf de richting van de geschiedenis te kennen. Marx had hem geleerd hoe het historisch proces zich, stap voor stap en op noodzakelijke wijze, moest ontwikkelen. Hobsbawm kon daarom pretenderen steeds voor de toekomstgerichte krachten in de geschiedenis te kiezen. Hij was ervan overtuigd dat de communistische ‘overwinning reeds in de tekst van de geschiedenisboeken van de toekomst was ingeschreven’. Ook op die manier meende hij de geschiedenis te belichamen.

Was het verwonderlijk? Stond de Bolsjewistische Revolutie van 1917 dan niet voor de toekomst in vergelijking met de oorlog van 1914, die tenslotte het failliet van de oude kapitalistische orde illustreerde? En wie kon in het begin van de jaren 1930 de dode Weimarrepubliek verkiezen boven het revolutionaire Rusland, het land van de hoop? Een andere keuze dan een keuze voor het communisme was, zo suggereert Hobsbawm in zijn autobiografie, moreel onmogelijk. Daarmee wordt een ‘conservatieve’ keuze in diskrediet gebracht, maar ook de ongeremdheid van de eigen politieke passie gerechtvaardigd. En dat niet alleen: de wetenschap het historische en morele gelijk te vertegenwoordigen toont ook waarom de voortdurende dwang van ‘de Partij’ werd aanvaard. Zij schiep een cultuur van rapporten, van efficiëntie en discipline, van emotionele identificatie en totale toewijding — maar: ‘Wij gaven haar alles wat wij hadden.’

Daartoe behoorde ook het wetenschappelijke vakmanschap. Ook als historicus meende Hobsbawm immers de geschiedenis te kunnen belichamen. Viel de ‘ware’ objectiviteit in de geschiedschrijving tenslotte niet samen met een expliciete keuze voor hen die in het verleden waren verdrukt, maar tegelijkertijd de dragers van een nieuwe wereld waren? Hobsbawm koos dus voor een geëngageerde geschiedschrijving, een history from below of grassroots history. Die keuze zou later leiden tot boeken die weliswaar niet de status van Edward Thompsons uit 1963 daterende The Making of the English Working Class kregen, maar die desondanks alle behoren tot de canon van de Britse neomarxistische historiografie. Primitive Rebels opende in 1959 de rij, Worlds of Labour sloot haar in 1984 af.

Voorlopig schoolde Hobsbawm zichzelf in de Historians’ Group die in 1946 binnen de Britse Communistische Partij was opgericht en waartoe ook Christopher Hill, de deken van de Engelse neomarxistische historici, behoorde. In die kring werd in 1952 Past & Present gecreëerd, het op vele vlakken vooruitstrevende historisch tijdschrift, dat ook in het buitenland veel indruk maakte. In 1954 stuurde de Russische Academie voor Wetenschappen Hobsbawm en enkele andere leden van de Historians’ Group een uitnodiging voor een bezoek aan Moskou. De gasten zagen er het opgebaarde lijk van Stalin, bewonderden er de futuristische metro en genoten er van de scherpzinnigheid van de wetenschappers waarmee ze op de vriendschap toostten. Hobsbawm werd er als een culturele VIP behandeld.
Maar hier begon ook de ontgoocheling en groeide het besef dat het marxisme niet de mogelijkheid bood met zekerheid de richting van de geschiedenis aan te wijzen en de overwinning alvast op te eisen. De reis naar Moskou hield voor Hobsbawm immers ook een ervaring van vervreemding in: hij moest er vaststellen dat er een diepe kloof gaapte tussen de betekenis die het communisme voor hem en zijn vrienden had (strijd, internationalisme …) en het karakter van het ‘reëel bestaande socialisme’ (een officiële doctrine, in zichzelf gekeerd …). Korte tijd later, in 1956, kwam de klap die in Interesting Times de allure van een trauma krijgt: op het twintigste congres van de Russische Communistische Partij klaagde Chroesjtsjov Stalin op ondubbelzinnige wijze aan. Daarmee vernietigde hij de communistische wereldsolidariteit. De onderdrukking van de opstanden in Polen en vooral Hongarije versterkte slechts de ideologische crisis die ook Hobsbawm nu doormaakte.

Daarmee zouden de ontgoochelingen zich aaneenrijgen, in een steeds hoger tempo. ‘Mei 68’ was een revolte die uiteraard Hobsbawms sympathie wegdroeg. Maar zij loste zijn politieke verwachtingen niet in: zij bleef beperkt, zo moest hij vaststellen, tot een weinig systematisch streven naar een ‘tegencultuur’. Een echte revolutie, zoals zijn generatie die voorstond, boden de Parijse jongeren niet. In Revolution and Sex, een in 1969 geschreven opstel, dat nog in 1998 in de bundel Uncommon People werd herdrukt, besloot Hobsbawm op bestraffende toon: ‘Het is, helaas, gemakkelijker de bourgeois te choqueren dan hem omver te werpen.’ In de autobiografie klinkt het anders. ‘Mijn generatie,’ zo luidt het daar teleurgesteld, ‘bleef een vreemdeling in de jaren 1960.’ En verderop: ‘Ik maak geen deel uit van die geschiedenis.’ Een geschiedenis die zoveel veranderde en die Hobsbawm niet begreep …

Omgekeerd bleek datgene dat Hobsbawm wél begreep en waarmee hij zich decennialang had geïdentificeerd, snel ten einde te kunnen lopen. In 1991 viel de Sovjet-Unie. In Engeland zelf, waar Hobsbawm in het tijdschrift Marxism Today de revolutionaire vlam brandende trachtte te houden, heerste het Thatcherism; het zou worden gevolgd door een New Labour dat in Interesting Times als ‘Thatcher in trousers’ wordt afgedaan. In het geliefde Italië ging de eens zo machtige Communistische Partij van Palmiro Togliatti in de jaren 1990 ten onder en werd het prestigieuze uitgevershuis van de communist Giulio Einaudi uiteindelijk een onderdeel van het media-imperium van Silvio Berlusconi. En in Parijs, waar Hobsbawm in de jaren 1930 nog met het Volksfront had gedemonstreerd, met antifascisten uit Centraal-Europa in het Restaurant des Balkans had gedineerd en de films van Jean Renoir had bewonderd — in Parijs was in de jaren 1990 ook alles veranderd.

Hij bleef ‘de droom van de Oktoberrevolutie’ koesteren

Vele Franse intellectuelen hadden zich inderdaad van het verleden afgekeerd. In 1995 publiceerde de historicus François Furet, eminent specialist in de geschiedenis van de Franse Revolutie en lang militant communist, een volumineus Essai sur l’idée communiste au XXe siècle onder de veelzeggende titel Le passé d’une illusion. Hobsbawm diende zijn collega in Le Débat van antwoord en gaf in toenemende mate uiting aan zijn afkeer van de intellocrats, die hij verweet in hun Parijse getto beurtelings met het maoïsme en het postmodernisme te flirten. Maar hij was vooral ontgoocheld. Niet omdat zijn keuze een verkeerde zou zijn geweest: hij bleef ‘de droom van de Oktoberrevolutie’ koesteren, zij het in een context waarin het niet langer paste het historische en het morele gelijk met elkaar te identificeren. Wél omdat hij nu besefte dat zijn keuze slechts een keuze was geweest.

Met dat besef harmonieert de verrassende wending die de lezer van Interesting Times in de coda van het boek vindt. De man die zijn leven steeds als de belichaming van de twintigste-eeuwse geschiedenis heeft voorgesteld, tot op de titelbladzijde van deze autobiografie, presenteert er zichzelf als een all-time buitenstaander. Was hij tenslotte niet dadelijk weggetrokken uit zijn geboorteland Egypte? Was hij niet een Engelsman in Centraal-Europa geweest, een continentaal immigrant in Groot-Brittannië, overal een jood? Was hij als communist geen outcast geweest en had hij ook in de communistische wereld niet vaak een minderheidsstandpunt verdedigd? En was hij op professioneel vlak in een tijd van specialisatie geen generalist gebleven? De lezer wil het opnieuw graag geloven. Maar de verschuiving kan hem niet ontgaan: van een inleiding tot de twintigste-eeuwse geschiedenis is Interesting Times een verhaal in de marge geworden, een ‘tegenverhaal’.

In dezelfde lijn wordt ook de opdracht van de historicus in de coda van Interesting Times geherformuleerd. De ‘ware’ geschiedschrijving blijkt niet langer te berusten op een engagement, een pact tussen de historicus en de door hem op het voorplan gebrachte verdrukten uit de geschiedenis. Integendeel, Hobsbawm, die intussen behoort tot de academische jetset die aan het Comomeer congresseert, predikt er afstandelijkheid. Ook de historicus dient met andere woorden een buitenstaander te worden, ‘iemand die zich niet helemaal thuis voelt op de plaats waar hij zich bevindt’. Hij moet, zo schrijft Hobsbawm, het verleden beschouwen als een vreemde wereld, die hij benadert met de concepten die bij die wereld passen en die hem ervan weerhouden haar te ‘koloniseren’. En hij moet beseffen dat die wereld vol verborgen continenten zit.

Interesting Times is daarom veel meer dan een persoonlijk verhaal over de merkwaardige aantrekkingskracht die het communisme op een intellectueel als Hobsbawm kon blijven uitoefenen. De autobiografie van één van de meest scherpzinnige en zelfverzekerde historici uit de voorbije eeuw laat zich bovenal lezen als een verhaal over de onmogelijkheid zich de geschiedenis toe te eigenen. Hobsbawm belichaamt de geschiedenis niet, zijn levensbeschouwing kan hem niet met zekerheid duidelijk maken in welke richting zij evolueert, zijn engagement als historicus laat uiteindelijk niet toe haar te disciplineren. Hobsbawms geschiedenis is een verloren geschiedenis. Dat is een les die ook zijn critici ter harte kunnen nemen.

Eric Hobsbawm, Interesting Times. A Twentieth-Century Life (Londen: Penguin Books/ Allen Lane 2002).

Jo Tollebeek is als historicus verbonden aan de KU Leuven.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen