Deel dit artikel

In 2011 werd de vierhonderdste verjaardag herdacht van het verschijnen van de King James Version. Deze Engelse Bijbelvertaling heeft niet alleen een groot historisch belang, maar wordt nog steeds door miljoenen Engelstaligen in de wereld met veel plezier en/of devotie gelezen. De Britse hoogleraar Renaissancestudies Gordon Campbell heeft aan de King James Version een bijzonder bevattelijk boek gewijd dat aandacht besteedt zowel aan de geschiedenis van de vertaling als aan de nog steeds uitdijende receptie.

Vierhonderd jaar King James Version

Het naleven van een Bijbelvertaling

wim françois

In 1604 riep King James I van Engeland in Hampton Court een conferentie samen, waarop de bisschoppen van de Engelse Kerk en de puriteinen – zeg maar de strikte protestanten – waren uitgenodigd om hun godsdienstige geschillen uit te praten. Veel leverde de conferentie niet op, maar op de tweede dag deed de leider van de puriteinse delegatie wel het voorstel om een nieuwe Bijbelvertaling te bestellen, die een alternatief moest bieden voor de bestaande versies. Die waren in zijn ogen corrupt en niet getrouw aan het origineel. Het idee werd opgepikt door de koning: door een Bijbelvertaling aan zijn naam te verbinden kon hij zijn positie als hoofd van de Kerk van Engeland verder legitimeren. Hij zag er meteen ook een alternatief in voor de Geneva Bible uit de jaren 1557-60, die de bevoorrechte Bijbelvertaling van de puriteinen was, maar in de marge een aantal nota’s bevatte die niet altijd even vriendelijk waren voor de monarchie en voor de bisschoppen – en dat waren precies de steunpilaren van de Kerk van Engeland. De nieuwe Bijbelvertaling zou onvermijdelijk ook de opvolger worden van de Bishops’ Bible van 1568, de officiële Bijbel die in de kerken stond uitgestald en waaruit ook werd voorgelezen tijdens de religieuze diensten van de Church of England. De bisschoppen, die niet meteen enthousiast waren over het idee van een nieuwe Bijbelvertaling, zorgden er wel voor dat ze via bisschop Bancroft, de leider van hun delegatie, de regels konden vastleggen waaraan de nieuwe vertaling moest beantwoorden.Door een Bijbelvertaling aan zijn naam te verbinden kon King James 1 zijn positie als hoofd van de Kerk van Engeland verder legitimerenBinnen de vijf maanden na de conferentie in Hampton Court had bisschop Bancroft zes vertaalteams of ‘companies’ samengesteld. Drie ervan zouden werken op het Oude Testament, twee op het Nieuwe Testament en één op de apocriefe boeken. (Dit zijn boeken van het Oude Testament die niet oorspronkelijk in het Hebreeuws zijn geschreven maar in het Grieks, en die in de katholieke traditie als canoniek worden erkend – door God geïnspireerd en geschikt voor de opbouw van de doctrine – maar in de protestantse traditie niet). Van deze comités waren er twee in Westminster, twee in Oxford en twee in Cambridge gestationeerd. De teams waren bevolkt door een vijftigtal geleerden met een uitzonderlijke kennis van het Hebreeuws (inclusief het Aramees, Syrisch en andere oosterse talen), het Grieks en het Latijn. De talenkennis en eruditie die verenigd waren in nagenoeg elk van deze mensen was ronduit verbazingwekkend en wordt in onze tijd zelden nog geëvenaard, een punt waarop Gordon Campbell in zijn Bible. The Story of the King James Version, 1611-2011 graag de nadruk legt.

De vertalers beschouwden niet zomaar één specifieke versie van de Schrift als het geïnspireerde Woord van God, maar meenden dat verschillende versies uit de overlevering konden helpen om dichter bij dat originele Woord te komen. Voor het Oude Testament was dat vooral de Hebreeuwse tekst, die tussen de zesde en de tiende eeuw van onze tijdrekening door joodse geleerden, de Masoreten, op punt was gezet. Daarnaast was er ook de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, die al in de derde eeuw voor onze tijdrekening in Alexandrië was vervaardigd en in sommige gevallen een oudere traditie vertegenwoordigt dan de Masoretentekst. Tot slot namen de vertaalcomités nog een aantal andere teksten in overweging, zoals de Targums (Aramese parafrasen bij het Oude Testament), de Samaritaanse tekst van de Pentateuch, naast vroege Latijnse teksten (onder meer de Vulgaat en citaten van de kerkvaders). Voor het Nieuwe Testament was uiteraard de Griekse tekst de belangrijkste. Daarvoor maakten de leden van de ‘companies’ gebruik van de Textus Receptus, de Griekse tekst van het Nieuwe Testament die in de zestiende eeuw was vastgelegd op basis van Erasmus’ werk. Een tweede tekst die ze in beschouwing namen, was de Syrische versie (Peshitta) van het Nieuwe Testament, naast uiteraard de Latijnse vertalingen.

De vertalers meenden dat verschillende versies uit de overlevering konden helpen om dichter bij het originele Woord van God te komen

Nadat de afzonderlijke ‘companies’ hun vertaalwerk hadden ingediend, kwam er in 1610 in Londen gedurende negen maanden dagelijks een ‘revision committee’ samen, waarin één of twee vertegenwoordigers van elke ‘company’ zitting hadden. Dit ‘revision committee’ maakte niet alleen gebruik van Bijbelversies in de grondtekst maar ook van Franse, Italiaanse en Spaanse protestantse vertalingen (en zelfs van de Engelse katholieke Douai-Rheims versie). Vervolgens werd het werk nog een laatste keer nagezien door een bisschop, Thomas Bilson, en een geleerde, Miles Smith, ‘the committee of two’. Smith schreef ook het voorwoord in naam van de vertalers. Het eindresultaat werd daarna naar bisschop Bancroft gestuurd, die nog veertien veranderingen aanbracht. Campbell merkt op dat het niet bekend is welke die veranderingen waren, maar spreekt het vermoeden uit dat ze erop gericht waren het gewicht van het episcopaat te versterken.

Volgens de zesde regel van Bancroft mochten er geen aantekeningen in de marge van de vertaling worden opgenomen. Dat was een reactie tegen de puriteinen, wiens Geneva Bible wel interpreterende aantekeningen bevatte die vaak denigrerend waren voor het ambt van monarchen en bisschoppen. In de marge van de King James Version (KJV) zijn er wel kruisverwijzingen naar andere Bijbelpassages opgenomen, alsook letterlijke vertalingen uit de grondtekst (wanneer de Engelse vertaling ietwat interpreterend was), of alternatieve vertalingen in het Engels (in het geval het Hebreeuws ambigu was). Bovendien zien we dat de samenvattingen boven de hoofdstukken en de koptitels bovenaan de pagina’s soms wel een duiding inhielden. Zo vinden we in de koptekst boven het ‘Hooglied’ onder meer gedrukt ‘Christ and his Church’, waardoor dit Bijbelboek meteen op een traditionele wijze werd geïnterpreteerd als een verwijzing naar de liefde van Christus voor zijn Kerk, en niet als een erotisch werk uit de Bijbelse oudheid. Ook vertalingen op zich geven soms blijk van een bepaalde theologische of confessionele keuze, die in sommige gevallen door de regels van Bancroft zelf was voorgeschreven. Zo werd in Matheus 16,18 (en elders) het Griekse woord ‘ekklèsia’ niet vertaald met het ‘basiskerkelijke’ ‘congregation’, zoals in de meer protestantiserende vertalingen, maar met het meer hiërarchisch klinkende ‘church’. En in de plaats van ‘elder’ of ‘senior’ werd resoluut voor ‘bishop’ gekozen. Op die wijze werd de positie van de Church of Engeland, als een via media tussen katholicisme en protestantisme, ook in de tekst tot uitdrukking gebracht. Voor het overige was de taal van de KJV eigenlijk al formeel-archaïsch op het ogenblik dat de editie verscheen. Bekend zijn het gebruik van ‘thou’ voor de tweede persoon enkelvoud en ‘ye’ voor de tweede persoon meervoud (in de nominatief), alsook het gebruik van ‘doth’ en ‘goeth’ in de plaats van ‘does’ en ‘goes’, om maar enkele voorbeelden te noemen. Dergelijke plechtstatige taal werd als bijzonder geschikt bevonden om de waardigheid van de tekst in uit te drukken. Toch bleef de tekst begrijpbaar voor iedereen en erg geschikt om voor te lezen dankzij de keuze voor korte woorden en het ritme dat soms poëtisch aandoet.

Toen de eerste editie in 1611 van de persen kwam bij de koninklijke drukker Robert Barker, was die ook voorzien van maar liefst 74 pagina’s voorwerk, waarvan bijna de helft bestond uit genealogieën die de Bijbelse figuren met elkaar in verband brachten, van Adam en Eva tot Christus. De eerste tien bladzijden van deze genealogieën waren trouwens versierd met mooie prenten en er zat ook een prachtige landkaart van Kanaän vooraan in het boek. Interessant waren ook de twee gedecoreerde titelpagina’s: één voor het hele volume (gemaakt door de Vlaming Cornelis Boel) en één voor het Nieuwe Testament.

Nog in de zeventiende eeuw werden verschillende edities van de KJV op de markt gebracht. Sommige ervan zijn beroemd, zelfs berucht geworden. Zo bracht Robert Barker in 1631 een editie op de markt waarin Exodus 20,14 las: ‘Thou shalt commit adultery’ en in Deuteronomium 5, 24: ‘the Lord our God hath shewed us his glory and his great asse’ (in de plaats van ‘greatnesse’). Campbell wijst er ons wel fijntjes op dat ‘ass’ in de zeventiende eeuw de betekenis had van ‘ezel’ en nog niet van ‘achterwerk’, zoals in de populaire cultuur vandaag het geval is. Er valt veel voor te zeggen dat Barker het slachtoffer was van sabotage door een handlanger van een vroegere vennoot met wie hij in een jarenlang geschil was verwikkeld. Barker kreeg niettemin een erg zware boete, die hij gezien zijn precaire financiële toestand niet meer te boven kwam. De beruchte editie van 1631 stond en staat nog altijd bekend als de ‘Wicked Bible’. De anekdotiek mag ons niet doen vergeten dat in de zeventiende en achttiende eeuw honderdduizenden exemplaren van de KJV op de markt werden gebracht. Dit gebeurde niet alleen door de Koninklijke drukker, maar ook door de universitaire pers van Cambridge en later die van Oxford, die beide een uitzondering op het monopolie wisten te bekomen. In Cambridge werd in 1638 een gecorrigeerde uitgave tot stand gebracht, met medewerking van geleerden die nog aan de eerste editie hadden meegewerkt, en die de standaardtekst zou blijven tot het einde van de achttiende eeuw.

De uitgaven uit Oxford werden al gauw bekend door de opname van een Bijbelse chronologie die vanaf 1701 werd verfijnd door James Ussher. Volgens deze chronologie had de schepping van de wereld plaatsgehad in 4004 voor onze tijdrekening (meer bepaald op de avond voor zondag 23 oktober van dat jaar), de zondvloed in 2849, en de geboorte van Christus in 4 voor onze tijdrekening. Vanzelfsprekend kwamen dergelijke chronologieën in de negentiende eeuw zwaar onder vuur te liggen van de zich emanciperende natuurwetenschappen, de evolutieleer van Charles Darwin voorop. Campbell wijst er niettemin op dat de chronologie van Ussher het resultaat was van een diepgaande studie en combinatie van de toen beschikbare kennis. Nog in Oxford kwam in 1769 een editie van de KJV op de markt die de belangrijkste kan worden genoemd sinds de eerste uitgave. De specialist Hebreeuws Benjamin Blayney ondernam een grondige herziening van de tekst: hij bracht in totaal zo’n 16 000 veranderingen aan in de spelling, punctuatie, samenvattingen boven de hoofdstukken en kruisverwijzingen. Zo verving hij in de tweede persoon meervoud ‘ye’ systematisch door ‘you’, aangezien dat onderscheid al in 1611 verouderd was. Blayneys versie zou de standaardtekst van de KJV worden voor de komende generaties, en is dat tot op vandaag gebleven.

In de negentiende eeuw evolueerde de KJV in allerlei richtingen. Het was de tijd van de Bible Societies, die honderdduizenden KJV’s op de markt brachten, aanvankelijk met de apocriefe boeken maar later ook zonder, aangezien vele rechtgelovige protestanten hier aanstoot aan namen. Er werd een Standard American Text van de KJV gepubliceerd. Ook overwonnen vele Engelse protestanten hun terughoudendheid ten aanzien van afbeeldingen en werden er prachtig geïllustreerde bijbels op de markt gebracht. In de negentiende eeuw groeide ook de overtuiging dat KJV één van de meesterstukken van Engels proza is, wat door sommigen helemaal los gezien werd van de religieuze inhoud. In dat verband ontwikkelde zich de mythe dat de vertalers hun voorlopige versies hadden doorgespeeld aan William Shakespeare, die het geheel tot een literaire grootheid zou hebben gebracht. Een belangrijke aanwijzing voor de juistheid van dit verhaal werd gezien in Psalm 46: het 46e woord vanaf het begin af is ‘shake’, en het 46e woord vanaf het einde is ‘spear’. Shakespeare had in 1610, het jaar van de eindredactie, ook precies de leeftijd van 46 jaar bereikt.

Meer in de lijn van de traditie werd in Cambridge een herziening van de KJV doorgevoerd door F.H.A. Scrivener. Hij wilde de perfecte tekst leveren, de tekst zoals de vertalers die zouden bereikt hebben indien ze helemaal trouw waren geweest aan hun eigen principes. Omdat de tekst geordend werd in paragrafen, werd deze in 1873 gepubliceerde Bijbel bekend als de Cambridge Paragraph Bible. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw werd een grondig herziene versie van deze bijbeleditie bezorgd door David Norton.

Aan het einde van de negentiende eeuw wist de tekstkritiek van de Bijbel echter grote stappen voorwaarts te zetten. Er waren immers manuscripten (her)ontdekt uit het begin van de vierde eeuw, zoals de Codex Sinaiticus en de Codex Vaticanus, die beschouwd werden als een veel getrouwere weergave van de oorspronkelijke tekst van het Griekse Nieuwe Testament en die daarom aan de basis lagen van nieuwe wetenschappelijke edities van het Nieuwe Testament. Die edities vormden ook het uitgangspunt van een grondige herziening van de KJV, de zogenoemde Revised Version, die nog aan het einde van de negentiende eeuw werd gepubliceerd. Een Amerikaanse versie, de American Standard Version verscheen aan het begin van de twintigste eeuw. Nieuwe herzieningen leidden tot respectievelijk de Revised Standard Version (1946-52-57) en de New American Standard Bible (1963-71), waarbij ook de tekst van het Oude Testament enkele veranderingen onderging, onder meer toe te schrijven aan de vondsten van de Dode Zeerollen na de Tweede Wereldoorlog. Al die versies lagen op hun beurt aan de basis van nog verdere herzieningen, die alle in zekere zin beschouwd kunnen worden als loten aan de stam van de KJV. Daarnaast werden na de Tweede Wereldoorlog vertalingen op de markt gebracht die een compleet nieuwe vertaling boden, wat vanzelfsprekend weer reacties opriep, onder meer van de ‘King James Only Movement’.

De King James Version wordt algemeen beschouwd als een onvervreemdbaar stuk Engels cultureel erfgoed

Uit het voorafgaande mag duidelijk geworden zijn dat de King James Version al vierhonderd jaar lang een centrale plaats inneemt in de religieuze cultuur van de Engelstalige wereld. Daarom wordt de KJV vrij algemeen beschouwd als een onvervreemdbaar stuk Engels cultureel erfgoed. Sommigen zullen vandaag eerder inzoomen op de KJV als op een hoogtepunt van Engels proza, en een uitdrukking van de kracht en schoonheid van de Engelse taal. Anderen blijven het belangrijk vinden om de grote momenten van leven en dood, zowel in de privésfeer als op het niveau van de natie, te begeleiden met de beproefde tekst van de KJV. Maar waar Groot-Brittannië na de Tweede Wereldoorlog in belangrijke mate een geseculariseerd land is geworden, blijft deze Bijbel centraal staan in de zelfperceptie van talloze Amerikanen die de overtuiging koesteren te behoren tot een Godvrezende, Engelssprekende natie, waar de openbare moraliteit christelijke dimensies heeft (of hoort te hebben). Op deze Bijbelse cultuur in de Verenigde Staten gaat Campbell uitvoerig in. Zo is de Schrift voor velen het ijkpunt waaraan een Amerikaanse presidentskandidaat wordt getoetst, en legt de verkozen president ook de eed af op de Bijbel (meestal een exemplaar van de KJV). Het blijvende belang van de KJV verklaart waarom wereldwijd zo veel aandacht aan de vierhonderdste verjaardag werd besteed, en waarom zoveel publicaties aan haar geschiedenis werden gewijd. Onder deze laatste is het werk van Gordon Campbell zeker een aanrader.

Gordon Campbell, Bible. The Story of the King James Version, 1611-2011. (Oxford: Oxford University Press, 2010).

Wim François is als kerkhistoricus verbonden aan de KU Leuven.

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen