Deel dit artikel

dat de geschiedenis van de mens onlosmakelijk verbonden is met oorlog blijkt maar al te duidelijk uit de conflicten die vandaag woeden. pogingen om die oorlogen in woord en beeld te vatten behoren tot onze oudste culturele bronnen en vormen het productieve genre van oorlogsfictie. in de afgelopen decennia ontwikkelde zich met ‘war and culture studies’ een onderzoeksveld dat niet alleen nagaat hoe die vertellingen oorlog verbeelden, maar ook hoe oorlog een stempel heeft gedrukt op de literatuur- en cultuurwetenschappelijke concepten en theorieën om die verhalen te benaderen. in zijn recentste bijdrage tot dit veld draait anders engberg-pedersen het perspectief om: hij toont hoe militaire uitvinders en denkers hun technologieën en doctrines met esthetische denkbeelden opbouwen. tegelijk waarschuwt hij voor de rechtvaardiging van oorlog die daarbij impliciet of expliciet tot uitdrukking komt.

Kan oorlog esthetisch zijn?

Lieven Raymaekers 

Wie het aanbod van streamingdiensten naar het trefwoord ‘oorlog’ doorzoekt of in een boekenwinkel grasduint, kan er niet omheen: oorlogsfictie verkoopt. Ook cultuurcommentatoren en -critici zetten het genre hoog op de agenda, zoals onder andere blijkt uit de vele nominaties van oorlogsfilms voor de Oscar voor beste film. Recent waren dat bijvoorbeeld Dunkirk en Im Westen nichts Neues, de Netflixverfilming van Erich Maria Remarques befaamde roman. Bovendien is oorlog een van de oudste thema’s in de westerse cultuurgeschiedenis. Begint die tenslotte niet bij de Ilias, over de held Achilles tijdens de Trojaanse oorlog? Van romans zoals Leo Tolstojs Oorlog en Vrede en films zoals Steven Spielbergs Saving Private Ryan tot bordspelen zoals Risk, Picasso’s Guernica, muziek van de metalband Sabaton en videogames zoals Call of Duty, nagenoeg elk conflict is sinds Homeros’ epos het onderwerp van kunst en entertainment. Minstens even productief is de verbeelding van alternatieve geschiedenissen – Quentin Tarantino’s Inglourious Basterds is een bekend voorbeeld – of van fictieve oorlogen in bijvoorbeeld militaire sciencefiction. Die laatste brak onder andere met Robert Heinleins Starship Troopers door en kent met Halo een van de bestverkochte spelreeksen over futuristische elitesoldaten in strijd met een buitenaardse levensvorm.

Zo’n diverse lijst wekt de indruk dat oorlog in woord en beeld vatten een koud kunstje is. Recent onderzoek toont echter dat schijn bedriegt. In 2011 stelde Kate McLoughlin in Authoring War dat oorlogsfictie bij uitstek een genre is dat worstelt met zichzelf. Vanwege de ‘extreme situatie’ van oorlog, zo haar uitgangspunt, kampen vertellers voortdurend met verhaaltechnische uitdagingen en de angst de destructiviteit van conflict niet accuraat te weerspiegelen. Hoe beschrijf je bijvoorbeeld een veldslag die het publiek noch de verteller heeft meegemaakt? Zoals Elisabeth Krimmer aanhaalt, is het onderscheid tussen realiteit en fictie niet uniek aan oorlogsverhalen, maar typerend voor verbeelding in het algemeen. Ze dicht wel een specifieke ethische urgentie toe aan de problematiek in het genre. Oorlogsfictie draagt immers vaak een pacifistische boodschap uit: een detailgetrouwe beschrijving van gruwelijke veldslagen moet de volgende oorlog voorkomen. Maar die intentie, zo stelt Krimmer, kan sneuvelen wanneer vertellers botsen op de grenzen van het mogelijke in oorlogsrepresentatie. Schrijven over oorlog geeft zo voortdurend aanleiding tot reflectie over dat schrijfproces. In de afgelopen decennia kristalliseerde zich met war and culture studies een onderzoeksveld dat de parameters van die reflectie bestudeert.

Dat veld beperkt zich evenwel niet tot de vraag hoe literatuur een fictionele wereld in oorlog construeert. Begin 2023 publiceerden Anders Engberg-Pedersen en Neil Ramsey een verzameling essays, War and Literary Studies, waarin ze erop wijzen dat oorlog functioneert ‘als een prisma dat literatuurwetenschappen opnieuw vormgeeft’. De daaropvolgende essays toetsen de vraag af hoe oorlogen interageren met literaire, esthetische en filosofische theorieën en concepten.

‘Martial aesthetics’ lijkt op het eerste gezicht twee onverzoenbare polen samen te voegen

Oorlog is echter niet alleen een thema in literatuur of onderwerp van de literatuur- en cultuurwetenschappen. Het omgekeerde geldt ook: esthetische verbeeldingen beïnvloeden de militaire wereld zelf. In zijn recentste bijdrage tot het veld, Martial Aesthetics: How War Became an Art Form, extrapoleert Engberg-Pedersen de interactie tussen oorlog en esthetische en filosofische theorieën naar concrete militaire technologieën en doctrines. Zoals de eerste zin bondig samenvat, stelt zijn studie namelijk dat de westerse oorlogsmachine zich vandaag karakteriseert door een ‘diepgaande militarisering van esthetica’. Daaruit volgt wat Engberg-Pedersen ‘martial aesthetics’ of ‘krijgsesthetica’ noemt, een concept dat, zoals hij zelf opmerkt, op het eerste gezicht twee onverzoenbare polen lijkt samen te voegen. Verbinden we de esthetica tenslotte niet met kunst en schoonheid, terwijl oorlog voornamelijk gekenmerkt wordt door leed en vernietiging? Toch ziet Engberg-Pedersen hoe het militaire denken zich systematisch de esthetica toe-eigent als uitvalsbasis om de creatieve verbeelding van soldaten in een destructieve macht om te zetten. Tekenen daarvoor vindt hij onder andere in doctrines die oorlog omschrijven als kunstvorm en soldaten als artistieke genieën. Daarnaast stellen militaire technologieën soldaten in staat om fictieve werelden in oorlog te creëren als voorbereiding op echte oorlogen.

Voor Engberg-Pedersen rijst daarom de vraag hoe de filosofie van de esthetica te rijmen valt met de destructieve oorlogsmachine. Via die vraagstelling dringt hij bovendien door tot het hart van een gevaarlijke keerzijde van ‘krijgsesthetica’. Door militaire technologieën en doctrines als kunstvorm voor te stellen, waarschuwt Engberg-Pedersen, verbloemt of verheerlijkt de sluier van de esthetica de reële, destructieve gevolgen van oorlog. Om het belang en ethische gevaar van de ‘krijgsesthetica’ te vatten loont het de moeite om eerst een beter begrip te vormen van wat die militaire technologieën en doctrines enerzijds en de filosofie van de esthetica anderzijds inhouden.

De sluier van de esthetica verbloemt of verheerlijkt de reële, destructieve gevolgen van oorlog

De contouren van de ‘krijgsesthetica’ ziet Engberg-Pedersen aan het einde van de 18de eeuw opduiken. Pruisische officieren ontwikkelden toen een bordspel dat een belangrijk strategisch instrument in het militaire denken zou vormen: het zogenaamde ‘Kriegsspiel’ of ‘oorlogsspel’. Een vergelijking met een populair hedendaags bordspel kan het basisprincipe duiden. In Stratego beschikken twee spelers over een leger van veertig pionnen die verschillende militaire rangen, bommen en een vlag voorstellen. Aan het begin plaatsen ze die pionnen op een bord dat een landschap met twee meren visualiseert. Het doel is om zo snel mogelijk de vlag van de tegenspeler te veroveren. Hoewel dat doel en de spelregels niet veranderen, kent elk spel een ander verloop. Alles hangt af van hoe de spelers hun legers opstellen en de tegenstander misleiden. Waar Stratego puur omwille van het spelgenot gespeeld wordt, vertrekt de Pruisische voorloper vanuit een belangrijke premisse: wat als de fictieve scenario’s die de spelers uitdenken als basis dienen voor reële oorlogen?

Lang vóór de 18de eeuw bestonden al bordspelen met een militair thema, zoals schaken, die het strategisch inzicht van spelers oefenden. Waarom ontwikkelde zich dan het Pruisische oorlogsspel tot belangrijk militair-strategisch middel in tijden van oorlog? Een belangrijke reden ziet Engberg-Pedersen in de hoge mate van visualisering die het oorlogsspel kenmerkt. Soldaten verschoven pionnen namelijk niet over een abstract schaakraster, maar over een landschap waarin vakjes verschillende soorten terrein en troepen uitbeeldden. Ze konden met andere woorden, binnen de vooropgestelde regels en de ruimte van het spel, fictieve verbeeldingswerelden op het bordspel projecteren waarin ze de effecten van hun militaire beslissingen op een veilige manier uittesten. Dankzij de concrete en realistische vorm van de oorlogsscenario’s (in tegenstelling tot de chaos van echte oorlog) kon de speler-soldaat ze ook cognitief sterker verwerken.

Oorlogsspelen stellen soldaten in staat om reële oorlogen te construeren naar het evenbeeld van hun creatieve verbeelding

Maar het oorlogsspel bood meer dan een veilige en praktische manier om oorlogsscenario’s in te beelden en zo soldaten voor te bereiden op een echte oorlog. De scenario’s die via het oorlogsspel tot stand kwamen, bezaten namelijk ook wat de studie een ‘martial force’ of ‘krijgskracht’ noemt: het fictieve scenario dat het meeste kans op succes had, werd in de praktijk omgezet. Engberg-Pedersen toont daarbij hoe die praktische omzetting – hij spreekt ook over ‘operationalisering’ van de creatieve verbeelding – een militaire tegenhanger vormt van Leibniz’ filosofie van de optimale wereld. Die laatste stelde dat de wereld waarin we momenteel leven slechts één van alle mogelijke werelden was, maar wel de optimale. Het oorlogsspel produceert niet het beeld van een best mogelijke wereld, maar van een ‘optimum bellum’. Dat laatste is het scenario dat het efficiëntste oorlogsverloop biedt met het minste aantal doden in eigen rangen.

Hoewel er ook vandaag varianten van het Pruisische oorlogsspel bestaan, ziet Engberg-Pedersen een moderne variant van de ‘krijgsesthetica’ in de nauwe samenwerking tussen het leger en de entertainmentindustrie in de afgelopen decennia. Waar soldaten vroeger rond een bordspel stonden, trainen ze vandaag in virtual reality-omgevingen die een nagenoeg perfecte weergave van het toekomstige oorlogsgebied vormen. Die digitale simulatie mag technologisch wel complexer zijn dan het oorlogsspel uit de 18de eeuw, maar Engberg-Pedersen ziet in beide dezelfde esthetische logica terugkeren. Ze stellen soldaten in staat om reële oorlogen te construeren naar het evenbeeld van hun creatieve verbeelding. Die constructie heeft bovendien een belangrijke emotionele functie. Het principe is gelijkaardig aan een medische vaccinatie, waar een onschadelijk monster van een ziekte in het lichaam geïntroduceerd wordt opdat het immuunsysteem leert om zich daartegen te beschermen. Bij een emotionele vaccinatie maken soldaten in veilige, realistische simulaties gruwelijke oorlogstaferelen mee om daar in de realiteit voorbereid op te reageren en hun emoties te leren blokkeren. Toch is de hedendaagse simulatie niet zomaar een digitale weergave van een reële wereld in oorlog, maar een bewuste creatie van wat de legerleiding op dat moment belangrijk acht. Als soldaten echter enkel die gesimuleerde wereld kennen, beperkt hun waarneming van de realiteit zich tot wat ze via de simulatie kennen. De gesimuleerde oorlog verandert zodoende de waarneming van de soldaat en geldt zelfs als blauwdruk voor de reële oorlogsvoering. Net zoals realiteit en verbeelding samenvallen, heft de grens tussen reële en fictieve oorlogen zich in de digitale simulatie op.

Zoals realiteit en verbeelding samenvallen, heft de grens tussen reële en fictieve oorlogen zich in de digitale simulatie op

Als gesimuleerde oorlogen (digitaal of als bordspel) als blauwdruk voor de realiteit dienen, wat is dan het statuut van oorlog zelf? Met de aandacht voor de samensmelting van esthetica en militair denken werpt Engberg-Pedersen ook een nieuw licht op die vraag. In het bijzonder biedt hij een nieuwe stem in een debat dat al sinds de klassieke oudheid woedt: is oorlog een op wetenschappelijk vastlegbare regels gestoelde discipline of een kunstvorm waarbij soldaten met een creatieve en praktische ingesteldheid met de chaotische situatie omgaan? Het waarschijnlijk bekendste voorbeeld van die eerste positie is Sun Tzu’s The Art of War (5de eeuw v.C.), die de lezer een normatieve lijst van regels in oorlogsvoering biedt. Wie die regels volgt, zo luidt de belofte, zal elke oorlog winnen. Hoewel sommige militaire denkers al voor de 18de eeuw bedenkingen hadden bij dat normatieve ideaal, ziet Engberg-Pedersen hoe doctrines uit die periode in toenemende mate teruggrijpen op de gelijktijdig opkomende filosofie van de esthetica (zoals die van Immanuel Kant) om de opvatting dat oorlog een kunstvorm is theoretisch te onderbouwen. Zijn kernvoorbeelden zijn daarbij Otto August Rühle von Lilienstern en Carl von Clausewitz, twee oorlogsstrategen die schreven tegen de achtergrond van de Napoleontische oorlogen. Volgens hen waren die oorlogen te chaotisch en complex om met normatieve regels te voorspellen wat het resultaat van een specifieke beslissing zou zijn.

In zijn onafgewerkte Vom Kriege, waarvan het eerste deel in 1832 verscheen en dat tot vandaag als mijlpaal in oorlogsstrategie geldt, beschrijft Clausewitz de commandant door terug te grijpen naar Kants concept van het artistieke ‘genie’, de originele kunstenaar die unieke autonome werelden bouwt. De commandant is namelijk in staat om snel chaotische situaties te overschouwen en de juiste beslissing te nemen om het oorlogsverloop in zijn voordeel om te slaan. In plaats van terug te vallen op voorgeschreven regels, moet die daarbij steeds unieke, nieuwe omstandigheden creëren die in een overwinning uitmonden. Oorlog staat, zoals ook Rühle von Lilienstern schrijft, met andere woorden enkel algemene leidraden toe; het is aan de soldaat om daar per situatie creatief mee om te gaan. Waar voor Kant het artistieke genie een kunstwerk maakt dat op zich bestaat, geeft Clausewitz een praktische dimensie aan de geniale commandant. Als ‘schone kunst’ voor Kant bestaat in de volmaakte en coherente samenhang van de samenstellende delen, dan vindt Clausewitz het ‘Gesamtkunstwerk’ van oorlog in een gewonnen veldslag.

Als de grens tussen oorlog en kunst te poreus wordt, dreigt de esthetica gebruikt te worden om oorlog en dood te rechtvaardigen

Clausewitz’ theorie kent in de daaropvolgende decennia ideologisch problematische uitlopers. Zo vindt het (esthetisch) martialisme dat als we oorlog als kunstvorm kunnen omschrijven, ook andere esthetische deugden van toepassing zijn in oorlogsvoering. Maar als de grens tussen oorlog en kunst te poreus wordt, dreigt de esthetica gebruikt te worden als argument om oorlog en dood te rechtvaardigen. Zo geeft Engberg-Pedersen het opvallende voorbeeld van Max Jähns, die in zijn essay ‘Die Kriegskunst als Kunst’ uit 1874 oorlog als hoogste kunstvorm omschrijft. Volgens Jähns vereist oorlog immers de meeste inspanning van de kunstenaar (de soldaat) en houdt die ook het hoogste risico voor hem in. Hij gaat zelfs zo ver om te stellen dat een kunstzinnige oorlog zich karakteriseert door efficiëntie: zo weinig mogelijk slachtoffers. Maar in dezelfde adem schrijft Jähns dat je pas over oorlog als kunstvorm kunt spreken als er genoeg doden zijn gevallen. De dood zelf wordt dus in het esthetische project ingecalculeerd.

Aan het begin van de 21ste eeuw publiceerde de Amerikaanse generaal en voormalig minister van Defensie James Norman Mattis twee nota’s die nieuw leven gaven aan het debat of oorlog een kunst of een wetenschap is. Mattis wil daarin immers komaf maken met de op dat moment dominante strategie die uitgaat van een voorspelbaar, causaal oorlogsverloop. Het tijdstip om voor die verandering te pleiten komt niet als een verrassing. Na de Koude Oorlog kwam het namelijk tot wat Mary Kaldor en Herfried Münkler omschrijven als ‘nieuwe oorlogen’: oorlogen waarvan het einde veraf lijkt en die niet worden gevoerd tussen ruwweg even sterke natiestaten, maar door zogenaamde ‘warlords’ in onvoorspelbare uitbarstingen van geweld. Ook de inzet van digitalisering, geautomatiseerde robots en drones zorgt voor nieuwe oorlogsvormen. Mattis ijvert er in zijn nota’s dan ook voor dat het militaire denken zich overeenkomstig aanpast en een strategie ontwikkelt die ruimte biedt aan de veelkoppige gestalte van oorlog in de 21ste eeuw. Engberg-Pedersen toont daarbij hoe ‘design’ het sleutelwoord van die nieuwe oorlogsvoering vormt en Mattis ertoe brengt om oorlog als kunstvorm te omschrijven en soldaten als artistieke genieën die via hun creatieve verbeelding orde en structuur opleggen aan chaotische oorlogen.

Geen enkele verbeeldingswereld biedt een genuanceerd beeld van de vijand

Geldt de samensmelting van kunst en oorlog in militair design of digitale simulatie dan als sluitstuk van de ‘krijgsesthetica’ of garantie op een ‘optimum bellum’? Engberg-Pedersen wijst hier op een probleem dat in nagenoeg alle besproken technologieën en doctrines sluimert, maar vaak niet erkend wordt. Geen enkele verbeeldingswereld biedt namelijk een genuanceerd beeld van de ‘vijand’, maar herleidt die tot een ‘bedreiging’ die bestaat uit vooraf bepaalde voorstellingen. In de oorlogsverbeeldingen van doctrines of oorlogsspelen lijkt er met andere woorden voor intercultureel contact nagenoeg nooit plaats. Zoals de slotzin het puntig samenvat, ligt daarin misschien wel de grootste teleurstelling van de manier waarop de westerse oorlogsmachine zich esthetica toegeëigend heeft: ‘ondanks al haar toekomstbeelden, al haar kunstzin en al haar creatieve beelden, heeft de krijgsesthetica nog geen enkele wereld verbeeld die je graag zou willen bewonen’.

Martial Aesthetics toont dat het geen vrijblijvende taak is om te onderzoeken hoe de oorlogsmachine teruggrijpt op de esthetica, maar herinnert ons aan een belangrijke waarschuwing van Clausewitz. Militaire technologieën en doctrines bespreken immers geen metafysische ideeën, maar reële scenario’s waarin echte mensen de gevolgen van oorlog dragen. Als lezer blijven we dan ook met een prangende vraag achter: is het ethisch verantwoord om oorlog op esthetische leest te schoeien?

Anders Engberg-Pedersen, Martial Aesthetics: How War Became an Art Form. (Stanford, CA: Stanford University Press, 2023).

Lieven Raymaekers is als doctoraatsonderzoeker aan KU Leuven verbonden. In zijn project onderzoekt hij de verbeelding van duikbootoorlog in de naoorlogse populaire cultuur.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen