De Nobelprijs Economie ligt onder vuur. Critici stellen dat economie geen echte wetenschap is en dat de prijs een misleidende autoriteit verleent aan een discipline die vaak ideologisch gemotiveerd is. Sommigen pleiten zelfs voor afschaffing. Valt de prijs alsnog te rechtvaardigen, en zo ja, hoe?
De Nobelprijs Economie: afschaffen of opwaarderen?
Onder economen kijken we ieder jaar met spanning uit naar de uitreiking van ‘onze’ Nobelprijs. We stellen lijstjes op met mogelijke winnaars en sluiten weddenschappen af over de aankomende laureaat. Ook al valt de uitreiking voor onze prijs de maandag na de bekendmaking van de gerenommeerde vredesprijs, toch is de prijs voor economie voor ons, licht zelfvoldane economen, het ware hoogtepunt van de Nobelweek. In ons enthousiasme gaan wij, economenvolk, zo vlot voorbij aan het feit dat onze prijs geen ‘echte’ Nobelprijs is: hij werd immers slechts post factum toegevoegd aan Alfred Nobels oorspronkelijke selectie van wetenschappen, en nog wel door de Zweedse centrale bank – een instituut hoofdzakelijk bevolkt door, jawel, economen.
Bovendien contrasteert de ‘Prijs voor economische wetenschap van de Zweedse Rijksbank ter nagedachtenis aan Alfred Nobel,’ zoals het ding volmondig heet, nogal sterk met de oorspronkelijke wetenschappelijke disciplines met een Nobelprijs: fysica, chemie, en fysiologie en geneeskunde. In vergelijking met deze natuurwetenschappen valt economie als sociale wetenschap nog meer uit de toon.
Tot slot, en hier riskeer ik me echt als nestbevuiler te profileren, is er zelfs onder economen vaak geen consensus of de geselecteerde laureaten al dan niet terechte winnaars zijn. Binnen ons vakgebied verliezen we ons immers al te vaak in stammentwisten, bijvoorbeeld tussen subdisciplines zoals theorie versus empirie of micro versus macro. Erger zelfs, binnen meerdere subdisciplines is de onderliggende grond voor onenigheid ook vaak ideologisch van aard. Dat ideologie inderdaad de economische bevindingen van onderzoekers sterk beïnvloedt, is in 2024 trouwens empirisch aangetoond door Zubin Jelveh, Bruce Kogut en Suresh Naidu. Als zelfs economen het onderling niet eens raken over de criteria voor wetenschappelijke excellentie, schaffen we die Nobelprijs Economie dan niet beter gewoon af?
Dat is alvast het standpunt van Wouter Rykbosch zoals hij uiteenzet in De Standaard van 16 oktober 2024 naar aanleiding van de prijs voor Daron Acemoglu, Simon Johnson en James Robinson (kortweg AJR) voor hun analyse van de vorming van instituties en de impact van die instituties op de economie. Samen met vele anderen zijn Rykbosch en ikzelf het eens dat het verzameld werk van AJR indrukwekkend en invloedrijk is. Bovendien focust hun oeuvre op de belangrijkste vraag in de economie: welke factoren bepalen of een land ontwikkelt en daardoor zijn inwoners uit de armoede kan tillen en een fatsoenlijke levensstandaard kan verzekeren? Na decennia theoretiseren over economische groei, is er op dit vlak wel degelijk grote consensus in ons vakgebied. Economische groei wordt op lange termijn niet bepaald door klassieke economische variabelen zoals kapitaalinvesteringen of efficiënte aanwending van productiemiddelen, maar hangt ultiem af van de politieke en sociale instituties die de hele samenleving vormgeven. Die consensus is mede te danken aan het werk van AJR.
Duurzame groei vergt inclusieve instituties
Volgens AJR staat of valt duurzame economische groei met de aanwezigheid van ‘inclusieve’ instituties, gedefinieerd als instituties die de eigendomsrechten van de bevolking respecteren en haar brede inspraak geven in de politieke besluitvorming. Dit staat in tegenstelling tot ‘extractieve’ instituties die enkel ten dienste staan van een kleine elite: een dictator en zijn dynastie, of een selecte groep oligarchen. De invloed en het belang van deze stellingname vallen daarom moeilijk te onderschatten, zeker in tijden waarin westerse democratieën actief ondermijnd worden, en dan nog precies door een bijzonder selecte elite – in casu oligarchen van al dan niet Russische of Amerikaanse origine.
Het werk van AJR heeft absoluut zijn plaats binnen de canon van de economie. Toch vallen er terechte, wetenschappelijke kanttekeningen te plaatsen bij AJR’s selectie als Nobellaureaten. Vooreerst haalt Wouter Rykbosch aan dat AJR’s theorie de recente groei van China niet kan verklaren. China heeft namelijk notoir geen democratische instellingen. Niettemin heeft haar economie de voorbije decennia een ongeziene groei doorgemaakt die een van de meest opzienbarende armoedereducties ooit heeft opgeleverd. Of dit de theorie van AJR al dan niet onderuithaalt, daarover valt te redetwisten. Zij theoretiseren immers over duurzame groei op de zeer lange termijn, terwijl het Chinese groeimirakel vanuit historisch perspectief relatief jong is. Of autocratische regimes ook op die lange termijn een welvarende samenleving kunnen waarborgen, zal de toekomst moeten uitwijzen.
Mijns inziens heeft de analyse van AJR een fundamentelere tekortkoming, namelijk in de empirische onderbouwing van hun theoretische argumenten. Immers, ‘Theory will only take you so far,’ zoals de film Oppenheimer ons in herinnering brengt. Met andere woorden, zonder solide empirisch bewijs blijft de relevantie van een theorie beperkt. Om deze tekortkoming van AJR beter te begrijpen, moeten we eerst de rol van de ‘credibiliteitsrevolutie’ in de economische wetenschap onder de loep nemen.
De credibiliteitsrevolutie heeft het gebrek aan geloofwaardigheid van empirisch onderzoek binnen de economie een halt toegeroepen
Vier decennia geleden hield de econoom Ed Leamer een pleidooi met als titel Let’s Take the Con Out of Econometrics, en wel omdat ‘bijna niemand data-analyse serieus neemt. Of beter gezegd, bijna niemand neemt andermans data-analyse serieus.’ De empirische patronen die economen presenteerden in hun analyses werden niet ernstig genomen omdat onderzoekers te veel vrijheid namen in hun zoektocht naar econometrische specificaties en enkel bevindingen rapporteerden die overeenkwamen met hun eigen stelling. Welnu, de credibiliteitsrevolutie heeft dit gebrek aan geloofwaardigheid van empirisch onderzoek binnen de economie een halt toegeroepen , precies omdat ze sterk de nadruk legt op hogere standaarden voor empirische argumentatie.
De grondleggers van de credibiliteitsrevolutie, zoals de latere Nobelprijswinnaar David Card en zijn collega Alan Krueger, vonden hun inspiratie voor die omwenteling in de medische wetenschap. Wanneer die wetenschap wil vaststellen wat de precieze werking is van een medicijn, zet ze een zorgvuldig omlijnd experiment op. Daarbij worden participanten op toevallige basis toegewezen aan een controle- of interventiegroep, waarbij de wetten van de statistiek vervolgens nauwkeurige inferentie mogelijk maken over de impact van het medicijn. De intentie van Card en Krueger was dat de economische wetenschap dezelfde rigoureuze standaarden zou hanteren als de medische in het meten van causale relaties. Laat de data spreken in plaats van de vooringenomenheid van de onderzoeker. Idealiter dient men daarom ook binnen de economie gerandomiseerde experimenten uit te voeren, ofte randomized controlled trials (RCT’s) – althans waar mogelijk. RCT’s gelden sindsdien als de ‘gouden standaard’ voor het analyseren van causale mechanismen.
Natuurlijk zijn er talrijke vraagstukken binnen de economie waarvoor RCT’s onhaalbaar of onwenselijk zijn. Als we bijvoorbeeld de impact van minimumlonen op de Amerikaanse arbeidsmarkt willen bestuderen, is het onrealistisch voor de Amerikaanse regering om die beleidsmaatregel bijvoorbeeld per loterij toe te wijzen aan de helft van de vijftig staten. Zulke belemmeringen staan centraal bij alle sociale wetenschappen. Om deze te overstijgen, hebben economen een stevig arsenaal aan quasi-experimentele technieken ontwikkeld. De kern blijft daarbij dezelfde als in een RCT: een zo zuiver mogelijke vergelijking maken van een controlegroep met een interventiegroep, en op die manier de causale impact van een (beleids)interventie schatten. Alleen wordt de onderverdeling tussen controle- en interventiegroep niet langer gemaakt door de onderzoeker, maar door externe omstandigheden. De uitdaging voor de onderzoeker bestaat er dan in om omstandigheden te vinden waarbij de onderverdeling tussen de twee groepen ‘zo goed als toevallig’ tot stand kwam. Wanneer bijvoorbeeld New Jersey in 1992 het minimumloon verhoogt, vergelijken Card en Krueger fastfoodrestaurants in die staat met gelijkaardige restaurants over de grens in Pennsylvania. Al kunnen de onderzoekers nooit sluitend aantonen dat de vergelijking in dit soort quasi-experiment valide is, toch bestaan er goede testen om die validiteit al dan niet te corroboreren. In het geval van de fastfoodrestaurants kan men bijvoorbeeld nauwkeurig het gedrag van de twee groepen restaurants vergelijken in de periode voor de interventie plaatsvindt.
Hier ligt een belangrijke tekortkoming in de analyse van AJR: de empirie in hun meest invloedrijke en meest geciteerde studie (2001) beantwoordt niet aan de hoge standaarden die we sinds de credibiliteitsrevolutie mogen verwachten . AJR’s analyse steunt op een intrigerende hypothese: dat de initiële, historische mortaliteit van Europese kolonisten bepaalde of men inclusieve dan wel extractieve instituties instelde in de nieuwe koloniën. Plaatsen met hoge kolonistensterfte zouden voornamelijk geëxploiteerd worden, terwijl regio’s met lage sterfte een duurzamere kolonisatie mogelijk maakten, met westerse, inclusieve instituties inbegrepen. Op zijn beurt beïnvloedt die initiële institutionele keuze vandaag nog steeds de huidige levensstandaarden in voormalige koloniën.
Volgens AJR voldoet kolonistensterfte aan de ‘exclusievoorwaarde’: het is een exogene variabele die economische ontwikkeling enkel via instituties beïnvloedt en niet via andere mechanismen. Stoelend op de exclusievoorwaarde, gebruiken AJR dan de correlatie van kolonistensterfte met maatschappelijke instituties om statistische variatie in deze instituties te bekomen die zo goed als toevallig is. Op zijn beurt laat deze variatie toe om de causale impact van instituties op economische ontwikkeling te schatten. Zonder te voldoen aan de exclusievoorwaarde is zo’n schatting onmogelijk.
Lagere mortaliteit leidde niet alleen tot betere instituties, maar maakt een kolonie ook aantrekkelijker om in te leven. Deze levenskwaliteit stond een kolonie toe om meer en beter opgeleide kolonisten aan te trekken, zoals aangetoond door Glaeser en collega’s (2004), wat een alternatieve verklaring biedt voor economische ontwikkeling – een mogelijkheid die AJR niet kunnen uitsluiten. Hierdoor schendt hun empirische strategie de exclusievoorwaarde, en blijft de causale impact van inclusieve instituties onzeker. Het Nobelcomité erkent deze empirische tekortkoming, maar argumenteert dat de correlaties gedocumenteerd door AJR ‘sterk suggestief’ zijn. Sinds de credibiliteitsrevolutie wordt van Nobelprijswinnend werk doorgaans een hogere empirische standaard verwacht.
Sociale wetenschappen behandelen de meest urgente vragen van onze tijd, daarom moeten we de lat voor economie hoger in plaats van lager leggen
In zijn opiniestuk exploiteert Rykbosch de tekortkomingen in het onderzoek van AJR om meteen de hele Nobelprijs Economie in de vuilbak te keilen. Rykbosch hinkelt fluks van kritiek op AJR naar een algeheel relativisme binnen de sociale wetenschappen, waar we ‘het meningsverschil [horen te] vieren in plaats van de ontdekking.’ Ik, daarentegen, stel voor dat we de exact omgekeerde beweging maken. In plaats van de ambitie voor economie te verlagen omdat het ‘slechts’ een sociale wetenschap is, moeten we de lat net hoger leggen omdat sociale wetenschappen de meest urgente vragen van onze tijd behandelen. In plaats van de objectiviteit en geloofwaardigheid van de sociale wetenschappen verder te ondermijnen, kunnen we die dankzij de credibiliteitsrevolutie net versterken. In tegenstelling tot Rykbosch beschouw ik wetenschappelijke objectiviteit hierbij niet als een onaantastbaar nec plus ultra, of als een exclusief voorrecht voor de exacte wetenschappen. Ook die ‘exacte’ wetenschappen is trouwens niets menselijks vreemd. In plaats daarvan concipieer ik objectiviteit als een pragmatische loyauteit aan rigoureuze standaarden en transparante methodes om door een collectief onderzoeksproces tot betere, werkbare inzichten te komen.
Mijn optimisme hierover wordt gewettigd door andere recente Nobelprijzen in de economie. In 2019 ontvingen Abhijit Banerjee, Esther Duflo, en Michael Kremer de prijs voor hun experimentele benadering van mondiale armoedebestrijding. Deze onderzoekers passen RCT’s, de gouden standaard van de credibiliteitsrevolutie, toe om te analyseren welke methoden het beste werken om mensen uit de diepste armoede te tillen. Dit is solide onderzoek, met onmiddellijke, positieve praktische implicaties. Zo ontdekten Kremer en Edward Miguel dat ontwormingstabletten een van de meest kosteneffectieve manieren zijn om armoede te bestrijden, met name in tropische landen met hoge prevalentie van parasitaire wormen. Voor minder dan een halve euro per kind verbetert deze behandeling de gezondheid en latere arbeidsproductiviteit substantieel. Dit inzicht leidde tot tastbare resultaten: bijvoorbeeld de NGO Deworm the World behandelde alleen al in 2023 wereldwijd meer dan 195 miljoen kinderen.
Alfred Nobel concipieerde de Nobelprijzen initieel om erkenning te geven aan wie recent het meest heeft bijgedragen aan het welzijn van de mensheid. De prijs voor Banerjee, Duflo, en Kremer is dan ook een overduidelijke illustratie van hoe economen perfect aanspraak kunnen maken op een Nobelprijs. Uiteraard zijn er vele andere voorbeelden. Als grondleggers van de credibiliteitsrevolutie won de voorgenoemde David Card in 2021 samen met Joshua Angrist en Guido Imbens de prijs. Zij tilden de quasi-experimentele methodologie immers naar een drastisch hoger niveau (Angrist & Imbens) of pasten die toe om de, vaak verrassende, impact van minimumlonen of migratie op de arbeidsmarkt op te helderen (Card). De laureaat in 2023 was dan weer Claudia Goldin, die met transparante analyses de onderliggende factoren van de loonkloof tussen mannen en vrouwen verhelderde. Dit zijn voorbeelden van oerdegelijk empirisch werk over cruciale maatschappelijke thema’s.
Het zijn niet enkel empirische onderzoekers die met recht en rede de Nobelprijs Economie verdienden. Ook theoretici bieden objectieve en maatschappelijk relevante inzichten aan. In 2022 werden Douglas Diamond en Philip Dybvik gelauwerd voor hun modellering van bankruns. Hun theorie toont aan dat banken kwetsbaar zijn voor zichzelf-waarmakende bankruns omdat ze kortetermijnspaargeld omzetten in langetermijninvesteringen, waardoor arbitraire paniek onder spaarders een liquiditeitscrisis kan veroorzaken. Hun inzichten waren cruciaal bij het bestrijden van de financiële crisis in 2008, alsook bij het opstellen van regulering ter preventie van toekomstige crises.
Zie ook George Akerlofs theorie van ’averechtse selectie’, waarbij asymmetrische informatie kan leiden tot marktdesintegratie en die hem de Nobelprijs in 2001 opleverde. In de markt voor zorgverzekeringen weten patiënten bijvoorbeeld meer over hun verwachte zorgbehoeften dan de verzekeraars, wat ertoe leidt dat gezondere patiënten niet bereid zijn zich te verzekeren aan de gemiddelde verzekeringskost. Door deze averechtse selectie wordt private zorgverzekering uiteindelijk nauwelijks betaalbaar voor de minder gezonde patiënten die zich wel willen verzekeren. Dit inzicht staat centraal bij de vormgeving van overheidsinterventie in de gezondheidsverzekering.
De motivatie voor een Nobelprijs Economie ligt dus niet in het argument dat economie al dan niet even ‘exact’ is als fysica of chemie, wat dat ook moge betekenen, of omdat ze haar analyses in wiskundige termen uitdrukt. Neen, wiskundige argumentatie is slechts een hulpmiddel richting objectiviteit, transparantie en interne coherentie. De economische wetenschap verdient daarentegen een Nobelprijs omdat ze in staat is op objectieve wijze maatschappelijk relevante inzichten te verschaffen. Voor empirisch werk ligt deze objectiviteit in de getrouwheid aan en bevordering van de waarden van de credibiliteitsrevolutie. Voor micro-theoretisch werk kunnen we dan weer vereisen dat het baanbrekend, intern coherent, en uiteindelijk empirisch afdoende gevalideerd is. De theorie van averechtse selectie door Akerlof is hiervan een duidelijk voorbeeld.
Voor macro-economisch werk is het moeilijker om strikte criteria van objectiviteit te bepalen, omdat het doel van macro-economie vaak is om situaties te analyseren waar de micro-econometrie van de credibiliteitsrevolutie beperkte toepasbaarheid heeft. Toch boekt ook deze discipline vooruitgang door te vereisen dat alvast de micro-economische voorspellingen van macro-economische modellen overeenkomen met de empirische evidentie. Deze aanpak is echter niet zaligmakend, want een macro-economisch model maakt noodzakelijkerwijs abstractie van een groot deel van de onderleggende micro-economische patronen. Zo niet wordt het model nodeloos complex of zelfs onbegrijpelijk, wat best vermeden wordt omdat modellen dienen om te verhelderen en transparante communicatie te faciliteren. De methodologische Nobelprijzen van de toekomst moeten daarom verduidelijken wat op macro-economisch vlak de standaard hoort te zijn.
Zoals hierboven aangehaald , zijn economische analyses regelmatig ideologisch gemotiveerd. Dit hoeft niet te verwonderen omdat de politieke relevantie van economische analyses vaak substantieel is, en economen, net als iedereen, al eens met een politiek gekleurde bril naar de werkelijkheid kijken. Vanuit dit perspectief is de Nobelprijs echter een instrument om objectiviteit en maatschappelijke relevantie aan te moedigen. Hetzelfde geldt trouwens voor de medische wetenschap, waar niet alle onderzoek aan de criteria van de credibiliteitsrevolutie voldoet, maar het beste onderzoek absoluut Nobelprijswaardig is. Moeten andere sociale wetenschappen dan niet ook in aanmerking komen voor een Nobelprijs, aangezien zij eveneens objectieve en relevante kennis aanbieden? Samen met Paul De Grauwe, in De Morgen van 21/10/24, beaam ik dit volmondig. In tijden van maatschappelijke polarisatie mag de sociale wetenschap zelf het goede voorbeeld geven in het bouwen van bruggen en aandragen van concrete oplossingen en inzichten. Net als AJR pleit ik voor een inclusieve samenleving, en om die te behoeden, moeten we inzichten uit alle sociale wetenschappen opwaarderen. Maar die publieke opwaardering lukt enkel wanneer de geloofwaardigheid, ofte credibiliteit, van die inzichten eerste prioriteit blijft.
Daron Acemoglu, Simon Johnson en James A. Robinson, ‘The Colonial Origins of Comparative Development: An Empirical Investigation’, American Economic Review, 91 (2001), 1369–1401.
Edward Glaeser, Rafael La Porta, Florencio Lopez-de-Silanes en Andrei Shleifer, ‘Do Institutions Cause Growth?’, Journal of Economic Growth, 9 (2004), 271–303.
Zara Jelveh, Bruce Kogut en Suresh Naidu, ‘Political Language in Economics’, The Economic Journal, 134 (2024), 2439–2469.
Simon Galle behaalde een licentie in de Wijsbegeerte aan KU Leuven, vervolledigde een Master in de Economie aan de ULB, om nadien te doctoreren aan UC Berkeley. Hij is momenteel Associate Professor en Associate Dean voor de doctoraatsspecialisatie economie aan BI Norwegian Business School. Zijn onderzoek focust enerzijds op ontwikkelingseconomie, en anderzijds op hoe internationale handel en technologische veranderingen de inkomensverdeling beïnvloeden.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License