Deel dit artikel

In zowel België als Nederland nemen de signalen van stigmatisering, marginalisering en mishandeling van de armsten in onze samenleving toe. Denk aan het in brand steken van een dakloze in Brussel, of aan de toeslagenaffaire in Nederland, waarbij meer dan duizend kinderen werden weggehaald van ouders die onterecht als fraudeur werden bestempeld. Zijn dit op zichzelf staande incidenten of tekenen van een sluipende opmars van aporofobie?

Van armoede-angst tot armenhaat

Ides Nicaise

In 2016 hield de Beweging ATD Vierde Wereld in het Europees Parlement te Brussel een zitting van haar Europese Volksuniversiteit, waar mensen met armoede-ervaring uit heel Europa kwamen pleiten voor een Europese kaderrichtlijn over een gewaarborgd minimuminkomen in de Europese Unie (die kaderrichtlijn is er nota bene nog altijd niet). Bij aankomst in het Zuidstation in Brussel had een militante uit Frankrijk opgemerkt hoe een voorbijganger de rits van zijn gulp opende om te urineren op een dakloze die in de gang tussen het trein- en het metrostation op de grond lag te slapen. We hebben dit incident in het Parlement vermeld als voorbeeld van de publieke vernederingen die mensen in armoede moeten ondergaan.

Het was zeker geen alleenstaand feit: Alina Cortina schreef er een heel boek over onder de indrukwekkende titel Aporophobia: Why We Reject the Poor Instead of Helping Them. Cortina is emerita hoogleraar ethiek en politieke filosofie aan de Universiteit van Valencia. In haar boek verwijst zij onder andere naar een incident waarbij – uitgerekend in de nacht na Kerstdag 2016 – een slapende dakloze in een Berlijns metrostation door een groep jongeren in brand gestoken werd. Een tragedie die zich zelfs nog eens herhaald heeft in het Brusselse Zuidstation in februari 2022.

Cortina publiceerde haar eerste column over aporofobie reeds in 1995. Zij ijvert er al drie decennia voor om de term ingeburgerd te krijgen in de officiële woordenboeken, eerst in Spanje, later ook bij de Britse Royal Academy, op gelijke voet met xenofobie, homofobie en islamofobie. Het woord is samengesteld uit de Griekse termen ‘aporos’ (arm) en ‘phobia’ (vrees, afkeer) en past zo in het rijtje van de fobieën die onze samenleving splijten.

Welgestelde vreemdelingen zijn welkom, de armen niet

De auteur argumenteert ten overvloede dat aporofobie niet samenvalt met xenofobie: er zijn bijvoorbeeld in Spanje jaarlijks tientallen miljoenen buitenlandse toeristen die meer dan welkom zijn omdat zij bijdragen aan de welvaart van het land, terwijl rondtrekkende Romaminderheden er gediscrimineerd en vervolgd worden. De welgestelde vreemdelingen zijn dus welkom, de armen niet. Zo gaat het ook met migranten in de lage landen. Wij omarmen de vele hooggeschoolde migranten die onze hoogtechnologische bedrijven en ons onderzoek komen versterken, terwijl geen enkele gemeente staat te springen om de havelozen en mensen zonder papieren te ontvangen.

Er zijn allerlei gradaties van aporofobie, en ik zou er dan ook voor pleiten om niet te kiezen voor één enkele Nederlandse vertaalterm zoals ‘armenhaat’ (naar analogie met vreemdelingenhaat als vertaling van xenofobie). Het gaat soms om haat maar soms ook niet. De term armoedeaversie lijkt mij de meest neutrale en algemene noemer te zijn voor een breed gamma aan attitudes, variërend van ongemak tot zwaar criminele feiten zoals de bovenvermelde agressie tegen daklozen.

Veel mensen voelen zich erg ongemakkelijk bij de confrontatie met een bedelaar op straat. Gedachten schieten door het hoofd: ‘Is deze persoon te vertrouwen? Geef ik iets, en hoeveel dan?’ Deze houding is een vorm van armenvrees: je klapt dicht en loopt door, om later wellicht te beseffen hoe zinloos dat was. Die ene euro had jou echt niet armer gemaakt. Weet ook: wie bedelt, doorziet vaak deze aarzelingen en heeft geleerd om die kleinzieligheid van ‘de rijkeren’ te verdragen.

Er zijn anderzijds ook mensen die zich ergeren aan de aanwezigheid van bedelaars in bepaalde buurten, zoals stations of winkelstraten. Winkeliers oefenen druk uit op het gemeentebestuur, dat dan politiebevelen uitvaardigt met het verbod om op bepaalde plaatsen of uren te bedelen. Het Interfederaal Steunpunt Armoedebestrijding en het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens hebben na een gezamenlijke analyse niet minder dan 253 Belgische gemeentebesturen moeten terechtwijzen over illegale restricties opgelegd aan bedelaars.

In het boek wordt met de doorsnee aporofobe incidenten vooral verwezen naar vernederingen die armen worden aangedaan. Cortina citeert in hoofdstuk 2 het voorbeeld van een groep Nederlandse voetbalsupporters die na een nachtje doorzakken op de Plaza Mayor in Madrid een groep bedelende Romavrouwen tegenkomen: ze doen hen dansen en gooien hen muntjes toe in ruil voor push-ups. Als klap op de vuurpijl schrijft een krant de dag nadien nog dat de vrouwen aan het stelen waren. Dit soort pesterijen zijn niet altijd strafbaar, maar wel diep vernederend: precies daarin schuilt de subtiliteit van zulke voorvallen. Cortina noemt dit wel degelijk armenhaat. Haar analyse van het voorbeeld helpt de definitie ervan scherp te stellen:

(a) De slachtoffers zijn geen specifieke individuen maar leden van een categorie (in casu Roma). Het kunnen ook bedelaars zijn, daklozen, armen, of zelfs personen die zich solidair opstellen met deze groepen. Het doet er als het ware niet toe welk individu zich toevallig als voorwerp van armenhaat aandient: men wil ‘de categorie’ treffen.

(b) De drijfveer is sociale uitsluiting, of tenminste het versterken van sociale ongelijkheid: de daders willen afstand nemen van de groep slachtoffers, hen een gevoel van minderwaardigheid opleggen terwijl ze zichzelf als superieur opstellen.

(c) Het zijn uiteraard de meest kwetsbaren die de gemakkelijkste mikpunten van dergelijke incidenten vormen. De incidenten zelf maken hen achteraf nog kwetsbaarder, waardoor de vicieuze cirkel van uitsluiting zich doorzet.

Naast de bovenvermelde vormen van armoedeaversie komen in het boek nog twee vormen uitvoerig ter sprake: haatspraak en haatmisdaden tegen mensen in armoede. Het verschil tussen haatmisdaden en ‘gewone’ pesterijen is dat het gaat om wettelijk omschreven criminele feiten zoals fysiek geweld of diefstal. Ze zijn dan ook sanctioneerbaar.

Rond haatspraak blijft vaak een grijze zone bestaan, die begint bij subtiele vormen van stigmatisering, zoals ‘armenroddels’ over de vermeende eigen schuld van gezinnen in armoede − denk aan vermoedens van te weinig inzet om werk of huisvesting te vinden, onverstandige uitgaven, of gebrekkige ondersteuning bij het schoolwerk van hun kinderen. Het kwalijke aan dergelijke uitlatingen ligt vooral in de publieke veralgemening ervan, zonder feitelijke onderbouwing. Bij meer agressieve vormen van haatspraak zoekt men de aantijgingen ook helemaal niet te motiveren, zoals Amerikaans president Donald Trump deed met Latijns-Amerikaanse migranten die hij zonder onderscheid ‘drugsdealers’ en ‘criminelen’ noemde. Dan is de bedoeling enkel om groepen uit te sluiten uit de samenleving. Op die manier verworden lichtzinnige uitspraken, gewild of ongewild, tot schadelijke wapens die haat bij brede lagen van de bevolking aanwakkeren. Haatspraak kan aanzetten tot geweld en is in die zin steeds crimineel in de kiem.

De strafbaarheid van haatspraak verschilt sterk van land tot land, zelfs binnen de democratische wereld

Cortina stelt − in navolging van Miguel Revenga − dat de strafbaarheid van haatspraak sterk verschilt van land tot land, zelfs binnen de democratische wereld, naargelang het soort democratie waarin men leeft. Dat maakt de bestrijding ervan bijzonder problematisch. In zogenaamd ‘tolerante’ democratieën zoals de Verenigde Staten wordt haast de vrije loop gelaten aan elke vorm van haatspraak, ervan uitgaande dat de vrije botsing van meningen wel tot een spontaan evenwicht zal leiden. We zijn echter de jongste maanden getuige van een trend waarbij de concentratie van media, macht en geld in de handen van een kleine groep losgeslagen autocraten onder andere leidt tot een dominant extreemrechts narratief van haatspraak over migranten dat dreigt over te slaan naar Europa. In ‘strikte democratieën’, zoals in sommige Europese landen, wordt de individuele vrijheid van meningsuiting in principe begrensd door het recht op integriteit van de ander. Daarom zijn er wetten en sancties tegen haatspraak. Voorts onderscheidt Cortina nog ‘militante/aanklampende’ en ‘onverzettelijke’ democratieën waar de vrije meningsuiting sterker aan banden gelegd wordt door wettelijke normen. Cortina geeft geen concrete voorbeelden maar verwijst tussen de regels door naar socialistische regimes. Zelf pleit zij – ongeacht het regime – voor ‘actief respect’ als een burgerlijke ethiek van wederzijdse positieve waardering.

Merkwaardig is dat de auteur − zelfs in een ‘tolerante democratie’ − geen onderscheid maakt naargelang de functie die de verspreider van haatspraak bekleedt: maakt het dan geen verschil of die een gewone burger is, dan wel een leerkracht, journalist of politicus? Het voorbeeld van Trumps uitlatingen over migranten als criminelen en drugsdealers die de VS ondermijnen, lijkt mij een extreem voorbeeld van haatspraak. Als politicus heeft hij een veel grotere invloed en aansprakelijkheid dan een gewone burger wanneer het gaat om het verspreiden van zulke schadelijke overtuigingen. De bijkomende verantwoordelijkheid van beleidsmakers bij haatspraak is driedubbel: (a) het rechtstreeks discrimineren (door het valse en vernederende discours zelf) van bepaalde groepen burgers, (b) het aanzetten tot haat vanwege andere bevolkingsgroepen, en (c) het gebruik van dit soort narratieven als verantwoording voor maatregelen die de betrokken groepen (in casu migranten) onrechtmatig schaden.

Ook in het ‘democratische vrije Westen’ neemt het institutionele geweld tegen armen toe

Een belangrijke leemte in het boek Aporophobia is de afwezigheid van een hoofdstuk over institutioneel geweld tegen armen. Tussen 2016 en 2019 voerde de Internationale Beweging ATD Vierde Wereld in samenwerking met de Universiteit van Oxford een participatief onderzoek in drie rijke en drie ontwikkelingslanden met gemengde teams van academici, mensen met armoede-ervaring en permanente medewerkers van de beweging over de ‘verborgen dimensies van armoede’. De uitdaging was om te komen tot een alternatief voor de eenzijdige en sterk vertekende armoedemaatstaf van de Wereldbank (toen $1,9 inkomen per persoon per dag). Voor alle betrokken landen werd uiteindelijk een gemeenschappelijk concept vastgesteld met negen dimensies, waaronder, naast inkomen, materiële en sociale deprivatie en werk, ook de dimensies sociale mishandeling en institutionele mishandeling. De dimensie sociale mishandeling komt vrij goed overeen met wat in het boek Aporophobia aan bod komt. De dimensie institutionele mishandeling heeft betrekking op mishandeling door de overheid en publieke diensten. Concreet gaat het om vormen van corruptie, onrechtvaardige verdeling van publieke middelen, het beroven van land of geld, het ontzeggen van de toegang tot basisrechten, brutaal geweld, tot en met het uiteenrukken van gezinnen. Die dimensie komt in Cortina’s boek helemaal niet aan bod. Nochtans is ze alomtegenwoordig in zwakke democratieën, waar dergelijke praktijken nog schering en inslag zijn. Maar ook in het ‘democratische vrije Westen’ neemt het institutionele geweld tegen armen toe. Anno 2025 zijn we bijvoorbeeld getuige van de abrupte opdoeking van USAID, de Amerikaanse humanitaire hulporganisatie die voor tientallen miljoenen armen wereldwijd een levenslijn was, maar evenzeer de afschaffing van Amerikaanse diversiteits- en gelijkekansenprogramma’s in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, tot en met federale compensatiefinanciering voor de (ongelijke) lokale onderwijsbudgetten per leerling. Wat bezielt een regime (want we kunnen dit niet aan Donald Trump alleen toeschrijven) om een dergelijke sociale afbraak op de kap van de meest kansarme burgers door te voeren? Zijn termen als armenhaat en institutionele mishandeling hier niet op hun plaats?

Ook in België en Nederland moet men zich hoeden voor gevaarlijke hellende vlakken in het sociaal beleid. In beide landen is door slecht woonbeleid een ware wooncrisis ontstaan met uit de hand gelopen huurprijzen, dakloosheid en uitzichtloze wachtlijsten voor sociale woningen tot gevolg. De drastische verstrenging van het asiel- en migratiebeleid in Nederland botst vaak met basale humanitaire waarden, maar vindt intussen navolging in België. Sociale uitkeringen werden in Nederland meer dan tien jaar lang niet geïndexeerd, met een sterke verarming van uitkeringstrekkers tot gevolg. Daar bovenop kwam de beruchte toeslagenaffaire: tussen 2004 en 2019 werden naar schatting tienduizenden huishoudens ten onrechte gedwongen om grote bedragen kinderopvangtoeslagen en allerlei andere toeslagen terug te betalen wegens vermeende fraude met (beperkte) bedragen. Die ‘fraude’ bleek achteraf in feite voornamelijk veroorzaakt te zijn door administratieve fouten van tussenpersonen, en ‘institutionele vooringenomenheid’, ja zelfs ‘institutioneel racisme’ vanwege de sociale en fiscale administratie. Ondanks de rechtzettingen was de schade in veel gevallen onherstelbaar: gedupeerden waren door de terugvordering in diepe schulden verzeild geraakt, hadden hun huis moeten verkopen, hadden psychische problemen gekregen, en soms waren zelfs hun kinderen door de jeugdzorg uithuisgeplaatst.

In België wordt in 2026 de stopzetting van het recht op werkloosheidsuitkeringen na maximum twee jaar werkloosheid doorgevoerd. De premier noemde dit het koninginnenstuk van zijn begroting, en gaf daarbij als commentaar: ‘We waren zo goed als het laatste land ter wereld waar inactief zijn een levenskeuze kon zijn’, wat toch een vreemde perceptie van langdurige werkloosheid verraadt. Uit vroeger follow-up onderzoek naar geschorste werklozen is gebleken dat ongeveer 25 tot 30% nadien aan het werk raakt, een kwart bij het OCMW aanklopt, en dat ongeveer de helft van de geschorsten van de radar verdwijnt. Sommigen komen later in de ziekteverzekering terecht, anderen kunnen gelukkig terugvallen op het inkomen van een partner of andere gezinsleden, maar de grootste groep zakt verder weg in de marginaliteit. Zij verliezen met andere woorden hun formele banden met de arbeidsmarkt en de samenleving, overleven met kleine informele activiteiten of komen in het slechtste geval in de criminaliteit terecht. Weldra zal vrij zeker blijken dat de armoedecijfers in de huishoudens met werkloze personen opnieuw de hoogte inschieten. Op termijn zal wellicht ook de maatschappelijke schade oplopen in termen van ziekte, onveiligheid, drugsproblematiek, psychiatrische problemen en kinderarmoede.

Wat de aanpak van dakloosheid betreft is het niet beter gesteld. In augustus 2023 werd de buurt rond het station Brussel Zuid ‘schoongemaakt’ door een gezamenlijke actie van de politie en de milieudiensten, vanwege klachten over kleine criminaliteit en drugshandel in de buurt. Hoewel een politie-interventie gerechtvaardigd was, trof deze zonder onderscheid ook onschuldige daklozen waarvan de tentjes en bezittingen als afval werden afgevoerd, zonder dat er een degelijk alternatief werd aangeboden. En ook dit is geen alleenstaand incident. In januari 2024 vernietigde de Britse politie onrechtmatig tenten en bezittingen van mensen die op straat sliepen voor het University College London Hospital na een bevel tot ‘verspreiding’ van daklozen. Hetzelfde gebeurde in april 2024 in Parijs in het kader van een grootschalige ‘schoonmaakoperatie’ in de aanloop naar de komende Olympische Spelen. Duizenden daklozen en asielzoekers werden gedwongen gedeporteerd naar naburige steden. In één van de Parijse buurten werd een kamp van Roma met bulldozers met de grond gelijk gemaakt om de bewoners te verjagen.

Achter al deze maatregelen schuilen telkens vormen van afkeer en fundamenteel wantrouwen van de overheid in haar meest kwetsbare burgers. Dit soort beleid draagt verder bij aan de ontmenselijking van kwetsbare groepen zoals langdurig werklozen, asielzoekers, zelfs migranten in het algemeen, of daklozen.

Aporofobie zit volgens Cortina wel ingebakken in het menselijke brein. Doorheen de ontwikkeling hebben homo-sapiens-gemeenschappen zich beter kunnen handhaven door samen te werken in georganiseerde verbanden, waar elkeen een complementaire rol speelt en kan rekenen op de wederkerige solidariteit van andere leden van de gemeenschap. Zeker wanneer dergelijke gemeenschappen onder stress komen te staan, zullen leden die niet (kunnen) bijdragen en enkel ‘ten laste zijn’ het moeten ontgelden: zij worden de eerste slachtoffers van uitsluiting. Cortina erkent uiteraard dat daartegenover ook andere drijfveren staan die aporofobie kunnen overwinnen: je ‘reputatie (zelfs als je in wezen enkel door eigenbelang gedreven wordt, wil je nog steeds niet door anderen als een slechterik worden gezien); je geweten (waarin positieve morele normen zoals solidariteit met mensen in armoede opgeslagen zitten); religie (de radicale keuze van de Islamitische en de Joods-Christelijke traditie van zorg voor de armsten); en − hoe kan het ook anders − de filosofie.

Cortina besteedt haar twee laatste hoofdstukken volledig aan de filosofische fundering van solidariteit met mensen in armoede, als tegengif tegen aporofobie, maar ook als basis voor concrete politieke recepten zoals het Global Compact van de VN, de sociale economie en de vermogensbelasting van Piketty. Zij begint daarvoor bij de Verlichting, en nog wel bij een filosoof waarvan we niet direct veel sociaal engagement zouden verwachten: Adam Smith. Deze grondlegger van het vrijemarktdenken zag blijkbaar de ‘sociale kwestie’ van zijn tijd expliciet als een opdracht voor de Staat, omdat hij overtuigd was van sociale vooroordelen in de (Britse) samenleving: ‘That wealth and greatness are often regarded  with the respect  and admiration which are due only to wisdom and virtue; and that contempt, of which vice and folly are the only proper objects, is often most unjustly bestowed upon poverty and weakness, has been the complaint of moralists in all ages’ (Smith, 1776, citaat p.106). De filosofische lijn wordt in sneltreinvaart doorgetrokken naar 20ste-eeuwse auteurs als Rawls, Dworkin, Pogge en vooral Sen, waar Cortina haar ultieme definitie van armoede haalt als een gebrek aan vrijheid.

In het laatste hoofdstuk komt de auteur helemaal uit de kast met een pleidooi voor onvoorwaardelijke gastvrijheid. Hier komen de armen van Europese bodem niet meer ter sprake, maar gaat het enkel om de mensen met of zonder papieren die met bootjes aanspoelen of via de bossen de oostelijke grenzen van de EU oversteken. Het pleidooi is (letterlijk) categoriek: ‘There is an unconditional obligation to hospitality that is anterior to the duty and right but that is necessarily realised through them. If, as Kant says, intuitions without categories are blind and categories without intuitions are empty, we may say that without laws and political action, the unconditional obligation to hospitality is empty; but without that unconditional obligation, asylum and immigration policy are blind. This is the dialectic we find ourselves in and we must confront it head-on, because if Europe wishes to maintain its identity, it must reinforce this obligation to hospitality that was born on its soil, understood not just as domestic hospitality, but also as institutional and universal.’ (p.129-130)

Het is een erg radicaal maar ook erg ongemakkelijk pleidooi voor een Europa dat dreigt overspoeld te worden, niet zozeer door asielzoekers maar wel door extreemrechtse aporofobe bewegingen!

Toch is Adela Cortina geen activiste uit een middenveldorganisatie: zij is hoogleraar filosofie en haar boek mist helaas voeling met de rijke ervaring van sociale bewegingen. Die zouden de ervaringskennis van mensen in armoede met haar kunnen delen die nodig is om haar academische inzichten te toetsen en te verrijken. Daaruit zou een meer strategische en doorwrochte politieke visie kunnen voortvloeien dan we soms in het boek vinden. Omgekeerd heeft Cortina enorm rijke wetenschappelijke inzichten te bieden aan deze sociale bewegingen. Een kruising van kennis en inzichten zou voor beide partijen heel vruchtbaar kunnen zijn.

Adela Cortina, Aporophobia: Why We Reject the Poor Instead of Helping Them. (Princeton: Princeton University Press, 2022).

Ides Nicaise is econoom, hoogleraar emeritus Onderwijs en Samenleving, en senior onderzoeksleider bij het HIVA − Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving − van KU Leuven. Zijn onderzoek situeert zich op het domein van sociaal beleid, en meer bepaald de relatie tussen onderwijs, arbeidsmarktbeleid, sociale bescherming en sociale inclusie. Hij is tevens voorzitter van de Beweging ATD Vierde Wereld Vlaanderen, voorzitter van het Interfederaal Steunpunt Armoedebestrijding en lid van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen