Deel dit artikel

‘wie gelooft die mensen nog?’ zo luidt een bekende slogan uit een voorbije verkiezingscampagne, over politici die niet aan de verwachtingen en aan hun eigen beloftes voldoen. ook tegenover wetenschappers en de wetenschappen in het algemeen worden die woorden vaker dan vroeger herhaald. dit toenemende wetenschapsscepticisme blijkt vooral te leven bij hooggeschoolden links en rechts, en vormt een belangrijke uitdaging voor wetenschappelijke vorming en cultuur.

Wetenschapsscepticisme

Christian Maes

Ooit waren hogere en lagere vormen van bijgeloof de belangrijkste zorgen voor het rationalisme en het wetenschappelijke denken. Een meer recente ‘science war’ werd gevoerd tegen kennisrelativisme en de deconstructie van het wetenschappelijke wereldbeeld. Op dit moment worden we geconfronteerd met een groeiend wetenschapsscepticisme waarin de wetenschapper zelf wordt gewantrouwd. ‘Wetenschappers zijn niet allemaal heiligen’, zo klonk het nog recent in een krantenbijdrage. Hoogleraren klagen er twijfelachtige onderzoekspraktijken aan, en een lange rij reacties brengt nog meer onrust aan het licht. In het bedoelde artikel gaat het vooral nog over de gevaren van publicatiedruk en de bekoring om onderzoeksresultaten aan te dikken. De reacties erop verbreden de problematiek, en al gauw ziet men de wetenschapper zelf in de weg staan van wat eens doel en noodzaak was van zijn klasse. Dat heeft voor een deel te maken met de tijdgeest. Bankiers, priesters en politici zijn al gevallen. Waarom zouden we – naar aanleiding van ernstige uitschuivers – nog de wetenschappers vertrouwen? Maar er zijn ook meer specifieke redenen voor het wetenschapsscepticisme.

Sinds intellectuele eigendom geld opbrengt en wetenschappelijk onderzoek strategisch hoort te zijn, ziet men de wetenschapper in dienst van een lobby, onder contract bij grote bedrijven

Een eerste oorzaak is de vermeende verwevenheid tussen wetenschappelijk werk en de politiek of de commercie. Telkens als de relevantie van de wetenschap wordt uitgedrukt in economische termen, zijn er gezonde redenen tot onbehagen. En sinds intellectuele eigendom geld opbrengt en wetenschappelijk onderzoek strategisch hoort te zijn, ziet men de wetenschapper in dienst van een lobby, onder contract bij grote bedrijven. Zijn oordeel over klimaat, voeding of gezondheid is bezoedeld door allerlei nevenbelangen en -activiteiten.

Recent beschreef een hoogleraar in de krant de financiële belangenvermenging bij de DSM-V, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (fifth edition). Dit Amerikaanse handboek voor psychiatrische diagnostiek zou tot stand gekomen zijn in een sfeer van geheimhouding, zonder degelijke statistische analyse, maar wel aanzienlijk gesponsord door de farmaceutische industrie.

Eind mei 2011 werd 20 procent van een genetisch gemanipuleerd aardappelproefveld vernietigd, door een actie van nogal hevig geëngageerde jongeren. De minister-president komt daags erna de voren inspecteren en wil al straffen uitdelen, en de minister van Wetenschap maakt onmiddellijk een extra 250 000 euro vrij. De universiteiten dagvaarden, veroordelen en ontslaan. De actievoerders worden verketterd als hooligans: wie kan toch tegen innovatie, tegen de wetenschappen en tegen de vooruitgang zijn? Bij zoveel machtsontplooiing denkt men spontaan aan bendevorming. Wat is de lobby van de genetische manipulatie? Wie zal het meest verdienen aan die aardappelen? Gebeurt dat onderzoek aan onze universiteiten in het kader van bedrijfsprojecten? Hoe sterk is de druk op onze onderzoekers om patenten te verzamelen, hun onderzoek te gelde te maken, en dat alles in het teken van strategisch, lees economisch, belangrijk onderzoek voor Vlaanderen? Ook dat waren vragen van de actievoerders, en die zijn niet zo dom. Wetenschappers worden niet geacht de wegen van het geweld te volgen, maar ook niet zomaar die van de macht. De meer links geïnspireerde intellectueel koppelt die observaties van macht en manipulatie misschien aan reflecties over maatschappelijk onoverzichtelijk tot mogelijks zeer gevaarlijk onderzoek met betrekking tot voeding en gezondheid. Deze cocktail voor een groeiend wetenschapsscepticisme is zo vlug bereid.

Klimaatsceptici, vooral ter rechterzijde, trekken de geloofwaardigheid van de onderzoeken (en onderzoekers) sterk in twijfel

Een laatste voorbeeld mag op meer sympathie rekenen in de media. We zingen voor het klimaat, en het opbod aan apocalyptische voorstellingen bij ‘global warming’ is uitgegroeid tot dagelijks vermaak. Wie kan, gaat op zoek naar de feiten, duikt de meer wetenschappelijke literatuur in en wil zelf evalueren wat ons en onze (klein)kinderen boven het hoofd hangt. Het resultaat is onrustwekkend: zowel de pure gegevens als de mogelijke gevolgen en voorspellingen blijven onduidelijk. Er lijken weinig zekerheden te zijn en de klimaatwereld zelf zit vol belangengroepen. Klimaatsceptici, vooral ter rechterzijde nu, trekken de geloofwaardigheid van de onderzoeken (en onderzoekers) sterk in twijfel. Rick Sanctorum was slechts een spreekbuis van dat sluimerende scepticisme toen hij ‘global warming’ nonsens noemde. De ‘climategate’ en de verwevenheid van het Intergovernmental Panel on Climate Change met belangrijke politieke en commerciële ambities hebben inderdaad het vertrouwen in de wetenschappelijkheid van de klimaatstudies aangetast. Er waren trouwens al eerder soortgelijke sissers. Zure regen heeft niet de verwoestingen aangericht die sommigen voorspelden in de jaren 1980. Stel je nu voor dat de klimaatsceptici gelijk krijgen. Maar bovenal, als de wetenschappers niet met een unieke en duidelijke boodschap komen – wat ook moeilijk kan in zo’n complexe materie – is er maar een beetje rechtse fantasie nodig over groene samenzweringen om verder het wetenschapsscepticisme te bevorderen.

Een tweede oorzaak is de vervaging van waar de wetenschappen voor staan. Het aantal wetenschapsmanagers en -lobbyisten groeit zienderogen, en velen kiezen voor een bedrijfsmodel en vervormen zo het beeld van wetenschappelijkheid. Wie wetenschapper is, wordt onduidelijker. Velen tooien zich al te graag met een aura van wetenschappelijkheid. In tijden waarin menige opleiding wetenschappelijk wordt genoemd, dreigt devaluatie van de term zelf. ‘Wetenschappelijk bewezen’ maakt nog amper indruk. Maar wetenschappelijke resultaten claimen of gebruiken maken je nog geen wetenschapper. Wetenschappers worden niet herkend doordat ze microscopen of computers gebruiken, maar door hun manier van kijken en redeneren. Emancipatie en vrije ontwikkeling van intellectuele capaciteiten, universaliteit en kritische zin onafhankelijk van macht en geld, strijd tegen waanbeelden en simplisme, promotie van welzijn en goede verspreiding van systematische kennis behoren in het algemeen tot de kerntaken van de wetenschappen. Is dat nog het beeld van de wetenschapper? Of is hij of zij een schakel geworden in het wetenschapsbedrijf, vooral gericht op het binnenhalen van nieuwe projecten om met nog meer middelen nog meer grotendeels intrinsiek onbelangrijke publicaties te plegen.

Wetenschappers worden niet herkend doordat ze microscopen of computers gebruiken, maar door hun manier van kijken en redeneren

Ten derde gebeurt wetenschapscommunicatie dikwijls nogal eenzijdig, met nadruk op technologie en snufjes en vooral gericht op kinderen. Wetenschap is echter geen kinderspel. Dat wetenschappen kinderlijk zouden zijn, zal niet helpen om wetenschappers serieus te nemen. We horen dan dat ze alleen met hun speelgoed bezig zijn. Het is inderdaad niet makkelijk om uit te leggen waarom we miljarden euro’s spenderen aan onderzoek over waarom deeltjes massa hebben, zoals bij de experimenten in de Large Hadron Collider in het CERN in Zwitserland. En als het onderzoek niet rijmt op sensatie of innovatie, blijft de wetenschapscommunicatie stokken en wordt de wetenschapper nietszeggend geacht, een maatschappelijk irrelevant geworden element. Wetenschappers die meer fundamentele vragen stellen uit nieuwsgierigheid of in een eeuwenlange zoektocht naar de aard van de natuur worden nog wel gedoogd, vooral als hun vragen tot de populaire verbeelding spreken, maar hun relevantie wordt algemeen in twijfel getrokken. Waarom willen we de grammatica van een uitstervende taal uitpluizen terwijl er zoveel meer dringende maatschappelijke problemen zijn? In bepaalde gevallen blijft ook de kinderlijke romantiek geheel achterwege en is intellectueel een scheldwoord geworden. Men verwacht simplificatie ook waar het niet kan. Wetenschapscommunicatie mag op niveau – zonder grote vereenvoudigingen en met een natuurlijke veronderstelling van een basis en een zekere alfabetisering bij het publiek.

Ten slotte gedragen wetenschappers zich soms te bekrompen. Hun expertise mag gerust zeer specialistisch zijn, maar hun vorming en cultuur zouden toch breder mogen. Hoe kun je wetenschappers vertrouwen als je, zelf hoogopgeleid in een ander domein, merkt dat ze hun taal of talen niet beheersen, of elementaire inzichten uit de economie of uit de filosofie ontberen? Ook daarom moeten simplisme en arrogantie worden vermeden in uitspraken van wetenschappers over door iedereen onbegrepen zaken zoals de aard van het bewustzijn, het ontstaan van het leven of de oorsprong van ruimte en tijd. Een uitbundig voor waar verkondigen van een algeheel en wetenschappelijk evident reductionisme van al wat menselijk is tot fysisch-chemische processen, verwart een programma of een ambitie met de werkelijke stand van zaken. Veel vijandig scepticisme tegenover de evolutietheorie verdwijnt door nederig uit te leggen dat we niet alles begrijpen en dat het niet eenvoudig is. De fascinatie mag verdergaan. Men hoeft menselijk intrigerende maar moeilijke punten niet te vermijden als wetenschapper.

Wetenschappelijke vondsten worden te vaak buitensporig geprezen, met overdrijvingen als ‘ultimate’ en ‘final’, ‘doorbraak’ of ‘genezing op komst’

Er zijn andere oorzaken en gevallen van scepticisme. Wetenschappelijke vondsten worden te vaak buitensporig geprezen, met overdrijvingen als ‘ultimate’ en ‘final’, ‘doorbraak’ of ‘genezing op komst’. Auteurs en tijdschriften willen indruk (impact) maken. Voorzichtige conclusies worden vermeden, want er moet worden gescoord. Succes wordt gemeten via sociale effecten, zoals citaties of participaties in netwerken. Allemaal redenen tot gezond scepticisme voor wie de handel en wandel van wetenschappers enigszins kent. In goede zin is wetenschapsscepticisme een zeer aanvaardbare, zelfs wetenschappelijke houding. Maar wetenschappers mogen ook fouten maken. Niet alleen zijn wetenschappers mensen, maar interessante wetenschappelijke ontwikkelingen vertrekken soms van extrapolaties of speculaties waarvan de meeste ooit moeten sneuvelen. Nee, wetenschapsscepticisme is geen gemakkelijke overtuiging en een grondige wetenschapssociologische studie dringt zich op. Er staat namelijk iets op het spel waarvoor voorlopig geen reden tot scepticisme gerechtvaardigd is. Dat is de waardering voor de wetenschappelijke methodiek zelf, en de traditie van vrij wetenschappelijk onderzoek als een terrein van internationale samenwerking voor een gezamenlijk humanitair ideaal.

Christian Maes is als fysicus verbonden aan de KU Leuven.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen