Deel dit artikel

op het einde van de negentiende eeuw was duitsland, net als de rest van europa, doordrongen van het fin-de-sièclegevoel. een optimistisch maakbaarheidsgeloof maakte plaats voor pessimisme. deze sfeer is al vaak beschreven en bestudeerd op het niveau van de natiestaat of de grote steden. angelika pöthe richt echter de schijnwerpers op een van de kleinere provinciesteden, weimar, en toont hoe de stad zich rond de eeuwwisseling toch wist te affirmeren als culturele metropool.

Fin-de-Weimar: een stad in de schaduw van haar verleden

Georgi Verbeeck

Duitsland tijdens het fin de siècle. De polsslag van de grote culturele bewegingen en vernieuwingen wordt meestal in de grote metropolen gevoeld, zo wordt het toch vaak voorgesteld. In Berlijn botste het naturalisme met de opkomst van het vroege expressionisme. In Wenen brak het modernisme door en München profileerde zich als lichtende kunststad. De fin-de-sièclecultuur van die drie grote Duitstalige steden leeft voort in de verbeelding van de hedendaagse reiziger, lezer en geïnteresseerde. Verwonderlijk is dat niet, want achteraf bekeken stonden de Duitse landen toen op een dramatisch kruispunt. Dit gold zowel voor de politieke en staatkundige ontwikkeling van Duitsland als voor de cultuur in haar geheel. Werd er gekozen voor een opening naar het Westen, of koos men voor de afzondering, met alle dramatische gevolgen van dien? De keuzes die werden gemaakt zouden nagalmen tot diep in de twintigste eeuw. Hier vond de worsteling plaats tussen een extatische koestering van een eigen Sonderweg en het pad naar de moderniteit, dat Duitsland meer in de buurt van zijn westerse buurlanden zou hebben gehouden. Wellicht, zo voelt men intuïtief aan, had Duitsland hier een keuze kunnen maken die de grote catastrofes van de twintigste eeuw had kunnen vermijden.

Het zogenaamde fin-de-sièclegevoel was – in Duitsland net zoals in de rest van Europa – krachtig en vaag tegelijk. Er was een eindtijdstemming en tegelijkertijd een sterke hoop op een nieuw begin, er was een besef van diepe crisis en spanningen rond een beleefde decadentie, een hang naar estheticisme en roes, een doodsverlangen en de wens zich te bevrijden van welke afhankelijkheid dan ook. Dit gevoel sloot ook goed aan bij de algemene staat waarin Duitsland zich rond de eeuwwisseling bevond. Rond 1900 stond het land weliswaar als nieuw opgekomen grootmacht op het hoogtepunt van zijn macht en uitstraling, maar de roes van de succesvol bedongen eenmaking van 1870 was voorbij. De economische crisis in het laatste kwart van de negentiende eeuw had ook een mentale ommekeer met zich meegebracht. Het moderniseringsproces was op zijn grenzen gestoten en het ongebreidelde geloof dat verandering per definitie vooruitgang met zich meebrengt was niet langer houdbaar. Een optimistisch maakbaarheidsideaal maakte plaats voor pessimisme. In Duitsland was een sterke onderstroming aanwezig die heimwee koesterde naar een tijd vóór de grote revolutionaire omwentelingen. Duitsland was rond de eeuwwisseling een uiterst moderne staat in economisch en industrieel opzicht, maar de oude machtselites met de daarbij behorende mentaliteiten bleven ongestoord bestaan.

Al die ontwikkelingen, en de manier waarop politiek en cultuur op elkaar hebben ingewerkt, werden al uitgebreid beschreven en bestudeerd op het niveau van de natiestaat of van de grote steden. De verleiding is immers groot om vooral grote steden, met hun open blik op de wereld, te bestuderen als de schouwplaatsen bij uitstek voor deze grote worstelingen. De provincie wordt vaak buiten beschouwing gelaten. Staat de provincie niet altijd in de schaduw van de grootstad, het schouwtoneel waar de echte richtingenstrijd steeds woedt? Toch is het interessant om ook de aandacht te richten op minder bekende oorden. Veel van deze kleinere steden of Länder hadden immers een rijke traditie van zelfstandigheid en een eigen geschiedenis. Pas met Otto von Bismarck (1815-1898) zouden ze opgaan in de Duitse eenheidsstaat.

Eén van de zichtbare herinneringen aan het ter ziele gegane Heilig Roomse Rijk van vóór de Franse Revolutie was Weimar, hoofdplaats en residentiestad van het kleine vorstendom Sachsen-Weimar-Eisenach, dat na het Congres van Wenen in 1815 tot groothertogdom was verheven. Ook in de negentiende eeuw vormde het vorstendommetje nog één van de stipjes op de geografische lappendeken die het Duitse rijk was. Ontstaan uit het dynastieke kluwen in de vroegmoderne periode kende de stad haar culturele glans en aanzien na de Franse Revolutie. Onder hertogin Anna Amalia (1739-1807) en haar zoon Carl August (1757-1828) had Weimar zijn ‘gouden tijdperk’ beleefd. Weimar was de stad geworden van Johann Wolfgang von Goethe, Johann Gottfried Herder, Friedrich von Schiller, Christoph Martin Wieland en vele anderen die het gezicht van de Weimarer Klassik hadden bepaald. Carl August gold als verlicht en tolerant. Hij was de eerste na de val van Napoleon om zijn staat een grondwet te geven. Op zijn territorium vond in 1817, precies driehonderd jaar na het uitbreken van de reformatie, het Wartburgerfest plaats, een bijeenkomst van patriottisch gezinde studenten.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw brak onder Carl Alexander (1818-1901) de zogenaamde ‘zilveren tijd’ door. Zijn moeder, de Russische tsarendochter Maria Pawlowna (1786-1859), en zijn echtgenote, de Nederlandse prinses Sophie (1824-1897), hadden een niet onbelangrijke invloed op zijn cultuurpolitiek engagement. Muziek en kunsten werden ondersteund, kunstscholen en musea werden opgericht. De industrialisering kwam op gang en in haar kielzog beleefde de arbeidersbeweging een opmars. Met Carl Alexanders dood in 1901 kwam Weimars ‘zilveren tijdperk’ ten einde. Eerder was hier ook de filosoof Friedrich Nietzsche gestorven. Vanaf de eeuwwisseling tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog bleef alleen nog een ‘bronzen tijdperk’ over, een tijd waarin men zich krampachtig aan de voorbeelden van vergane glorie kon afmeten, aan de tijd van Goethe en Schiller. Na de Eerste Wereldoorlog zou het kleine vorstendom ten onder gaan. De keizer werd afgedankt en overal in Duitsland werd de monarchie afgeschaft. De stad Weimar zou haar naam geven aan de republiek die na de capitulatie van november 1918 boven de doopvont werd gehouden.

De Duitse Kleinstaaterei heeft tot diep in de negentiende eeuw een overschot aan monarchieën opgeleverd die een bijzondere rol vervulden in het kunst- en cultuurbeleid

Zonder de politieke en sociaaleconomische achtergrond is de ontwikkeling van het culturele leven in de Duitse staten niet te begrijpen. De Duitse Kleinstaatereiheeft tot diep in de negentiende eeuw een overschot aan monarchieën opgeleverd die een bijzondere rol vervulden in het kunst- en cultuurbeleid. Vaak bleven vorsten om territoriale en dynastieke redenen aan hun achterhaalde machtsposities gehecht, maar aan hun weelderige paleizen en hoven vonden de vele cultuuruitingen sinds de verlichting een gastvrij onthaal. Het Duitse ‘geestesleven’, dat de ‘macht’ sowieso al niet erg in vraag stelde, vond er een veilige thuishaven. Er was niet alleen sprake van een weldoend mecenaat, maar van oprechte belangstelling voor het werk van kunstenaars, van wetenschappers en denkers. Ook nadat het Tweede Duitse Keizerrijk van Bismarck hen had gereduceerd tot postabsolutistische garnituur, veranderde hun rol weinig. Vooral in de kleine en middelgrote staten, zoals Saksen, de Thüringse staten, Beieren, Baden – het drittes Deutschland dat geperst zat tussen de grootmachten Pruisen en Oostenrijk – bleven de echo’s van een klassiek humaniteitsideaal lang doorgalmen. Dat bleef zo tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De stad Weimar mocht dan zelf wel het voorwerp zijn van een hevig opvlammend cultuurpatriottisme, vanuit de stad zelf kwamen geen wezenlijke impulsen voor een opgehitst Duits nationalisme, net zomin als van de andere kleine vorstendommen.

De ontwikkeling van de cultuur is ook niet te begrijpen zonder haar maatschappelijke dragers. De Midden-Duitse staten kwamen – vroeger nog dan Oostenrijk of het kernland van Pruisen – in de ban van de industrialisering en haar begeleidingsverschijnselen. Een kapitaalkrachtige burgerij zag het levenslicht, die haar betrekkelijke politieke onmacht compenseerde met een tomeloze omarming van de idealen van Bildung en Kultur. Haar rol is vaak beschimpt, zoals die van de zichzelf overlevende aristocratie, maar in het bewonderen en bevorderen van cultuur bleef ze niet achter op haar vorstelijke voorbeelden. Het Bildungsoffensief bleef overigens niet beperkt tot de eigen klasse. Naarmate de sociale kwestie op de voorgrond drong, zouden de meest verlichte en vooruitstrevende elementen hun aandacht richten op acties die de werkende klasse in steden en op het platteland ten goede kwamen. Zo kon het gebeuren dat culturele vernieuwingen hand in hand gingen met sociaal engagement.

Angelika Pöthe, als Privatdozent voor Duitse literatuurwetenschap verbonden aan de Friedrich-Schiller-Universität Jena, heeft aan het fin de siècle in Weimar een gedetailleerde en uiterst omvangrijke studie gewijd. Het is een cultuurhistorisch tableau geworden dat de vele facetten van het geletterde en artistieke leven in Weimar rond de eeuwwisseling in beeld brengt. Pöthe neemt het gangbare beeld van Weimar in die tijd als uitgangspunt en onderwerpt het aan een kritische en genuanceerde analyse. Gold de stad niet als een oord dat op zijn lauweren kon rusten na de verheven dagen van de Weimarer Klassik? Was de ‘gouden tijd’ niet meer dan een verre herinnering? Was Weimar rond 1900 niet ‘de stad van de herfst, van het vruchten plukken, … van het tweede leven der dingen, van een milde zonsondergang’? En sprak men niet van een Fin de Weimar, dat ‘alleen maar oogstte wat vorige generaties hadden gezaaid’? Sommigen meenden een cultuur te erkennen van ‘een versteend, maar ooit zeer waardevol bestaan’. In de ware zin van het woord was Weimar een geistige Stadt geworden.

Dat is precies wat dit portret van Weimar in dit tijdsgewricht zo interessant maakt. Rond 1900 staat de kleine stad immers in de schaduw van haar eigen grote verleden. En in relatie tot de grote steden in de omgeving, Berlijn in het bijzonder, brengt ze provincialisme en kosmopolitisme samen. Tegen de politieke en economische dominantie van het Pruisische Berlijn kan Weimar zich succesvol affirmeren als culturele metropool. Juist in aansluiting met de bloeitijd van Weimar in het begin van de negentiende eeuw wil men van de stad een kleine honderd jaar later opnieuw een centrum van Europese cultuur maken, waar alle kunst- en cultuuruitingen, van conventie tot avant-garde, gelijkwaardig worden ondersteund. Daarin school precies de paradox van het neues Weimar: het kon de enggeestigheid uitademen die zo typisch is voor epigonen, maar het kon ook een uitnodiging zijn om de traditie van openheid, vernieuwing en tolerantie voort te zetten. Natuurlijk kan de Goethetijd niet zonder meer met de voorlaatste eeuwwisseling worden vergeleken. Want intussen had het moderniseringsproces zich in gang gezet, met alle gevolgen van dien voor het levensgevoel, voor het denken, het handelen en de opvattingen. Industrialisering, sociale veranderingen en nieuwe opvattingen zetten zich onafwendbaar door. De reactie kon dan wel tegensputteren, maar de klok kon nooit meer worden teruggedraaid. Dit is wat de atmosfeer van een kleine stad oproept: verzonkenheid en gezapigheid, zullen sommigen spottend vaststellen, maar anderen ondervinden de sfeer als betoverend, behaaglijk en overzichtelijk. En ligt juist in deze rust en stilte niet de ideale voorwaarde tot geestelijke activiteit?

Weimar kon de enggeestigheid uitademen die zo typisch is voor epigonen, maar het kon ook een uitnodiging zijn om de traditie van openheid, vernieuwing en tolerantie voort te zetten

Weimar was niet alleen een kleine stad, het was ook een oord aan de periferie, zo moet menig sarcastisch waarnemer hebben gedacht. Maar het omgekeerde is ook waar. Want Weimar lag geografisch gezien – niet alleen tijdens het Heilig Roomse Rijk, maar ook tijdens het Tweede Keizerrijk (1871-1918) – in het midden van Duitsland. In het tijdperk van het nationalisme werd het de verzinnebeelding van alle geestelijke en culturele verlangens van een natie. Juist rond 1900 kende het beeld van het ‘culturele hart’ van het Duitse vaderland een sterke opleving. Daarom is het verlangen naar Weimar niet alleen maar een reactionaire droom geweest. Want in het mentale en geografische middelpunt van het ‘Duitse geestesleven’ kan men evengoed een aanleiding vinden om vernieuwingen en hervormingen op gang te brengen.

In het culturele leven speelden vrouwen een belangrijke rol, een rol die vaak onderbelicht blijft

In het culturele leven speelden vrouwen een belangrijke rol, een rol die vaak onderbelicht blijft. Kan er van Bildung en cultuur worden gesproken, moet Pöthe hebben gedacht, als minstens de helft van de doelgroep buiten beeld blijft? Hier grijpen kunst en cultuur, gender en sociale geschiedenis op elkaar in. Het wekt dan ook niet zo veel verwondering dat Pöthe in haar studie meer dan gemiddelde aandacht schenkt aan de vrouwenbeweging in Weimar. Sinds de jaren 1880 bestond er een sterke vrouwenbeweging en de meest radicale vrouwenorganisaties zagen er het levenslicht. Hier werden radicale pamfletten gepubliceerd en hier opende het eerste gymnasium voor meisjes zijn deuren. Welbespraakte gangmakers van de vrouwenzaak waren onder meer Natalie von Milde en Hedwig Kettler. Maar zoals overal toonde ook hier de vrouwenbeweging haar januskop. De culturele en sociale verheffing van vrouwen werd geëist, maar – en dit was volledig in de lijn van het klassieke humaniteitsideaal – het kwam aan de staat toe om te zorgen voor een voltooide zelfontplooiing van iedere mens, vrouwen inbegrepen. In Duitsland, veel sterker dan in andere landen, betekende dit dat de dienende functie voor de gemeenschap voorop werd gesteld, en dat persoonlijke emancipatie en ontwikkeling pas op de tweede plaats kwamen. Op het kruispunt van traditie en moderniteit laveerden ook vooruitstrevende vrouwen tussen zorg en naastenliefde enerzijds en het streven naar autonomie anderzijds.

Wat volgt in Pöthes boek is een prachtig cultureel Epochenporträt van Weimar rond 1900 – preciezer in de periode tussen 1885 en 1918. Pöthe schildert een breed palet waarbij talloze schrijvers, dichters, musici en diverse andere kunstenaars de revue passeren. Telkens worstelt de overgeleverde klassieke stroming met het opkomende modernisme, in een wirwar van activiteiten en talenten. Zo komen aan bod: de schrijvers Wilhelm von Scholz en Samuel Lublinski die zich in de traditie van de neue Klassik inschrijven, vertegenwoordigers van de naturalistische Heimatkunst-beweging als Adolf Bartels en Friedrich Lienhard, heimatdichters als Paul Quensel, religieus geïnspireerde schrijvers als Franz Herwig en de völkische mystica Friederike Henriette Kraze. Kort na de eeuwwisseling vestigde Henry van de Velde zich in Weimar en werd Harry Graf Kessler er museumdirecteur. Vooral hij wilde de ambities van het ‘nieuwe Weimar‘ verzinnebeelden. Ook dans en theater komen aan bod, en een uitgebreid verenigingsleven. Culturele reuzen worden eveneens besproken. Franz Liszt was eerder langsgekomen, maar had er zich nooit thuis gevoeld. Veel later kwam Rudolf Steiner op bezoek. Nietzsche, geestelijk en lichamelijk gebroken, stierf er. Steeds laat Pöthe een indrukwekkend aantal tijdgenoten en latere waarnemers de revue passeren, die proberen met een paar scherpe pentrekken de geest van Weimar in dit tijdsgewricht te schetsen.

Om de polsslag van een cultureel leven te meten gaat het er niet alleen om individuen in beeld te brengen, maar ook netwerken en verenigingen. Archieven en organisaties worden speerpunten van cultuur. In 1885 ziet het Goethe-archief het levenslicht, later aangevuld met de nalatenschap van Schiller. In 1903 komt het door Henry van de Velde ingerichte Nietzsche-archief tot stand. Beide komen in het brandpunt van cultuurpolitieke debatten te staan. Geselligkeit en Bildung zijn twee kernbegrippen waarmee Pöthe haar tour d’horizon maakt. Cultuur en vorming worden beleefd en doorgegeven in een netwerk van gezelschappen, soms in een kleine kring van intellectuelen, heel vaak ook in de vorm van feesten en rituelen. Het doel blijft de verheffing van het individu in al zijn geestelijke krachten en aspiraties om een volmaakt humaniteitsideaal te bereiken. Tot op het einde blijven de culturele ontwikkelingen eng verbonden met de lotgevallen van de monarchie. Daarom is er in dit boek ook zo veel aandacht voor de ontwikkelingen binnen de dynastie. Die had zich als een waar Musenhof getoond: de vorsten bleven milde ondersteuners, en aan hun hof was van een uitgebreide Geselligkeitskultur sprake. Met Wilhelm Ernst (1876-1923), de laatste groothertog en ‘mecenas tegen wil en dank’ in moeilijke tijden, beleeft het vorstendom uiteindelijk zijn zwanenzang.

De ondergang van het vorstendom in de Eerste Wereldoorlog wordt veel te kort beschreven. Maar de lijnen zijn duidelijk gezet. Pöthe is vaak extatisch in haar beschrijving van de culturele erfenis van Weimar. Zij ziet een rijke nalatenschap van cultuur, Weltbürgertum en humanisme, in het Duitsland van de twintigste eeuw dat soms verwaarloosd en verketterd werd en later opnieuw ontdekt. Dat de geest van Weimar zo sterk in de herinnering is blijven voortleven, is eerder toevallig. Duitse parlementsleden verkozen in de zomer van 1919 het woelige Berlijn te verlaten en zochten de rust op van een kleine provinciestad om zich over de grondslagen van de nieuwe republiek te beraden. Dat had ook elders kunnen gebeuren. De Weimarrepubliek was geboren, het eerste echte democratische experiment op Duitse bodem. Dit is uiteindelijk mislukt en roemloos ten onder gegaan in de ‘bruine revolutie‘ van Adolf Hitler.

Angelika Pöthe, Fin de Siècle in Weimar. Moderne und Antimoderne 1885-1918, (Schriftenreihe des Freundeskreis Goethe-Nationalmuseum e.V., Band 4). (Köln-Weimar-Wien: Böhlau Verlag, 2011).

Georgi Verbeeck is als historicus verbonden aan de KU Leuven.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen