Deel dit artikel

van den vos reynaerde, het dertiende-eeuwse verhaal over de vos reynaert die de dieren aan het hof van koning nobel te slim af is, is overbekend bij lezers in vlaanderen en nederland. je hoeft absoluut geen specialist te zijn in de studie van de middelnederlandse literatuur om deze klassieker te kennen en ervan te genieten. frits van oostrom onderzoekt wat van deze tekst precies zo’n meesterwerk maakt dat telkens weer nieuwe generaties aanspreekt. in zijn ambitieuze boek verbindt hij tekstinterpretatie met vak- en receptiegeschiedenis, het geheel gekruid met persoonlijke herinneringen. zijn studie vormt daardoor een uitnodiging om te reflecteren over de verwevenheid van werk en leven van de onderzoeker.

Hoofd en hart: het middeleeuwse meesterwerk en de geleerde liefhebber

An Faems 

‘Voor de ware wetenschappers is hun werk niet slechts wat ze doen, maar wat ze zijn.’ Aldus Frits van Oostrom over enkele van zijn leermeesters aan de Universiteit Utrecht, waar hij in de jaren 1970 Nederlandse taal- en letterkunde studeerde. Hij bewondert niet alleen hun persoonlijkheid, maar ook de vakkennis en het enthousiasme waarmee zij hun vak beoefenden en hun studenten daarbij betrokken.

Dat vak is de medioneerlandistiek, de studie van de Middelnederlandse literatuur, door Van Oostrom ervaren als ‘fysica voor alfa’s’, vanwege het ambachtelijke en proefondervindelijke karakter: van het ontcijferen van het schrift, het proberen te begrijpen van de woorden, het vergelijken van de verschillende versies van een tekst die in handschriften is overgeleverd tot het aanleggen van fiches om de secundaire literatuur de baas te blijven. De passie van de leermeesters is besmettelijk – en blijvend. Ruim vijftig jaar later stelt Van Oostrom vast: ‘Ik heb mijn leven lang gehouden van de Middelnederlandse letterkunde, maar net zoveel van wat het is om medioneerlandicus te zijn’.

Op 12 mei 2023, enkele dagen voor zijn zeventigste verjaardag, nam Van Oostrom afscheid van de Universiteit Utrecht. Op dezelfde dag verscheen zijn boek De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk. In dat monumentale boek verweeft hij een interpretatie van Van den vos Reynaerde, het onbetwiste meesterwerk van de Middelnederlandse literatuur, met verhalen over de belangrijkste vossenjagers, zoals de onderzoekers en liefhebbers worden genoemd die zich met de tekst hebben beziggehouden. Hij beschrijft hoe de tekst in steeds nieuwe versies doorleeft en vermengt dat alles met persoonlijke herinneringen.

Onderzoekers en liefhebbers van het verhaal worden vossenjagers genoemd

Een nieuw boek van een van de grootste namen uit het vakgebied is een mijlpaal, werk dat je móét lezen. In dit geval niet zozeer om de nieuwe inzichten, want die vat Van Oostrom zelf samen op amper één bladzijde. Wel om het onderwerp: Reynaert is een personage dat veel mensen kennen, dat tot de verbeelding spreekt of zelfs sympathie opwekt. Ontelbare leerlingen in Vlaanderen en Nederland hebben op school kennisgemaakt met Van den vos Reynaerde. De tekst scoort hoog in canonlijstjes en er bestaan talloze vertalingen, bewerkingen en actualiseringen van het verhaal.

Het is wellicht de bekendste tekst uit de Middelnederlandse literatuur, ook bij wie niet in dat vakgebied thuis is. Van Oostrom: ‘Men hoeft in de verste verte geen medioneerlandicus te zijn om van de Reynaert te genieten.’ Van den vos Reynaerde wordt als tijdloos ervaren. Zowel kenners als liefhebbers zijn lovend over de kwaliteit van de tekst, en buitenlandse onderzoekers roemen de Middelnederlandse versie zelfs als superieur in vergelijking met Reynaertverhalen in andere talen.

Van den vos Reynaerde is het verhaal van een proces tegen de vos. Reynaert wordt gedagvaard na aanklachten door verschillende dieren tijdens een hofdag van koning Nobel. Pogingen van Bruun de beer en Tybeert de kater om Reynaert naar het hof te brengen mislukken, maar Grimbeert de das slaagt er wel in. Aan het hof wordt Reynaert tot de strop veroordeeld, maar in een ultieme en meesterlijk uitgewerkte list misleidt hij het koningspaar. De vos ontspringt de dans, maar pas nadat enkele dieren gruwelijk toegetakeld worden en aan het licht komt hoezeer hij het koningspaar bedrogen heeft.

Van Oostrom behandelt de vele facetten van Van den vos Reynaerde. Zo schrijft hij over de humor en de stijl, de levendige dialogen, de structuur, de wreedheid en de listen van de vos, de ambivalentie van het hoofdpersonage, de scherpte en diepgang van de tekst. Maar ook de context van de rechtspraak komt aan bod, net als de tekstoverlevering, de relatie tot de Oudfranse Roman de Renart, en vooral de afwijkingen van die bron. In het tweede deel gaat de Middelnederlandse tekst immers zijn eigen weg, met als resultaat een tekst die langer is dan het Oudfranse voorbeeld, maatschappijkritischer en gewaagder.

De Middelnederlandse tekst is langer, maatschappijkritischer en gewaagder dan het Oudfranse voorbeeld

Opvallend zijn de gelaagdheid en openheid van Van den vos Reynaerde, waardoor de tekst uiteenlopende interpretaties toelaat. Van Oostrom schetst een uitgebreid profiel van de auteur, die ook nu niet verder geïdentificeerd kan worden, en die hij dan maar typeert als ‘Willem die de Reynaert maakte’.

De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk biedt daarmee een eigenzinnige samenvatting van ruim twee eeuwen vakliteratuur. Sinds de ontdekking rond 1800 van een handschrift met de tekst van Van den vos Reynaerde is er een onoverzichtelijke hoeveelheid studies verschenen. Van Oostrom vergelijkt die met ‘een uitpuilend sleepnet, barstensvol geleerdheid, dat vrijwel niemand nog op de schouder durft te nemen’. Het heeft hem vijf jaar werk gekost, maar hij hoopt met dit boek nieuwe generaties onderzoekers te helpen om er hun weg in te vinden.

Het resultaat van geleerdheid is De Reynaert. Leven met een meesterwerk zonder enige twijfel. Tegelijk is het een heel persoonlijk boek, waarin de wetenschapper Van Oostrom niet alleen wil laten zien wat hij doet, maar ook wie hij is. Zo gebruikt hij voor het eerst in zijn carrière de eerste persoon in een studie. Hier en daar krijgt het boek de allure van memoires, waarbij hij niet alleen herinneringen ophaalt aan zijn studententijd en zijn leermeesters, maar ook aan zijn kindertijd en zijn ouders. Die aanpak verrast en stimuleert tegelijk reflectie over de mogelijke impact van de persoonlijkheid van de onderzoeker. Hoe aanwezig mag die zijn in zijn werk?

Naast de verwijzingen naar zijn eigen leven is ook Van Oostroms interpretatie van Van den vos Reynaerde persoonlijk: meer dan 100 bladzijden trekt hij uit voor een inspirerende lectuur van dit werk van nog geen 3500 verzen. Het is zeldzaam dat iemand zo uitvoerig een visie ontvouwt, vers na vers, passage na passage, resulterend in een coherente en meeslepende lezing. Die blijft, hoewel onderbouwd, toch particulier.

De uitgesproken wreedheid van de vos en Reynaerts vele listen worden hier beklemtoond, al typeert Van Oostrom hem uiteindelijk als een ambigue held, die zich beweegt in het schemergebied tussen goed en kwaad. Net deze dubbelzinnigheid heeft al tot sterk verschillende interpretaties geleid. Zo zien sommigen de vos als een negatiever of net positiever personage of leggen andere onderzoekers meer nadruk op hoezeer de tekst je ondanks alles laat lachen. Van Oostroms gedetailleerde interpretatie vestigt de aandacht op het samenspel tussen wetenschappelijke argumentatie en persoonlijke inschatting bij dit soort tekstanalyse.

Van Oostrom typeert Reynaert als een ambigue held in het schemergebied tussen goed en kwaad

De tekstinterpretatie gaat niet toevallig gepaard met een nieuwe editie van de tekst, als bijlage bij het boek: nadenken over Van den vos Reynaerde heeft tot een nieuwe visie geleid op hoe de tekst er kan hebben uitgezien. Het originele is immers niet overgeleverd, wel drie handschriften met een complete versie van de tekst, fragmenten, een Latijnse vertaling en latere drukken, wat vele onderlinge varianten oplevert.

Samen met Ingrid Biesheuvel heeft Van Oostrom uit de bekende versies van de tekst op elke plaats de ‘beste’ gekozen. Het resultaat is subjectief, eclectisch en soms betwistbaar, maar wel verfrissend. De tekst die de lezer meende te kennen – uit andere edities, gewoonlijk hoofdzakelijk gebaseerd op één handschrift – klinkt plots anders. Zo wordt Reynaert bij het begin van de tekst getypeerd als den fellen metten roden baerde (v. 60), de booswicht met de rode baard. Althans in deze editie, want de meeste oudere edities kiezen voor den fellen metten grijsen baerde, zoals in het handschrift staat dat gewoonlijk als grondslag voor een editie wordt gekozen. Biesheuvel en Van Oostrom baseren zich op hetzelfde handschrift, maar geven de vos een andere baardkleur, omdat dat passender is en omdat een ander handschrift op deze plaats wel de variant roden heeft.

Deze en vele andere kleine aanpassingen doen nieuwe nuances oplichten en maken tegelijkertijd tastbaar dat in een middeleeuwse context ‘de tekst’ niet bestaat. Omdat we altijd met handgeschreven afschriften te maken hebben die fouten kunnen bevatten, bewust of onbewust aangebrachte onderlinge verschillen, is de tekst vlottend.

Telkens weer en op verschillende manieren zoekt Van Oostrom in dit boek de combinatie op van ‘hoofd en hart’, de balans tussen ‘geleerdheid en genieten’. De basis blijft een wetenschappelijke benadering, maar die wordt aangevuld met een grote persoonlijke betrokkenheid, met de flair en de intuïtie van vijf decennia ervaring.

De wetenschappelijke benadering wordt aangevuld met de flair en intuïtie van vijf decennia ervaring

Deze interactie tussen verstand en gevoel is complex, zowel voor de literatuurhistoricus als voor de lezer. Van Oostrom noemt het evenwicht tussen beide ‘vermoedelijk de grootste uitdaging waar dit soort wetenschap voor staat’. Hijzelf gaat er in dit boek voluit voor. Het resultaat is hybride: is het een klassieke studie, zijn het memoires, is het een essay, is het literaire non-fictie? Is het dat alles tegelijk of niets ervan?

‘Schrijvers en literatuurhistorici staan dichter bij elkaar dan ze vaak denken’, volgens Van Oostrom. Die visie brengt hij hier in de praktijk. Bij lezers klinkt naast bewondering soms ook wat voorbehoud: voor sommigen is De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk te persoonlijk en gaat het boek te veel over Van Oostrom zelf. Het experiment is duidelijk risicovol, maar daardoor ook spannend. Al is het de vraag of brede navolging van deze aanpak wenselijk is.

De persoonlijke betrokkenheid beperkt zich niet tot de schrijver of onderzoeker. Vanaf de eerste bladzijden is Van Oostroms boek immers ook een eerbetoon aan lesgevers: niet alleen zijn eigen leermeesters, maar ook de vele onderwijzers die kinderen via Van den vos Reynaerde en hervertellingen hebben laten kennismaken met middeleeuwse literatuur en met het beroemde personage van Reynaert.

Van Oostroms aandacht voor onderwijzers in dit boek sluit aan bij zijn visie op onderwijs in het algemeen en academisch onderwijs in het bijzonder. Meer dan eens heeft hij in de loop van zijn carrière een lans gebroken voor de charismatische lesgever, de docent die niet alleen kennis overdraagt, maar de studenten ook inspireert en zelfs als een rolmodel fungeert.

Spraakmakend – en inspirerend – was de rede die hij in 2015 uitsprak naar aanleiding van het 379-jarige bestaan van de Universiteit Utrecht, onder de titel ‘Onderwijs als gesprek’. Daarin trok hij een lijn van Socrates en Jezus over de interactie tussen leermeester en pupil in de middeleeuwse gilden naar de moderne universiteit, waar conversatie volgens hem centraal zou moeten staan. Met een cruciale rol voor de docenten, want ‘our most intense memories of our education are nearly always of a teacher, not a textbook’.

Net als die charismatische lesgevers wil ook Van Oostrom zijn liefde voor zijn vak delen met zoveel mogelijk mensen. Al in 1996 schreef hij Maerlants wereld over de bijzonder productieve en gedreven dertiende-eeuwse auteur Jacob van Maerlant en diens werk. Dat boek, dat werd bekroond met de AKO Literatuurprijs, betekende Van Oostroms doorbraak bij een breed publiek.

Van Oostrom is een van de medioneerlandici die hun vakgebied toegankelijk maken voor een groot publiek

Zo is de initiatiefnemer van het grootste onderzoeksprogramma over Middelnederlandse literatuur ooit tegelijk een van de medioneerlandici die er het beste in slagen om hun vakgebied toegankelijk te maken voor een groot publiek. Het onderzoeksprogramma Nederlandse Literatuur en Cultuur in de Middeleeuwen (nlcm), dat liep tussen 1989 en 2002, luidde een bloeiperiode in voor de studie van de Middelnederlandse literatuur. Het heeft onder meer vele proefschriften over de context en functie van (meestal) Middelnederlandse teksten opgeleverd.

Maar ook de voorloper van de op leerlingen en studenten gerichte website literatuurgeschiedenis.org kwam onder Van Oostroms impuls tot stand. Daarnaast is hij de auteur van twee indrukwekkende delen van de Geschiedenis van de Nederlandse literatuur: Stemmen op schrift (2006) en Wereld in woorden (2013), boeken waarin hij zijn verwondering en liefde voor het vak en de Middelnederlandse literatuur deelt. Sinds Maerlants wereld heeft Van Oostrom zich vooral geprofileerd als een schrijver van (dikke) boeken, veeleer dan van wetenschappelijke artikels. Dat is een opmerkelijke keuze voor een hoogleraar van zijn kaliber.

Met De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk plaatst Van Oostrom zichzelf in een traditie van liefhebbers en geleerden die zich vaak bijzonder diepgaand of zelfs ronduit fanatiek met de tekst hebben beziggehouden. Want niet alleen zijn verhalen over de vos universeel en worden ze al eeuwen, zelfs millennia gelezen, de Middelnederlandse versie wordt daarnaast ook al meer dan twee eeuwen bestudeerd. Van alle Middelnederlandse teksten is Van den vos Reynaerde zonder twijfel de tekst die de meeste amateurs tot onderzoek heeft aangezet en ook deze vossenjagers krijgen vanzelfsprekend hun plaats in het verhaal.

Als dwergen op de schouders van reuzen: we kennen het beeld uit het werk van de twaalfde-eeuwse filosoof Johannes van Salisbury, die de uitspraak toeschrijft aan zijn leermeester Bernardus van Chartres. Het is niet de scherpte van onze eigen blik of de lengte van ons lichaam die ons – dwergen – toelaat meer en verder te zien dan de reuzen die ons op hun schouders dragen, maar het zijn zij – de reuzen – die ons optillen. Het door en door middeleeuwse beeld verwijst naar de grote invloed van de antieke auteurs op het middeleeuwse denken, maar het is evenzeer van toepassing op de studie van de Reynaert (en misschien wel op alle wetenschappelijk onderzoek). Van Oostrom heeft het grootste respect voor de onderzoekers die hem zijn voorgegaan. Hij schetst niet alleen hun inzichten en verwezenlijkingen, maar portretteert hen ook als mensen, met aandacht voor het sprekende en soms buitenissige detail.

Wetenschap is niet alleen verder kijken dan onze voorgangers, het is ook samenwerken

Wetenschap is niet alleen verder kijken of meer zien dan onze voorgangers, het is ook samenwerken. Reynaertonderzoekers in het verleden werkten vaak in hun eentje, maar het moderne onderzoek heeft net nood aan uitwisseling en samenwerking. In de ervaring van Van Oostrom over zijn beginjaren als onderzoeker: ‘het kampvuur van medioneerlandici, die zo veel groepsgevoel en enthousiasme uitstraalden’. Het typeert het kleine vakgebied van de medioneerlandistiek destijds, maar de uitspraak zet ook aan tot nadenken.

Je wenst elke onderzoeker een omgeving toe waarin die zich thuis voelt en inspiratie vindt, maar soms is het net goed om uitgedaagd te worden, andere oorden op te zoeken en de gezellige warmte van dat kampvuur te verlaten. De discipline is in dat opzicht (net als Van Oostrom zelf trouwens) gelukkig geëvolueerd: ze is onder meer internationaler en explicieter interdisciplinair geworden.

En zo biedt De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk niet alleen informatie over Van den vos Reynaerde en zijn ontstaanscontext. De geleerde liefhebber Frits van Oostrom wil ons ook inspireren: de medioneerlandicus in het bijzonder en de ‘ware wetenschapper’ in het algemeen.

Frits van Oostrom, De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk. Met een nieuwe editie van de Middelnederlandse tekst naar alle bekende bronnen door Ingrid Biesheuvel en Frits van Oostrom. (Amsterdam: Prometheus, 2023).

An Faems is deeltijds verbonden aan KU Leuven. Zij specialiseerde zich in de Middelnederlandse literatuur en publiceerde over Middelnederlandse ridderromans.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen