in de tweede helft van de voorbije eeuw maakte zowat de helft van het huidige aantal landen zich los van een koloniale grootmacht, al bleef de erfenis van het kolonialisme maatschappelijk erg zichtbaar. voor veel voormalige kolonies was dekolonisering geen afgelopen zaak, maar een doorlopend proces, waarbij imperiale machtsstructuren slechts geleidelijk werden afgebouwd. in europa daarentegen was dekolonisering lange tijd onzichtbaar in de maatschappij; pas recent kwam het fenomeen weer onder de aandacht. een van de vormen die dit aannam was de congocommissie die door de belgische kamer werd opgericht in 2020 en die onverklaarbaar gestruikeld is over één enkele aanbeveling.
Dekolonisering en de impact van de Congocommissie
In de nationale en Europese politiek van de laatste jaren nam dekolonisering een prominente plaats in. U herinnert zich ongetwijfeld de herhaalde berichtgeving rond de zogenaamde Congocommissie, of – om haar volledige naam te noemen – de ‘bijzondere commissie belast met het onderzoek naar de Onafhankelijke Congostaat en het koloniale verleden van België in Congo, Rwanda en Burundi, de gevolgen ervan en de te nemen maatregelen’. Deze was goed voor ruim twee jaar parlementair werk, mobiliseerde een indrukwekkend college deskundigen, organiseerde honderden hoorzittingen, liet hordes experten en getuigen de revue passeren en vergde aldus heel wat mensen en middelen. De Congocommissie liep als een rode draad doorheen de legislatuur en met haar dus ook het thema van de dekolonisering. Parlementair werd in de voorbije regeerperiode alleen aan de hernieuwing van het Burgerlijk Wetboek en het Strafwetboek meer gewerkt.
Strikt genomen boog de Congocommissie zich niet over een nieuw fenomeen. Het dekoloniseringsvraagstuk beleefde met de voormelde commissie vanuit Europees oogpunt veeleer een revival. Na de Tweede Wereldoorlog had het topic immers al eens de mondiale politiek beheerst. Dekolonisering veranderde de wereldkaart na 1945 in enkele decennia en wel bijzonder ingrijpend: zowat de helft van het huidige aantal landen riep in die periode de onafhankelijkheid uit door zich los te maken van een koloniale grootmacht.
Na 1945 veranderde dekolonisering de wereldkaart bijzonder ingrijpend
In nagenoeg al die onafhankelijke landen bleef de erfenis van het kolonialisme echter maatschappelijk erg zichtbaar. Zo hielden de meeste voormalige koloniën vast aan hun koloniale grenzen en bleven zij vaak de talen van hun voormalige kolonisatoren gebruiken. Van de 54 Afrikaanse landen hebben maar liefst 23 nog steeds het Engels als officiële taal, 21 het Frans en 6 het Portugees. Bijna overal bleven economische, intellectuele, sociale en religieuze machtsstructuren die de kolonisator ooit introduceerde nog lang na de onafhankelijkheid hun invloed behouden. Anders dan in de westerse beleving was dekolonisering voor veel voormalige kolonies dan ook geen afgelopen zaak, maar veeleer een doorlopend proces waarbij imperiale machtsstructuren in de samenleving slechts geleidelijk werden afgebouwd. Zo kwamen er mettertijd in tal van voormalige kolonies politieke bewegingen gericht op de reorganisatie van het land op etnische gronden in plaats van volgens koloniale grenzen. Een toenemend aantal ex-kolonies is er in de voorbije decennia in geslaagd de band met de hoogste politieke of juridische instellingen uit het voormalige moederland ook echt door te knippen, hoewel die na de onafhankelijkheid in eerste instantie werd behouden. Vele voeren intussen een eigen staatshoofd en/of hoogste gerechtshof. Ook aandacht voor de eigen taal en cultuur zit de laatste jaren in de lift. Zo worden naar het Westen afgevoerde cultuurgoederen recent steeds vaker en luider teruggeëist.
Anders dan in voormalige kolonies, waar dekolonisering als proces in de maatschappij gedurende decennia gewoon aanwezig bleef, maakte het fenomeen in Europa zijn politieke rentree in recente tijden. De precieze oorzaak daarvoor is evenwel niet gemakkelijk te duiden. Ongetwijfeld hadden de truth (and reconciliation) commissions die in de voorbije decennia in nogal wat voormalige kolonies werden ingericht ook in Europa een aantoonbare impact en speelde het activisme van de diaspora in meerdere landen een zekere rol. Voor België was de publicatie van het boek Congo: een geschiedenis, door David van Reybrouck, maatschappelijk van grote betekenis. Ook de herinrichting van het AfricaMuseum tussen 2013 en 2018 speelde zonder twijfel een rol, zeker op cultureel vlak. Internationaal wordt vaak verwezen naar de speech van Emmanuel Macron aan de universiteit van Ouagadougou, waarin hij op 28 november 2017 een andere relatie met Afrika bepleitte. Als ik u vertel dat in ons land in de Kamer van Volksvertegenwoordigers al op 14 februari 2017 een resolutie ter tafel lag strevend naar de oprichting van een onderzoekscommissie omtrent het koloniale verleden (doc 54, 2307/001), begrijpt u dat dekolonisering in de Europese samenleving zeker al eerder aan haar opgang was begonnen. Het grote wetenschappelijke reveil kwam er in november 2018 met de publicatie van het fameuze rapport van Felwine Sarr en Bénédicte Savoy (Rapport sur la restitution du patrimoine culturel africain. Vers une nouvelle éthique relationnelle), al gebiedt de eerlijkheid andermaal te zeggen dat anderen (bv. Jos van Beurden of Boris Wastiau) ook hier het pad al verregaand hadden geëffend. Het staat echter vast dat het dekoloniseringsvraagstuk sinds het Rapport Sarr-Savoy de onderzoeksagenda in tal van westerse landen is gaan kleuren, mede aangevuurd door protestbewegingen als #BlackLivesMatter of #RhodesMustFall. De Congocommissie kwam dus zeker niet uit het niets toen zij op 17 juli 2020 door de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers werd opgericht.
Het fenomeen maakte pas recent zijn politieke rentree in Europa
De Kamer gelastte de Congocommissie in twee fasen te werken. Eerst zou een tienkoppig multidisciplinair team van Belgische, Congolese, Rwandese en Burundese experten ermee worden belast een eerste historisch verslag op te stellen over het Belgische koloniale verleden, wat betreft zowel Congo-Vrijstaat als Belgisch Congo, Rwanda en Burundi. Dat rapport was bedoeld om de staat van het wetenschappelijk onderzoek aangaande deze materie weer te geven. Tevens moest het ingaan op de beschikbaarheid en toegankelijkheid van alle voor dat onderzoek relevante archieven. Het expertenteam moest kennislacunes identificeren en in functie daarvan suggesties formuleren voor verder onderzoek of voor hoorzittingen binnen de eigenlijke Congocommissie. Daarnaast onderzocht het de aanwezigheid van het thema in het onderwijs van de drie Gemeenschappen. Tot slot werd ook een overzicht ingewacht van symbolische en andere verzoenende acties die ons land en andere landen met betrekking tot hun koloniaal of ander beladen verleden hebben gevoerd. De expertengroep ging van start op 4 augustus 2020, vergaderde wekelijks en had ontmoetingen met vertegenwoordigers van de diaspora, alsook met gespecialiseerde academici uit binnen- en buitenland. Reeds in mei 2021 voltooide de deskundigengroep een indrukwekkend verslag van nagenoeg 700 pagina’s. Het werd in het najaar van 2021 aan de Kamer voorgelegd en geldt sindsdien als een absoluut referentiedocument inzake kennis over het koloniale verleden van ons land.
Na deze eerste fase kwam de eigenlijke Congocommissie aan zet. Deze telde 17 vaste leden en evenveel plaatsvervangers, aangewezen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers onder haar leden, en dit met respect voor de regels inzake de evenredige vertegenwoordiging van de politieke fracties. De Congocommissie was dus een commissie van politici, waarvan de samenstelling de partijen die in het Belgische parlement vertegenwoordigd zijn weerspiegelde. Bij haar oprichting kreeg ze een zesdelige taak toebedeeld. Vooreerst moest ze klaarheid verschaffen over Congo-Vrijstaat (1885-1908) en over het Belgische koloniale verleden in Congo (1908-1960), Rwanda en Burundi (1919-1962), en hieruit lessen trekken voor de toekomst. Ten tweede diende ze de rol en de structurele impact te onderzoeken die de Belgische Staat, de Belgische autoriteiten en niet-statelijke actoren (zoals bijvoorbeeld de monarchie, de Kerk en de exploitanten van koloniale economieën) hebben gehad op de koloniale onderneming van ons land. Ten derde moest de Congocommissie de economische impact van de kolonisatie op België en op de gekoloniseerde landen onderzoeken. Ten vierde werden aanbevelingen van haar verwacht over hoe om te gaan met het Belgische koloniale verleden in Afrika. Daarnaast werd de commissie er in het oprichtingsbesluit mee belast voorstellen uit te werken voor verzoening tussen Belgen onderling, alsook tussen Belgen en mensen uit de voormalige kolonies. Tot slot werden ook aanbevelingen verwacht over de vraag hoe verder academisch onderzoek naar het (post)kolonialisme zou kunnen worden gestimuleerd/gefaciliteerd en hoe onze collectieve geschiedenis zou kunnen worden gered of beter zou kunnen worden beschermd.
Met de eindmeet in zicht kwam de Congocommissie eind november 2022 tot stilstand
Tussen december 2021 en oktober 2022 organiseerde de Congocommissie rond diverse thema’s luistersessies en hoorzittingen met tal van experten, mezelf incluis. Tevens bezocht een deel van de commissieleden tussen 31 augustus en 10 september 2022 Burundi, Congo en Rwanda, waar ze meer dan 140 mensen interviewden. Met de eindmeet in zicht kwam de Congocommissie eind november 2022 evenwel tot stilstand. Nochtans lag er een eindrapport waarover consensus bestond ter tafel, met daarin verwerkt al die wetenschappelijke input, al die getuigenissen van experten en burgers uit België en de voormalige kolonies. Het venijn zat kennelijk in de staart, want de boel blokkeerde slechts op de te formuleren beleidsaanbevelingen.
Na de nodige politieke deining over de vraag of de Kamer van Volksvertegenwoordigers zich wel of niet moest verontschuldigen jegens het Congolese, Rwandese en Burundese volk voor het koloniale verleden, viel in de laatste decemberdagen van 2022 definitief het doek over de Congocommissie. De olifant had een muis gebaard, of zelfs helemaal niets gebaard, want aanbeveling 69 inzake excuses bleek een onneembare horde. Immers, excuses ‘voor de koloniale overheersing en de uitbuiting, het geweld en de gruweldaden, de individuele en collectieve mensenrechtenschendingen tijdens die periode, en het racisme en de discriminatie die ermee gepaard gingen’ waren een must voor links, doch algeheel onverteerbaar voor politiek-rechts. Bij gebrek aan een akkoord over die aanbeveling was er ook geen akkoord over het geheel, en zo verdwenen ruim twee jaar onderzoek, een eindrapport waarover consensus bestond, en talloze getuigenissen, maanden van commissiezittingen en dus ook alle 128 aanbevelingen in de lades van de federale parlementsleden. Al dat werk voor niets. Een bijzonder pijnlijk resultaat, zeker als ik u vertel dat er over 127 van de 128 aanbevelingen naar verluidt wél voldoende eensgezindheid bestond.
Aanbeveling 69 inzake excuses bleek een onneembare horde
Tot op vandaag blijf ik me afvragen waarom aanbeveling 69 zo’n ongeziene weerstand opriep. Enkele maanden eerder had koning Filip in een toespraak voor het Congolese parlement immers al zijn ‘diepste spijt’ betuigd voor de wandaden uit het verleden, iets wat hij twee jaar eerder ook al in een brief aan president Tshisekedi neerschreef. Wat onderscheidt een spijtbetuiging van een verontschuldiging? Volgens de gespecialiseerde literatuur ter zake behelst een verontschuldiging tegelijk een fouterkenning én een uiting van spijt of medeleven. Een handvol auteurs voegen daar nog twee elementen aan toe en lezen in een verontschuldiging meteen ook een aanbod tot herstel en het engagement om zich voortaan anders te gedragen. De partijen die aanbeveling 69 (met daarin excuses aan het Congolese, Burundese en Rwandese volk) absoluut onaanvaardbaar vonden, gaven unisono aan een dergelijke woordkeuze af te wijzen uit vrees dat actiegroepen op basis daarvan alsnog met succes de Belgische staat zouden kunnen dagvaarden en schadevergoeding zouden kunnen eisen.
Het is jammer of zelfs buitengewoon pijnlijk dat de Congocommissie op grond van dergelijke argumentatie niet eensgezind kon landen. Naar mijn oordeel was dat risico op financiële aansprakelijkheid immers eenvoudigweg onbestaande, niet zozeer omdat rechters in de praktijk bij de toepassing van juridische theorieën nooit minderheidsinterpretaties besluiten te volgen, maar vooral omdat de precieze draagwijdte van de te uiten verontschuldigingen glashelder uit de tekst van de aanbevelingen mag blijken. Zo staat immers letterlijk te lezen dat excuses door de diverse Belgische overheden geen juridische aansprakelijkheid impliceren en dat zij daarom geen aanleiding geven tot herstelbetalingen. Alleen symbolisch herstel is volgens aanbeveling 69 aan de orde. Het eindrapport had trouwens eerder al het conceptuele onderscheid benadrukt tussen een verontschuldiging en een uitdrukkelijke erkenning (met terugwerkende kracht) van juridische aansprakelijkheid. Dat onderscheid had de Nederlandse regering kennelijk wél goed begrepen toen ze zich op 19 december 2022 verontschuldigde voor het Nederlandse slavernijverleden, en dit zonder nadien ook maar enigszins gehouden te zijn tot aansprakelijkheid of herstelbetalingen. Precies op diezelfde dag strandde onze Congocommissie, zonder eendracht, zonder akkoord, zelfs zonder stemming over de aanbevelingen. Het contrast met Nederland kon niet groter zijn…
Precies op de dag van de Nederlandse excuses strandde onze eigen Congocommissie
Parlementair lijkt het zelfs alsof er geen Congocommissie heeft plaatsgevonden. Op de website van de Kamer is het vruchteloos zoeken naar het officiële eindrapport van de Congocommissie, met daarin de resultaten van de hoorzittingen en de rapporten en conclusies van de aangestelde wetenschappers. Hoogst frustrerend, maar constitutioneel begrijpelijk, want om officieel te kunnen worden ontsloten moet een parlementair document worden goedgekeurd binnen de commissie. En laat dat laatste nu niet zijn gebeurd als gevolg van een onverzoenbare tegenstelling over één enkele aanbeveling. Bijgevolg gingen alle teksten van de Congocommissie met de verkiezingen van 9 juni 2024 onherroepelijk de dieperik in, zonder dat er nog gebruik van kan worden gemaakt in toekomstige werkzaamheden, politieke of andere. Dat is erg jammer, want de Congocommissie heeft wel degelijk gefunctioneerd en een schat aan kennis en expertise samengebracht. Precies daarom verdient de maatschappij een verslag, ook al is er over de aanbevelingen geen politiek akkoord.
In weerwil van al het voorgaande, en dus het échec van de Congocommissie ten spijt, blijf ik ondanks alles naar de afgelopen legislatuur verwijzen als ‘de legislatuur van de dekolonisatie’. Maatschappelijk leeft het thema immers meer dan ooit en ook werden in de schaduw van de Congocommissie concrete juridische resultaten bereikt. Dat is onder meer te danken aan Thomas Dermine, de Staatssecretaris voor Wetenschapsbeleid en aldus verantwoordelijk voor de collecties van de federale wetenschappelijke instellingen. Dermine had het politieke inzicht om vooruitlopend op de commissiewerkzaamheden al in het voorjaar van 2022 met een initiatief te komen om het federale parlement restitutiewetgeving voor cultuurgoederen te laten aannemen. Voor deze kwestie besloot hij de aanbevelingen van de Congocommissie niet af te wachten. Toegegeven, de actie van de staatssecretaris (en vooral de timing ervan) kwam voor velen voortvarend en eigengereid over, maar de geschiedenis bewees zijn grote gelijk. Terwijl de Congocommissie op niets uitdraaide, kan Dermine wel restitutiewetgeving op zijn conto schrijven waarmee voor onze museumcollecties van koloniale oorsprong een belangrijke stap werd gezet.
De Belgische restitutiewet is een mijlpaal: ze is de eerste in haar soort
De wet van 3 juli 2022 is een spraakmakend stukje wetgeving waarvan de officiële titel als volgt luidt: ‘Wet tot erkenning van de vervreemdbaarheid van de goederen die verband houden met het koloniale verleden van de Belgische Staat en tot vaststelling van een juridisch kader voor hun restitutie en teruggave’. Door het fiasco van de Congocommissie enkele maanden later kreeg de Belgische restitutiewet helaas niet de aandacht die ze verdiende. Ze vormt nochtans een mijlpaal, want ze is de eerste in haar soort. Wie haar vanuit internationaal perspectief bekijkt, zal begrijpen dat het om daadwerkelijk pionierswerk gaat. Met de restitutiewet van juli 2022 schreven we als land immers geschiedenis door als eerste ter wereld in het parlement wetgeving aan te nemen die een grootschalige teruggave van erfgoedcollecties van koloniale oorsprong mogelijk maakt. Het wettelijke kader is er; het zal aan de volgende regering zijn om werk te maken van de eigenlijke restituties.
Eind 2021 kwam ook de uitspraak in de zogenaamde Metissenzaak. Metissen zijn kinderen van een Afrikaanse moeder en een Belgische koloniale vader die geboren zijn in de jaren ’40 en ’50 in Belgisch Congo, Rwanda of Burundi. Omdat de Belgische staat Afrikaanse vrouwen ongeschikt vond om een kind van deels Europese afkomst op te voeden, werden deze kinderen weggeplukt om in België in weeshuizen of in pleeggezinnen te worden ondergebracht, zonder te weten wie hun echte familie is. Hun geboorteakten werden vervalst, vertoonden lacunes of werden verworpen door de Belgische overheid. Daardoor hebben velen tot op vandaag nog steeds geen geboorteakte, wat resulteert in tal van administratieve problemen. In de Metissenzaak moest de Belgische staat zich voor de eerste keer juridisch verantwoorden voor zijn beleid van koloniale segregatie. Hoewel in deze pilootzaak over koloniaal onrecht geen schadevergoeding werd toegekend (zie Rb. Brussel (Fr.), 8 december 2021, A/20/4655/A, NjW 2022, afl. 463, 469), pikte de regering-De Croo de kwestie toch verder op om na decennia van discriminatie eindelijk in geboorteaktes te voorzien.
Los van deze juridische ontwikkelingen kan men vandaag niet anders dan besluiten dat het dekolonisatiestreven in toenemende mate ook de brede maatschappij beroert. Dat is zeker zo aan de Vlaamse universiteiten die stuk voor stuk – op eigen houtje of binnen het samenwerkingsverband van de vlir – beleidsinitiatieven in die zin hebben genomen. Aan KU Leuven zal de herfst van 2024, 70 jaar na de stichting in Leopoldstad van de Congolese zusteruniversiteit Lovanium, verregaand in het teken staan van dekolonisering, ook zonder goedgekeurd eindrapport van de Congocommissie.
Bert Demarsin is hoogleraar aan de faculteit Rechtsgeleerdheid en Criminologische Wetenschappen van KU Leuven, waar hij onder meer erfgoedrecht doceert. Sinds 2022 is hij directeur van de Dienst Academisch en Historisch Patrimonium, belast met het beheer van de erfgoedcollecties van de Leuvense universiteit.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License