Deel dit artikel

winkelen is vrijetijdsbesteding geworden, kunst vindt men tegenwoordig ook op een vliegveld, de boerderij wordt recreatiedomein, het museum een avonturenpark en de historische binnenstad een cultuurevenement. de traditionele ruimtelijke ordening verliest daarmee haar geldigheid en moet nodig worden aangepast aan de nieuwe betekenissen die het landschap krijgt. de behoefte aan een ‘eclectische’ atlas dringt zich op.

Het landschap als pretpark

Dieter de Clercq

‘Schiphol eerste luchthaven met eigen museum’ en ‘Guggenheim New York haalt de buikriem aan’; het zijn twee krantenkoppen die in De Standaard van 10 december 2002 ― al of niet toevallig ― net onder elkaar staan afgedrukt. In Schiphol kunnen de reizigers voortaan niet alleen belastingsvrij winkelen of iets drinken in een tropische strandhut, maar ook enkele bekende Hollandse meesterwerken uit het Rijksmuseum bekijken alvorens in het vliegtuig te stappen. Ook de miljoenen reizigers die Schiphol enkel gebruiken als ‘overstapstation’ kunnen er vluchtig kennis maken met de Nederlandse cultuur. De toegang tot het museum is gratis en de exploitatie ervan zou grotendeels gedekt worden door de opbrengst van de souvenirs in de museumshop. In het tweede artikel is te lezen dat het vermaarde Guggenheimmuseum in New York ingrijpend moet besparen en voor een tijdje afscheid zal nemen van de megatentoonstellingen die het in het laatste decennium organiseerde. Het museum ― dat zich al in een precaire financiële toestand bevond ― kampt met een massale terugval van het aantal bezoekers sinds de aanslagen van 11 september, wat aantoont dat blockbusters meer dan ooit afhankelijk zijn van de entreegelden van toeristen.

Ook notoire musea ontsnappen niet aan de ‘verpretparking’ van de cultuur

Beide krantenartikels zouden probleemloos kunnen figureren in het recente journalistieke boek van Tracy Metz, Pret! Leisure en landschap (2002). Daarin beschrijft de van oorsprong Amerikaanse journaliste hoe cultuur en vermaak steeds sterker naar elkaar toe groeien. Onder druk van de vrijetijdsindustrie worden de gevestigde cultuursectoren immers in toenemende mate ingelijfd binnen de actuele belevenismaatschappij. Om de aandacht (en dus het geld) van hun bezoekers te vangen, ondervinden musea meer en meer concurrentie van de kartbaan, de skihelling, de megabioscoop, het themapark en de shopping mall. Ook notoire musea als het Rijksmuseum en het Guggenheim ― zo blijkt ― ontsnappen niet aan de ‘verpretparking’ van de cultuur, of aan de versmelting tussen kermis en cultuur. Het Rijksmuseum wacht haar publiek niet langer af, maar gaat het als het ware achterna. Het voorbeeld van het Guggenheim toont dan weer de keerzijde van een door commercie doordrongen expansiedrang, die leidde tot filialen en megatentoonstellingen over de hele wereld. De genoemde artikels zijn meer dan illustraties of voetnoten bij het boek van Tracy Metz. In de anekdotische confrontatie ervan, springen de uiteenlopende gevolgen in het oog van een door de vrijetijdsindustrie beheerste cultuursector. Deze voorbeelden ― naast andere uit het boek van Metz ― reiken dan ook belangrijke kwesties en vragen aan, die het actuele debat over stad en stedelijkheid, over private en openbare ruimte, over vrije tijd en consumptie beheersen.

Dit artikel wil echter geen eindeloze opsomming zijn van treffende voorbeelden die de titel ― het landschap als pretpark ― moeten onderstrepen of kracht bijzetten. Deze tekst biedt eerder een status questionis van het debat rond stedelijke openbaarheid, in relatie tot nieuwe patronen van consumptie en vermaak. Het onderscheid dat in dit debat wordt gemaakt tussen de ‘ware’ of ‘hoge’ cultuur en de gecommercialiseerde cultuur in teken van vermaak en consumptie, is wellicht complexer dan doorgaans wordt verondersteld. De vraag rijst immers of men cultuur en cultuurbeleving nog wel kan losdenken van andere aspecten van het dagelijkse leven (zakenreis, ontspanning, een dagje uit) binnen een hertekend ‘cultuurlandschap’. Een cultuur-geografische benadering, waarin met een boek als Atlas van de verandering. Nederland herschikt (2000) een begin wordt gemaakt, kan dan ook een uitweg bieden uit de impasse waarin het debat verzeild dreigt te raken.

De laatste jaren tekent zich een ongekende toename af in de bewuste consumptie van culturele ervaringen, plaatsen en ‘gebeurtenissen’. Het succes van tentoonstellingen, manifestaties en concerten wordt afgemeten aan de mate waarin ze tot events uitgroeien, tot massale gebeurtenissen met nationale of internationale betekenis. ‘Begin met een blockbuster’, dat is de gouden raad die Hugo De Greef, intendant van Brugge 2002, meegeeft aan alle toekomstige culturele hoofdsteden van Europa. Groot opgezette tentoonstellingen als die rond Van Eyck werken als een magneet en wijzen erop hoezeer de ‘consumptie’ van plaatsen onlosmakelijk verbonden is met de ontsluiting van het culturele erfgoed. Het gericht produceren en verkopen van culturele gebeurtenissen functioneert natuurlijk slechts bij gratie van sociale en culturele mobiliteitsdrang. Mensen blijken immers buitengewoon mobiel om deelgenoot te kunnen zijn van de collectieve congestie. Het individuele belang dat mensen hechten aan een bezoek van culturele manifestaties (het gevoel van deel uit te maken van een culturele elite), staat echter haaks op hun ogenschijnlijke ‘angst’ voor andere, negatieve vormen van stedelijke congestie. Wie een stad bezoekt, winkelt of uitgaat, wenst immers hoe langer hoe minder geconfronteerd te worden met allerlei negatieve aspecten van de modernisering zoals criminaliteit, armoede, en drugsverslaving. We zien dan ook een tendens tot afstand scheppen met betrekking tot stedelijke problemen en de maatschappelijke groepen die daarmee doorgaans verbonden worden. Op het niveau van de ruimtelijke ordening vertaalt zich dit in talloze monoculturele ‘enclaves’ (woonenclaves, kantorenparken, recreatiedomeinen) die verbonden zijn via een netwerk van snelwegen en spoorlijnen. Deze verbindingen maken het mogelijk om zich probleemloos van de ene ‘gethematiseerde’ omgeving naar de andere te begeven.

Ook de aanleg en (her)inrichting van de stedelijke ruimte wordt vandaag de dag beheerst door de principes van het themapark. Naarmate mensen zich meer terugtrekken in verkavelingen en buitenwijken, wordt de stad steeds meer aanzien als een vrijetijdsdomein om in te winkelen en te kuieren, om te dineren en uit te gaan. De historische binnenstad is sinds de tweede helft van de jaren 1980 dan ook herontdekt als centrum van vrije tijd, consumptie en cultuur. Omdat dit vaak gepaard gaat met een proces van esthetisering of musealisering van de openbare ruimte (de retroromantische heraanleg van straten en pleinen), dreigt echter de authenticiteit verloren te gaan die een stad juist van een themapark onderscheidt. Dat is althans de these van Michael Sorkin, die verschillende aspecten van het themapark onderkent in de door bewaking, controle en simulatie gekenmerkte zones van vermaak en consumptie in de stad. Sorkin betreurt de homogenisering, de privatisering en de ‘esthetisering’ (disneyficatie) van de stedelijke openbare ruimte en de teloorgang van haar functie als ontmoetingsplaats en als plaats van vrijheid en democratie. De toenemende bewaking en privatisering van het publieke domein gaat volgens hem immers gepaard met de uitsluiting en marginalisering van bepaalde sociale groepen.

Voor een actuele analyse van de openbare ruimte geldt Sorkins essaybundel Variations on a Theme Park (1992) nog steeds als een van de voornaamste referentiewerken. De herontdekking en revitalisering van de openbare ruimte als verblijfsruimte ondermijnt ― paradoxaal genoeg ― de traditionele openbaarheid van straten en pleinen. Niet alleen ontstaat er een markante scheiding tussen het illusoire decor en de alledaagse leefomgeving, onder het mom van ‘veiligheid’ worden ook steeds meer openbare plaatsen bewaakt en geprivatiseerd. Er worden wrijvingsloze ruimtes geënsceneerd waarbinnen men zich volledig kan richten op vertier en consumptie. Omgekeerd gaan winkelcentra steeds meer kenmerken overnemen van de traditionele stad: straten, pleinen, bomen en fonteinen. In Amerika gaat men zelfs zover dat men met behulp van etalagepoppen een veilige nabootsing tracht te geven van de dronkaards, prostituees en de daklozen buiten op straat.

‘Het winkelen heeft haast elk aspect van het stedelijk leven geïnfiltreerd, gekoloniseerd, en zelfs vervangen’

In het boek Harvard Design School Guide to Shopping (2002) beweert Rem Koolhaas dat winkelen wellicht de laatst overgebleven vorm van openbare activiteit is en de voornaamste manier waarop de stad ervaren wordt. ‘Het winkelen heeft haast elk aspect van het stedelijk leven geïnfiltreerd, gekoloniseerd, en zelfs vervangen. Stadscentra, buitenwijken, straten, en nu ook vliegvelden, treinstations, musea, ziekenhuizen, scholen en het internet worden gevormd door de mechanismen en de ruimtes van het winkelen.’ Hoewel Koolhaas’ uitspraken een zeker polemisch karakter hebben, zit er ongetwijfeld een kern van waarheid in. Winkelgebieden zijn vaak de belangrijkste plekken waar allerlei vormen van activiteiten samenkomen en waar we de levendigheid en diversiteit aantreffen die met traditionele stedelijkheid worden geassocieerd.

Handelszaken die behoren tot nationale of internationale ketens worden gegroepeerd in centraal gelegen, verkeersvrije winkelstraten of ondergebracht in een winkelcentrum. De geatomiseerde massa verdicht er elke zaterdag opnieuw en geniet er van de koopwaren, de mogelijkheden tot vermaak en ook van zichzelf, van haar eigen getalmacht. Ondanks dit collectieve ‘consumptieritueel’ jaagt iedere consument zijn eigen, private wensen na en trekt hij ter bevrediging daarvan van winkelstraat naar winkelstraat, van supermarkt naar shopping mall. Het recreatief winkelen in de grote winkelcentra en shopping malls aan de rand van de stad koppelt een goede bereikbaarheid met de wagen aan een ruim assortiment, voordelige prijzen en vermaak. Het concept funshopping wordt ingevuld met allerhande nevenattracties die een bezoek aan het winkelcentrum aantrekkelijk moeten maken. Naast deze nieuwe winkelgebouwen gaan ook bioscoopcomplexen, tuincentra, meubelpaleizen en sportcomplexen de verkeersstromen achterna en vestigen zich in grote dozen aan de rand van de stad of langs belangrijke verbindingswegen. Het zijn gesloten containers die het stedelijk leven naar binnen zuigen en steeds meer voorzieningen naar zich toetrekken: wasserette, pompstation, café-restaurant, crèche, enzovoort.

De discussie over het al dan niet openbare statuut van winkelcentra en shopping malls blijft vooralsnog onbeslecht. Deze nieuwe winkelgebouwen zijn immers paradigmatisch voor de sociologische verschuivingen die momenteel optreden tussen openbaar en privé, tussen commercieel en publiek. Publieke gebouwen als musea krijgen een commerciële functie, terwijl commerciële en recreatieve gebouwen in meer of mindere mate een publieke functie opnemen. Rem Koolhaas beweert dat commerciële ruimtes publieke evenementen kunnen herbergen en dus ook niet-commercieel kunnen worden gebruikt. Een vaak gehoord tegenargument is dat er gewoonlijk niet wordt betoogd. ‘No demonstrations in Disneyland’, luidt de boutade van Michael Sorkin. Net als in themaparken wordt in de shopping mall zoveel mogelijk getracht om latente conflicten te beheersen en potentieel afwijkend gedrag te reguleren.

Hoewel auteurs als Rosalyn Deutsche en Margaret Crawford de waarschuwingen van Sorkin voor de teloorgang van de publieke ruimte uiterst serieus nemen, zijn ze van oordeel dat deze voortkomen uit het overspannen idee dat de openbare ruimte een neutrale ontmoetingsruimte voor álle maatschappelijke groepen moet zijn. Ze gaan ervan uit dat publiek domein ook buiten de traditionele stedelijke ruimte kan worden gevonden en niet in strikte zin ‘openbaar’ of ‘voor iedereen toegankelijk’ dient te zijn. Een dergelijke benadering biedt voordelen, omdat ze de gangbare tweedeling tussen openbaar en privé, centrum en periferie ― die aan de oorsprong liggen van het betoog van Michael Sorkin ― uit de weg gaat. Deutsche en Crawford lokaliseren tevens een alternatieve logica van de ‘publieke sfeer’ in de alledaagse ruimte van de postindustriële stad. De plekken van uitwisseling tussen verschillende maatschappelijke groepen bevinden zich namelijk steeds meer aan de randen van de monoculturele ‘enclaves’ of van de veilige en sociaal homogene plekken waaruit de stad is opgebouwd. In het triviale landschap van supermarkten, fastfoodrestaurants en parkeerterreinen blijken ongedefinieerde restruimtes of braakliggende terreinen een ideale voedingsbodem voor nieuwe praktijken van jongeren, skaters, straatverkopers en daklozen. Toch gaan de genoemde auteurs er te gemakkelijk van uit dat deze praktijken er daadwerkelijk in slagen om het dominante systeem van de stedelijke ruimte (zoals de tendens tot homogenisering en verpretparking) te transformeren en haar nieuwe betekenissen te verlenen.

Ongedefinieerde restruimtes zijn een ideale voedingsbodem voor nieuwe praktijken van jongeren, skaters, straatverkopers en daklozen

Onder meer op het vlak van toe-eigening van ruimte missen nieuwsoortige publieke ruimtes als shopping malls en themaparken, bioscopen en sportcentra, belangrijke aspecten van de traditionele openbaarheid. Omdat de discussie zich vooral toespitst op symptomen van bewaking en uitsluiting, wordt echter onvoldoende recht gedaan aan de wijze waarop deze ruimtes soms daadwerkelijk gebruikt worden. Shopping malls bijvoorbeeld worden vaak bekritiseerd omdat ze de gebruikers zouden herleiden tot asociale en passieve consumenten. Niettemin lijkt bij de uitbaters ervan steeds weer het schrikbeeld op te duiken van de anti-consument die het geconsumeerde object voor eigen doeleinden en naar eigen inzichten transformeert. Veel van de commerciële en recreatieve ruimtes wórden ‘publiek’ omdat mensen de controle en de beperking op gebruik al of niet bewust weerstaan en er een eigen ‘plaats’ creëren. Daarom houdt Margaret Crawford een ondergrens aan van wat nog een publieke ruimte kan worden genoemd. Een publieke ruimte is volgens haar een ruimte die vrij te betreden is, die creatief kan worden toegeëigend, waaraan nieuwe definities kunnen worden toegekend, en waar tevens een milde vorm van subversie mogelijk is. Het evenwicht is weliswaar wankel en het resultaat van een gedurige ‘communicatie’ of onderhandeling tussen normatieve procedures of ‘strategieën’ (controle, bewaking, privatisering) en resistente dagelijkse praktijken of ‘tactieken’ (gebruik, bewoning, toe-eigening). Zo worden ‘subversieve’ praktijken van skaters en daklozen vaak beantwoord door het opwerpen van barrières of het installeren van een sprinklersysteem.

Ook Maarten Hajer en Arnold Reijndorp zijn van oordeel dat de uiteenlopende vormen van commercialisering niet bij voorbaat onverenigbaar zijn met het idee van openbare ruimte. De opgave voor de openbare ruimte strekt zich volgens Hajer en Reijndorp uit tot ver buiten de traditionele stad, waar een veelvoud van plekken van betekenis zijn geworden in het dagelijks leven, van winkelcentra en vrijetijdscomplexen tot recreatiegebieden en wegrestaurants. In hun boek Op zoek naar nieuw publiek domein (2001) pleiten ze voor een cultureel-geografische analyse van de ‘consumptie’ van deze nieuwe omgevingen. Ze gaan ervan uit dat de culturele betekenis van deze plaatsen niet vaststaat, maar ― in tegendeel ― dynamisch en volop in ontwikkeling is. In weerwil van de geprogrammeerde betekenissen kunnen consumenten ook afwijkende of tegenstrijdige betekenissen produceren.

Een goed voorbeeld van een cultureel-geografische benadering zijn de ‘cultuurlandschappen’ die de Nederlandse fotograaf Bas Princen vastlegt. Princen toont landschappen die op het eerste zicht nauwelijks bijzonder zijn. Vaak gaat het om schijnbaar vergeten landschappen in de periferie van de stad of van de natuur, die in afwachting zijn van een definitieve bestemming. Vreemd genoeg zijn het juist daardoor landschappen met specifieke kwaliteiten, die door uiteenlopende groepen mensen zijn ontdekt. Die nemen ze in bezit voor activiteiten waarvoor elders geen plaats is, of waar zij niet worden getolereerd. Meestal zijn het vormen van vrijetijdsbesteding (crossen, racen, bermtoerisme) waarvoor provisorisch enkele ingrepen worden gedaan, maar die even snel weer zijn verdwenen. Deze plekken vormen de alledaagse tegenhanger van de herinrichting van de openbare ruimte in functie van cultuur en vermaak.

Recreatie en consumptie hebben een structurerende invloed op de inrichting van het landschap

Nieuwe vormen en patronen van recreatie en consumptie hebben niet alleen een belangrijke weerslag op de stedelijke openbaarheid, maar ook een structurerende invloed op de ruimtelijke ordening en de inrichting van het landschap. In de postindustriële netwerkstad dringt zich dan ook een eigen wijze van onderzoek op, die gericht is op gebruiken en betekenissen in het dagelijkse leven, in relatie tot de veranderingen in de gebouwde omgeving. Deze veranderingen kunnen worden weerspiegeld en in kaart gebracht in cultureel-geografische analyses, of door middel van wat Stefano Boeri ‘eclectische atlassen’ noemt. Het boek Atlas van de verandering. Nederland herschikt, waarin interviews van ruimtelijke ‘consumenten’ gecombineerd worden met beeldmateriaal, teksten, begrippen en kaarten, is daar een voortreffelijke illustratie van. Dergelijke atlassen bieden niet alleen een tour d’horizon van stedelijke en landschappelijke transformaties, maar kunnen ook de basis vormen van een eigentijdse, onbevangen reflectie over stedelijke openbaarheid. Tegelijk stelt de hierin vooropgestelde benadering de perceptie bij van een boek als Pret! Leisure en landschap, waar de nadruk nogal eenzijdig komt te liggen op uiteenlopende vormen van passieve consumptie en vermaak.

Theo Baart, Tracy Metz en Tjerk Ruimschotel, Atlas van de verandering. Nederland herschikt (Rotterdam: NAi Uitgevers 2000).

Tracy Metz, Pret! Leisure en landschap (Rotterdam: NAi Uitgevers 2002).

Dieter de Clercq is als ingenieur-architect verbonden aan de KU Leuven.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen