In de negentiende eeuw verschoof het wetenschappelijke denken over zwangerschap ingrijpend: de foetus werd niet langer beschouwd als een onderdeel van de zwangere vrouw, maar als een apart, zich ontwikkelend individu. Die verschuiving vormde het begin van een prenataal denken waarin de toekomst van het kind alsmaar nadrukkelijker werd gekoppeld aan het lichaam, gedrag en de gemoedstoestand van de moeder. Dat denken heeft zich sindsdien diep genesteld in het maatschappelijke debat – van de groeiende druk op moeders tijdens de ‘eerste duizend dagen’ tot de toenemende polarisatie rond abortus.
Hoe ‘prenataal leven’ ontstond − en de rest van ons leven ging bepalen
In 1884 beschreef de Franse arts Charles Féré een meisje dat ‘in het algemeen goed gevormd’ was, maar amper sprak of las. Haar ogen knipperden onstuimig, in een ritme dat ze niet kon controleren. Soms, wanneer een plotse hoogtevrees haar overviel, glipten voorwerpen uit haar handen.
Na onderzoek sloot Féré familiale oorzaken uit en besloot dat het meisje een ‘kind van de Commune’ moest zijn − een verwijzing naar de opstanden van 1870 en de revolutionaire regering die begin 1871 korte tijd over Parijs heerste, tot ze bloedig werd onderdrukt door het leger. De ei- en zaadcel waaruit het meisje zou ontstaan, waren net samengekomen toen het geweld hun huis in Parijs bereikte: haar ouders lagen nog in bed toen soldaten van de Nationale Garde binnenstormden. Haar moeder gaf over van angst en vond pas dagen later haar rust terug. Volgens Féré was het aannemelijk dat de tics van het meisje terug te voeren waren op de schok die haar moeder had doorgemaakt. De beroering had zich ingegrift in haar prilste begin en zo haar ontwikkeling diepgaand getekend.
Ook andere Franse artsen, zoals Jean-Martin Charcot, Désiré-Magloire Bourneville en Henri Legrand du Saulle, publiceerden gevalstudies over zogenaamde ‘kinderen van de Commune’. Ze probeerden te bewijzen dat kinderen die verwekt waren tussen de herfst van 1870 en de lente van 1871 de sporen van het année terrible in zich droegen. De stress die hun moeders in die maanden hadden gevoeld, zou hun ontwikkeling blijvend hebben verstoord.
Deze verslagen wekten de verwondering van wetenschapshistorica Caroline Arni. In haar boek Of Human Born: Fetal Lives, 1800-1950 stelt ze zichzelf de vraag: hoe kon een gebeurtenis uit 1871 ervoor zorgen dat een kind in 1884 onstuimig met haar ogen knipperde en voorwerpen uit haar handen liet vallen? Wat zegt dit over veranderingen in het wetenschappelijke begrip van zwangerschap en de ontwikkeling van de psyché?
De foetus werd niet langer beschouwd als een onderdeel van de zwangere vrouw, maar als een apart, zich ontwikkelend individu
Arni laat haar geschiedenis starten aan het einde van de achttiende eeuw, toen wetenschappers nieuwe opvattingen ontwikkelden over zwangerschap. Ze vergelijkt twee invloedrijke werken. William Hunter publiceerde in 1774 de atlas Anatomy of the Human Gravid Uterus, waarin hij het ongeboren kind beklijvend realistisch afbeeldde: fijn, samengeplakt haar, zachte huid, ronde ledematen samengeperst tussen vliezen. Toch verscheen het kind slechts op een minderheid van vierendertig platen, met commentaren die beperkt waren tot de positie in de baarmoeder of de plaats van de navelstreng. De ster van de show was de baarmoeder zelf: Hunter was vooral gefascineerd door de zwangere buik, waar het kind maar een onderdeel van was.
Dit contrasteert scherp met de iconische prent van Samuel Thomas Soemmering uit 1799. Daar ontbreekt de vrouwelijke torso volledig. De nadruk ligt op een chronologische reeks embryo’s, van de derde week tot de vierde maand van de zwangerschap. Het embryo lijkt zich autonoom te ontwikkelen − rechtop, met de nadruk op de menselijke vorm. Soemmerings afbeelding was een wetenschappelijke nieuwigheid: nooit eerder werd de ontwikkeling van het embryo op deze manier, als opeenvolgende reeks, weergegeven.
Volgens Arni gaat het hier niet eenvoudigweg om een verschuiven van focus. Zij spreekt eerder van de vervanging van een oude denkwijze door een nieuwe. Het begrip van de zwangerschap zelf was aan het veranderen. De foetus werd niet langer beschouwd als een onderdeel van de zwangere vrouw, maar als een apart, zich ontwikkelend individu. De oude gedachte dat moeder en kind één waren, zoals dat nog zichtbaar was in de anatomische platen van Hunter, maakte plaats voor een manier van denken waarin de foetus een zelfstandig organisme was.
Toen het idee van een gedeeld lichaam plaatsmaakte voor een visie waarin de foetus een op zichzelf staand organisme was, groeide de wetenschappelijke fascinatie voor de relatie tussen moeder en kind. Wat vroeger als vanzelfsprekend werd gezien, riep nu steeds meer vragen op: hoe verhielden die twee organismen zich tot elkaar?
De moeder degradeerde tot een landschap waarin de foetus groeide en vorm kreeg
Steeds vaker werd de moeder uit beeld gehaald, zoals in de reeks van Soemmering. Als ze toch nog werd opgenomen in het wetenschappelijke betoog, dat steeds vaker ‘embryologie’ werd genoemd, was het slechts als een omgeving van de foetus. De moeder degradeerde tot een soort van achtergrond: een landschap waarin de foetus groeide en vorm kreeg. Zoals elk organisme afhankelijk is van zijn habitat, zo werd ook de foetus gezien als een wezen dat niet los van zijn moederlijke omgeving kon bestaan.
Dit nieuwe perspectief op zwangerschap veranderde volgens Arni het wetenschappelijke begrip van aangeboren ziektes en beperkingen. Die werden niet langer gezien als het gevolg van een gedeelde ervaring van moeder en kind − een lot dat het gezamenlijke lichaam was overkomen. In plaats daarvan spraken wetenschappers over ‘pathogene invloeden’ van de moeder op het kind. Het idee ontstond dat de moederlijke omgeving niet neutraal was. Ze kon gunstig of ongunstig zijn, voedend of beperkend − niet slechts een drager, maar een invloedssfeer die de foetus actief vormde, in goede of kwade zin.
Startend vanuit de casus van de ‘kinderen van de Commune’, onderzoekt Arni vervolgens hoe deze nieuwe opvattingen over zwangerschap zich vertaalden in een veranderd begrip van de impact van moederlijke emoties op de foetus. Kunnen gevoelens een ongeboren kind vormen? De eeuwenoude theorie van maternale impressie, die stelde dat ervaringen van de moeder een fysieke afdruk nalaten op het kind, werd telkens opnieuw aangepast aan heersende opvattingen over zwangerschap.
Binnen het idee van zwangerschap als één, gedeeld lichaam, geloofden wetenschappers dat een zintuiglijke indruk bij de moeder zich direct kon vastzetten op het onvoltooide lichaam van de foetus. In de negentiende eeuw, toen de foetus steeds meer werd gezien als een zelfstandig organisme binnen de moederlijke omgeving, veranderde dit beeld. Oude ideeën over maternale impressie kregen een nieuwe invulling.
In 1807 stelde de arts Jean-Baptiste Demangeon bijvoorbeeld dat het eeuwenoude geloof dat een zwangere vrouw, door naar een prachtig standbeeld te kijken, een mooi kind zou baren, niet zo absurd was. Alleen hadden de antieken het mechanisme erachter verkeerd begrepen: niet de visuele indruk zelf veroorzaakte een afdruk op de foetus, maar de emotie die het opriep. De sereniteit en het geluk van de moeder beïnvloedden de kwaliteit van haar bloed, wat de ontwikkeling van het kind stuurde. Schoonheid was volgens Demangeon geen kwestie van directe zintuiglijke overdracht, maar van een fysiologische respons.
In de eerste helft van de negentiende eeuw ontstonden zo verhitte debatten over welke gevoelens precies invloed hadden op de foetale ontwikkeling. In 1822 publiceerde de beroemde teratoloog Geoffroy Saint-Hilaire een statistische studie van ongehuwde moeders. Hij concludeerde dat diepe spijt geen oorzaak kon zijn van aangeboren afwijkingen. Zijn bewijs? In 1817 waren er in Frankrijk 9047 ongehuwde moeders, vrouwen die hun zwangerschap volgens hem zonder twijfel met berouw hadden beleefd. Toch was het aantal misvormde kinderen opvallend klein. Ergo: spijtgevoelens waren niet gevaarlijk.
Artsen die zich bezighielden met de ‘kinderen van de Commune’ bouwden voort op dit werk. Zij richtten zich op plotselinge emoties − angst, shock − als mogelijke oorzaken van afwijkingen. Foetale bewegingen kregen in hun onderzoek een nieuwe betekenis: niet langer willekeurige stuiptrekkingen, maar actieve reacties op de gemoedstoestand van de moeder. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de foetus zo steeds vaker beschouwd als een organisme dat reageerde op psychologische impulsen.
In de vroege twintigste eeuw bood de endocrinologie een nieuwe verklaring voor de impact van emoties op de foetus
In de vroege twintigste eeuw bood de endocrinologie een nieuwe verklaring. Hormonen werden de sleutel tot het begrijpen van de impact van moederlijke emoties op de foetus. Emoties waren niet langer abstracte invloeden. Ze waren nu materieel en meetbaar: het stresshormoon werd de missing link tussen moeder en kind. Meer dan een halve eeuw na de Parijse Commune verschenen opnieuw studies over hoe oorlogsomstandigheden de ontwikkeling van kinderen beïnvloedden. Maar de focus verschoof. Wetenschappers beschouwden niet langer de emotie zelf als schadelijk, maar de − nieuw ontdekte en meetbare − biochemische reactie erop. Het idee was nu dat stress van de moeder via de overdracht van hormonen de ontwikkeling van de foetus kon beïnvloeden.
De ervaringen van een moeder lieten hun sporen na
Het idee van maternale impressie verdween niet, maar werd telkens herschreven. Wat ooit een directe fysieke overdracht leek, werd nu verklaard als een kwestie van hormonale uitwisseling. De kern bleef hetzelfde: de ervaringen van een moeder lieten hun sporen na. Alleen de manier waarop wetenschappers die invloed verklaarden, veranderde met de tijd.
In Of Human Born beschrijft Arni niet alleen de overgang van het idee van zwangerschap als een gedeeld lichaam naar twee afzonderlijke organismen, maar ook hoe het temporele begrip van zwangerschap veranderde door de nadruk op ontwikkeling. In oudere opvattingen over zwangerschap was menswording een kwestie van een moment: een kind werd mens door een ogenblik van animatio, bezieling. In de nieuwe wetenschap van foetale ontwikkeling werd menswording een geleidelijk proces: het ongeborene was meteen menselijk in die zin dat het een menselijk organisme was, maar nog niet menselijk in die zin dat het nog subjectiviteit moest bereiken. Wetenschappers gingen debatteren over wanneer typisch menselijke kwaliteiten − zoals een eigen gevoel, eigen ratio, eigen bewustzijn − vorm kregen in het ongeboren leven.
De geboorte was het moment waarop de ‘menselijke’ staat werd betreden
Wat opvalt, is dat wetenschappers steeds meer in termen van continuïteit begonnen te denken. De geboorte werd bijvoorbeeld niet meer gezien als een absoluut breukmoment. Aan het einde van de achttiende eeuw had de beroemde anatoom en patholoog Xavier Bichat de geboorte nog aangeduid als het moment waarop een mens ontstond. Volgens hem bevond een foetus zich in de baarmoeder in een staat van ‘vegetaal leven’, vergelijkbaar met een plant. Het was slechts door de scheiding van het moederlichaam dat een foetus ook een mens werd. De geboorte was het moment waarop de ‘menselijke’ staat werd betreden. Dit idee had consequenties: bij moeilijke bevallingen was het voor Bichat vanzelfsprekend dat het leven van de moeder prioriteit kreeg, aangezien ‘vegetaal leven’ minder waardevol was.
In de nieuwe, meer continue benadering van menswording als ontwikkeling was deze denkwijze moeilijk vol te houden. In de negentiende eeuw werd geboorte steeds minder als een cruciaal moment beschouwd. Het werd gezien als slechts een overgang van de ene omgeving naar de andere. Het was een van de vele stappen in een proces van menswording, van bevruchting tot volwassenheid. Dit riep tal van vragen op: wanneer ontstaan menselijke eigenschappen dan, als dit niet gebeurt door een moment van bezieling? Wanneer verwerft een menselijk organisme bewustzijn of subjectiviteit? Heeft het gevoelens van pijn, plezier, spijt? En wat betekent het überhaupt om mens te zijn?
Arni beschrijft hoe wetenschappers probeerden deze vragen te beantwoorden. Sommigen keerden zich tot vivisectie, waarbij ze bijvoorbeeld schapenfoetussen levend uit de baarmoeder haalden om te bepalen of deze al gevoelens vertoonden. Anderen maten, kietelden en observeerden pasgeborenen, die gezien werden als een grensobject tussen het leven binnen en buiten de baarmoeder.
De foetus werd niet langer als een plant beschouwd, maar als een mens-in-ontwikkeling
Het resultaat van dit onderzoek was dat de grens van het menselijk leven werd verlegd. Door de groeiende nadruk op ontwikkeling verschoof het beginpunt van het mens-zijn van de geboorte naar de conceptie. De foetus werd niet langer als een plant beschouwd, maar als een mens-in-ontwikkeling. Dat was iets ambivalent: de meeste wetenschappers geloofden bijvoorbeeld niet dat een embryo al menselijke eigenschappen zoals bewustzijn bezat, maar gingen er wel van uit dat een goede vorming van het embryo cruciaal was voor de latere ontwikkeling van een menselijk wezen mét bewustzijn. De prenatale levensfase kreeg vorm als een aparte, cruciale periode waarin zich enerzijds een individu vormt, en anderzijds de basis wordt gelegd voor alles wat daarna komt. Arni laat zien hoe het idee ontstond dat alles wat vóór de geboorte gebeurt, de voorwaarden schept voor de persoon die zal ontstaan.
Wetenschappers raakten ervan overtuigd dat mensen nooit kwetsbaarder waren dan tijdens hun prenatale leven
Om terug te komen op de ‘kinderen van de Commune’: doordat ontwikkeling nu als een continu proces werd gezien, vormde elke invloed vanaf de bevruchting een mogelijk risico voor alles wat daarna zou komen. Wetenschappers raakten ervan overtuigd dat mensen nooit kwetsbaarder waren dan tijdens hun prenatale leven. Hoe meer het in het begin misliep, hoe groter de impact op de verdere ontwikkeling zou zijn. Het denken in termen van continuïteit helpt verklaren waarom Franse artsen dachten dat een gebeurtenis uit 1871 de reden kon zijn dat een meisje van dertien te vaak met haar ogen knipperde. Juist omdat de schok zich direct na de bevruchting had voorgedaan, was de impact op het meisje zo groot.
In Of Human Born laat Arni dus niet alleen zien hoe het prenatale ontstond − maar ook hoe het de rest van ons leven ging bepalen. Het boek is een intellectuele tour de force in de ideeëngeschiedenis, maar dat is tegelijk de zwakte ervan. Arni brengt een taaie wetenschapshistorische uiteenzetting waarin ideeën centraal staan, los van de mensen die ze formuleerden. Daardoor blijft de bredere politieke en sociale context waarin die ideeën tot stand kwamen onderbelicht. De wetenschappers die ze bespreekt verschijnen als ‘brains on a stick’ − ontdaan van hun ideologische kaders en de maatschappelijke invloeden die hun werk mee vormgaven. Ook de ideeën zelf blijven grotendeels losstaan van de praktijken waarin ze hun beslag kregen.
Het prenatale is onlosmakelijk verbonden met het politieke
Dat is problematisch, want het prenatale is onlosmakelijk verbonden met het politieke – en daarmee met de persoonlijke levens van moeders. De feministische leuze het persoonlijke is politiek is misschien nergens zo toepasselijk als wanneer het over zwangerschap gaat. De verschuiving van het idee van een gedeeld lichaam naar een relatie tussen twee afzonderlijke organismen heeft bijvoorbeeld invloed gehad op hedendaagse abortusdebatten. Waar abortus in eerdere visies op zwangerschap − zoals die van Bichat − nooit als moord kon worden voorgesteld, is het vandaag een centraal strijdpunt geworden.
Die concrete impact op vrouwen blijft ook onderbelicht in Arni’s bespreking van ideeën over psychologische invloeden tijdens de zwangerschap − nochtans het centrale thema van Of Human Born. Door de opkomst van het prenatale is de verantwoordelijkheid voor het kind verbreed, en steeds verder op de schouders van moeders terechtgekomen, zelfs nog vóór de geboorte. Waar de disciplinering van zwangere vrouwen vroeger vooral hun lichamelijke gezondheid betrof − zoals gezond eten of borstvoeding geven − is daar intussen een psychologische dimensie bijgekomen. De zwangere vrouw wordt niet alleen aangesproken op haar lichaam, maar ook op haar mentale welzijn. Nieuwe moeders worstelen nu met vragen als: Is mijn kind een huilbaby omdat ik te veel stress had? Heeft het hechtingsproblemen omdat ik emotioneel niet beschikbaar was in de eerste maanden?
Vooral vrouwen krijgen steeds vaker te horen dat niet alleen de gezondheid, maar ook het latere geluk van hun kinderen afhangt van hun vroege ouderschap. Het idee van de ‘eerste duizend dagen’ − van conceptie tot de tweede verjaardag − domineert intussen het ouderschapsadvies. Het suggereert dat de prenatale fase cruciaal is voor de rest van het leven van het kind: lichamelijk én psychologisch. Ouders krijgen te horen dat hun gedrag tijdens zwangerschap en vroege opvoeding de toekomst van hun kind bepaalt − en dat tot ver in de volwassenheid. Zoals de Vlaamse overheid het bondig stelt: ‘De eerste 1000 dagen van een kind […] bepalen de kansen in het latere leven.’
Het is opmerkelijk dat Arni − op enkele korte opmerkingen in de inleiding na − nauwelijks ingaat op deze concrete en actuele implicaties van het prenatale denken. Nochtans nodigt net een historische analyse uit om in vraag te stellen wat we vandaag als vanzelfsprekend beschouwen. Wat daarbij volledig ontbreekt, is de − voor mij − meest prangende vraag: waarom leggen we de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van een nieuw individu zo eenzijdig bij moeders, hun lichamen en hun gemoed? Door de bredere maatschappelijke context buiten beeld te laten, dreigt Of Human Born onbedoeld bij te dragen aan een individualiserend discours waarin moeders verantwoordelijk worden gesteld voor alles wat er misloopt. Terwijl de (baar)moeder nooit de enige omgeving van een kind is. It takes a village − ook in de wetenschapsgeschiedenis.
Caroline Arni, Of Human Born: Fetal Lives, 1800–1950. (Princeton: Princeton University Press, 2024)
Tinne Claes is historica, tenure track docent aan KU Leuven en academisch directeur van het toekomstige Vesalius Museum over wetenschap, zorg en samenleving (www.vesaliusmuseum.be). Haar onderzoek gaat over de geschiedenis van geneeskunde in de negentiende en twintigste eeuw.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License