Deel dit artikel

als seks een expliciete rol speelt in een kunstwerk, is er steeds wel een recensent of commentator die zich afvraagt onder welke noemer hij het object moet klasseren: kunst of pornografie? maar moet het altijd één van beide zijn? zijn er geen kunstobjecten – romans, films, schilderijen, foto’s of strips – die onder beide noemers thuishoren? de Britse conservatieve filosoof roger scruton is de mening toegedaan dat kunst en pornografie niet met elkaar te verzoenen zijn.

Kunst of pornografie?

INSERT_HERE Subtitle

Hans Maes

Het is een vraag die met de regelmaat van de klok terugkeert in de media. Bij een nieuwe tentoonstelling, roman of film waarin seks een centrale rol speelt, is er altijd wel een recensent of commentator die zich afvraagt: is dit kunst of pornografie? De vraagsteller geeft daarbij te kennen dat het volgens hem één van beide moet zijn. Ofwel is het kunst, ofwel is het pornografie. Maar is dit geen vals dilemma? Sluiten kunst en pornografie elkaar echt uit? Of zijn er romans, films, foto’s, schilderijen of strips die zowel onder de noemer ‘kunst’ als onder de noemer ‘pornografie’ thuishoren?

Dat er erotische kunst bestaat, wordt door niemand betwist. Men vindt dan ook een overvloed aan kunsthistorische boeken over dit onderwerp. Titels die verwijzen naar ‘pornografische kunst’ zijn echter nagenoeg onvindbaar. Dit lijkt erop te wijzen dat kunsthistorici ‘pornografische kunst’ als een oxymoron of een tegenstrijdigheid beschouwen. Ook onder filosofen zijn velen de mening toegedaan dat pornografie en kunst zich niet laten verzoenen. De Britse conservatieve filosoof Roger Scruton is wellicht een van de meest bekende verdedigers van die overtuiging. Scruton was een van de meest vooraanstaande academische kunstfilosofen tot hij in het begin van de jaren 1990 besloot het universiteitswezen achter zich te laten, en als ultraconservatief intellectueel uitsluitend van zijn pen te leven. Zijn interesse in esthetica is echter altijd gebleven en in zijn meest recente boek, Beauty, verkent hij de raakpunten tussen zijn conservatieve gedachtegoed en zijn esthetische opvattingen. Eén van zijn stokpaardjes betreft de verhouding tussen kunst en pornografie.

Volgens Scruton zijn er een aantal goede redenen om vast te houden aan een strikt onderscheid tussen kunst en pornografie. Kunstwerken, aldus Scruton, geven ons een inkijk in het bewustzijn en de leefwereld van hun personages. Zo laten ze ons kennismaken met subjectieve standpunten die van de onze verschillen. In pornografie daarentegen worden personen herleid tot objecten. Pornografen hebben alleen aandacht voor lichaamsdelen, niet voor de persoonlijkheid, individualiteit of leefwereld van de afgebeelde mannen en vrouwen. Omdat pornografische afbeeldingen mensen herleiden tot gebruiksvoorwerpen, zijn ze bovendien ontluisterend en is schoonheid ver te zoeken. Daarom ook spreekt men over ‘vuile plaatjes’. Of in het Engels over ‘dirty pictures’ en ‘smutty magazines’. Voor Scruton is dit een ander belangrijk verschil met de kunst. Kunst is immers bij uitstek het domein waar schoonheid regeert.

Pornografen hebben alleen aandacht voor lichaamsdelen, niet voor de persoonlijkheid, individualiteit of leefwereld van de afgebeelde mannen en vrouwen

Kunst is ook het domein van de sereniteit, waar schoonheid uitnodigt tot contemplatie. Pornografie echter brengt seksuele opwinding teweeg – een toestand die serene contemplatie onmogelijk maakt. Om die toestand van seksuele opwinding mogelijk te maken en niet te verstoren creëren pornografen een wereld van pure wensvervulling, zonder de minste realiteitszin – een wereld waarin ziekte en dood niet bestaan, vol beschikbare en gewillige vrouwen en mannen met perfecte lichamen. Diametraal tegenover die producten van de fantasie (‘fantasy’) staan volgens Scruton de creaties van de verbeelding (‘imagination’) die we terugvinden in de kunst. Literaire en beeldende kunstwerken presenteren weliswaar een fictieve wereld, maar het is een wereld die realiteitsgetrouw en vaak ook confronterend is. Artistieke ficties bieden geen vlucht uit de werkelijkheid, maar juist inzicht in de werkelijkheid.

Scrutons argumenten haken netjes in elkaar en het is niet moeilijk om voorbeelden te vinden die perfect in de geschetste tweedeling passen. Vergelijk bijvoorbeeld het pornografische tijdschrift Hustler met een kunstwerk als De badende Batseba van Rembrandt. In Hustler worden vrouwen als vleeswaren uitgestald. Wat er werkelijk in hen omgaat – hun persoonlijkheid of individualiteit – is van geen tel. De obscene foto’s dienen alleen om de mannelijke fantasie te stimuleren en seksuele opwinding te creëren. Het contrast met Rembrandts schilderij kan niet groter zijn. Batseba wordt afgebeeld op het moment dat ze de brief van koning David ontvangt waarin haar gevraagd wordt om naar het paleis te komen. Ze beseft wat dit impliceert: de koning wil met haar naar bed en ze zal haar echtgenoot Uria moeten bedriegen, wat tot verdere ellende zal leiden. (Haar echtgenoot wordt uiteindelijk de dood ingejaagd). Haar gelaatsuitdrukking maakt de droefheid, de berusting en de andere emoties die ze ondergaat duidelijk zichtbaar. Batseba wordt niet afgebeeld zoals de mannelijke begeerte of fantasie haar misschien zou willen zien: als een gewillige, uitdagende femme fatale. Integendeel, door het zachte licht en de delicate schoonheid drukt het schilderij een diepe sympathie uit met de precaire situatie waarin deze vrouw zich bevindt. Dit is bij uitstek een kunstwerk dat uitnodigt tot reflectie en dat sereniteit uitstraalt.

Er is een hemelsbreed verschil tussen het prachtige penseelwerk van Rembrandt in De badende Batseba en de vieze blaadjes van Larry Flynt

Er is dus een hemelsbreed verschil tussen het prachtige penseelwerk van Rembrandt en de vieze blaadjes van Larry Flynt. De door Scruton geschetste zwart-wittegenstelling helpt ons om dit onderscheid te articuleren. De vraag is echter of kunst en pornografie altijd zo mooi van elkaar te scheiden zijn. Bestaat er geen grijze zone waar de twee elkaar overlappen? Scruton houdt alvast geen rekening met die mogelijkheid. Voor hem zijn kunst en pornografie twee aparte werelden waartussen een diepe kloof gaapt. Die visie zou zeker gerechtvaardigd zijn, mochten de kenmerken die hij aan kunst en pornografie toeschrijft, essentiële kenmerken zijn, dit wil zeggen, wezenlijk voor alle vormen van kunst en pornografie. Dat laatste is echter niet het geval.

Ten eerste beantwoorden niet alle pornografische werken aan Scrutons beschrijving van pornografie. Denk maar aan wat momenteel geldt als de grootste groeisector in de porno-industrie: de zogenaamde vrouwvriendelijke porno. In de kortfilms van Erika Lust (Five Hot Stories for Her), de langspeelfilms van Lars von Triers productiehuis Zentropa (All About Anna, Constance), of de strips van Molly Kiely (That Kind of Girl, Diary of a Dominatrix) zijn vrouwen niet het lijdend voorwerp, maar het (zelf initiatief nemende) onderwerp. Hun leefwereld, passies en gevoelens worden op een realistische manier in beeld gebracht. Schoonheid en intimiteit spelen daarbij een belangrijke rol, maar tegelijk schrikken de makers er niet voor terug om seks expliciet in beeld te brengen omdat ze een eerlijk en onverkort inzicht willen bieden in de werkelijkheid van de vrouwelijke seksualiteit.

Daarnaast zijn er ook tal van kunstwerken die niet aan Scrutons beschrijving van kunst voldoen en juist kenmerken bezitten die hij exclusief aan pornografie toedicht. Zo geven lang niet alle kunstwerken een inkijk in het bewustzijn en de leefwereld van hun personages. Denk maar aan de Roman de la Rose, aan Petrarca’s sonnetten voor Laura, of aan de Troyes’ Lancelot. In al deze literaire meesterwerken wordt de vrouw voorgesteld als een object van begeerte en wordt omzeggens geen aandacht besteed aan haar subjectieve standpunt en autonomie. In de beeldende kunst zou men dan weer kunnen verwijzen naar de naakten van Edgar Degas, Francis Bacon, of Hans Bellmer. Het werk van deze laatste twee kunstenaars illustreert trouwens hoe kunst niet altijd naar schoonheid hoeft te streven. Schoonheid is weliswaar vaak een belangrijk ingrediënt van kunstwerken, maar het is geen sine qua non. Bijgevolg kan men pornografische afbeeldingen niet bij voorbaat de status van kunst ontzeggen alleen omdat ze geen schoonheid bezitten.

Scruton stelt ook letterlijk dat kunst nooit opwindend mag zijn omdat dit de esthetische contemplatie in de weg staat. Maar als men dit werkelijk als criterium zou gebruiken, dan moet men niet alleen een kruis maken over pornografische kunst, maar ook over alle erotische kunst. Lady Chatterley’s Lover van D.H Lawrence, Bernardo Bertolucci’s Last Tango in Paris en De Slaap van Gustave Courbet zouden dan de naam kunst niet waardig zijn. Ten slotte, wanneer Scruton de realiteitsgevoelige verbeelding van de kunstenaar prijst als antipode van de onrealistische pornografische fantasie, vergeet hij gemakshalve dat er ook heel wat kunstwerken zijn waarin de realiteitszin (bewust) ver te zoeken is en die als dusdanig onder de noemer ‘fantasie’ thuishoren. Denk maar aan de traditie van de idyllische pastorale, aan het dromerige werk van Odilon Redon en Jean-Honoré Fragonard, of aan de grillige verhalen van Edgar Allan Poe.

Men kan pornografische afbeeldingen niet bij voorbaat de status van kunst ontzeggen alleen omdat ze geen schoonheid bezitten

Recapitulerend kunnen we stellen dat Scrutons overwegingen van pas komen om de verschillen te duiden tussen bepaalde typische voorbeelden van kunst en porno, maar nog niet aantonen dat de twee elkaar als zodanig uitsluiten. Zijn er dan geen andere argumenten te bedenken tegen het bestaan van pornografische kunst? Misschien wel. Maar of het sluitende argumenten zullen zijn, valt sterk te betwijfelen. Argumenteren tegen het bestaan van pornografische kunst lijkt namelijk bij voorbaat een verloren zaak omdat er ontegensprekelijk pornografische kunst bestaat.

Met ‘pornografische kunst’ bedoel ik niet gewoon kunstwerken die knipsels uit pornografische magazines gebruiken (zoals Chris Ofili’s Holy Virgin Mary), de stijl van pornografie imiteren (zoals Jeff Koons’ Made in Heaven), of refereren aan pornografie (zoals Fiona Banners Arsewoman in Wonderland). Zulke werken zijn alleen ‘pornografisch’ in de zwakke zin van het woord. Het zijn kunstwerken waarbij pornografie tot inspiratie dient, maar die zelf geen pornografie zijn. Er bestaat echter ook pornografische kunst in de sterke zin van het woord: werken die tegelijk in het domein van de kunst en de pornografie thuishoren. Neem bijvoorbeeld de Japanse shunga-houtsnedes van Kitagawa Utamaro en Katsushika Hokusai, de foto Jim and Tom, Sausalito van Robert Mapplethorpe, de roman Histoire d’O van Pauline Réage, de strip Lost Girls van Alan Moore and Melinda Gebbie, het kortverhaal X-Rated van Dave McKean en de film Ai no Corrida van Nagisa Oshima. Dit zijn stuk voor stuk werken die aan de gangbare definitie van pornografie beantwoorden (‘seksueel expliciete representaties bedoeld om de seksualiteit van de lezer of toeschouwer te prikkelen’) maar die tegelijk ook een grote artistieke erkenning genieten. Mapplethorpe wilde naar eigen zeggen ‘smut that is also art’ creëren. Volgens de meeste kunstcritici is hij perfect in dat opzet geslaagd. Als dusdanig heeft het weinig zin om bij een werk als Jim and Tom, Sausalito de vraag te stellen: is dit kunst of pornografie? Een dergelijke foto is kunst en pornografie. Hetzelfde kan worden gezegd van de andere geciteerde werken.

Natuurlijk, pornografische kunst of artistieke pornografie vormt maar een heel klein onderdeel van het huidige aanbod aan pornografie. Enerzijds komt dat omdat het aanbod en de jaarlijkse productie van de pornografie zo gigantisch groot zijn. Ter vergelijking: terwijl men in Hollywood gemiddeld vierhonderd langspeelfilms per jaar aflevert, produceert San Fernando Valley – het Hollywood van de porno-industrie – er jaarlijks elfduizend. Anderzijds zijn er veel juridische, morele en politieke beperkingen die het voor kunstenaars en cineasten moeilijk maken om op een ongedwongen manier met dergelijk materiaal om te gaan. Niettemin, de doorsnede tussen pornografie en kunst blijkt niet leeg, zoals Scruton en zovele anderen bijna als vanzelfsprekend aannemen. Ze bevat integendeel een aantal bijzonder interessante en opwindende werken. En men kan slechts hopen dat die collectie van pornografische kunst in de toekomst zal aangroeien. Per slot van rekening is seksualiteit een belangrijk onderdeel van het menselijke leven – belangrijk genoeg om het uit de greep van de seksindustrie te bevrijden en aan kunstenaars toe te vertrouwen.

Roger Scruton, Beauty (Oxford: Oxford University Press, 2009).

Hans Maes is als filosoof verbonden aan de University of Kent.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen