ESSAY
De klimaatcrisis en de zoektocht naar energiezekerheid doen Europa volop inzetten op offshore windenergie. Negen Noordzeelanden, waaronder België en Nederland, willen tegen 2050 samen evenveel elektriciteit produceren als zo'n 150 kerncentrales. Tegenvallende resultaten bij 's werelds grootste ontwikkelaar van offshore windparken maakten echter duidelijk dat zulke ambities staan of vallen met betrouwbare opbrengstramingen. Maar hoe modelleer je de grilligheid van wind en atmosfeer?
De Noordzee als energiegebied: wat atmosfeermodellen ons vertellen
De klimaatconferentie in Braziliaanse stad Belém, aan de monding van de Amazone, was een teleurstelling. Dit had de klimaatconferentie moeten worden waar een roadmap voor het uitfaseren van fossiele brandstoffen werd opgesteld. In plaats daarvan kwam er in de definitieve tekst geen enkele melding meer over fossiele brandstoffen. De lobbyisten van de fossiele industrie waren talrijk aanwezig: één op de vijfentwintig deelnemers. Ze konden zich geen beter scenario wensen. Hun verdienmodel blijft buiten schot, voorlopig toch. Elke vertraging in de uitfasering van fossiele brandstoffen is voor hen geen bijzaak maar pure winst. De begunstigden van deze stilstand vormen bovendien een opvallend kleine groep: volgens de denktank InfluenceMap kan haast drie kwart van de historische CO₂-uitstoot uit fossiele brandstoffen en cement worden teruggevoerd op slechts 122 bedrijven.
Deze politieke impasse staat in schril contrast met de noodzaak om de uitstoot van broeikasgassen terug te brengen tot netto nul, een voorwaarde om veel menselijk leed te voorkomen: landverlies door stijgende zeeën, verwoestende overstromingen en sterfte door hitte. De oplossing is duidelijk. Onze elektriciteitsproductie moet fossielvrij worden, via hernieuwbare bronnen zoals zon, wind en waterkracht, eventueel aangevuld met kernenergie. Tegelijk moeten industriële en huishoudelijke processen zoveel mogelijk elektrificeren: van elektrische wagens tot warmtepompen.
Maar de opmars van groene energie roept bij sommigen ook vragen op over grondstoffengebruik. Een vaak gehoorde kritiek op de energietransitie is dat ze zogenaamd slechter zou zijn voor het milieu omdat ze meer mijnbouw vereist. Dat argument houdt echter geen stand. Het klopt dat de overgang naar hernieuwbare energie aanzienlijke hoeveelheden grondstoffen vergt, zoals lithium, koper, kobalt, zilver, grafiet en platina, en dat er goede redenen zijn om die mijnbouw waar mogelijk in Europa te organiseren. Maar daaruit volgt niet dat een energiesysteem dat zwaar leunt op fossiele brandstoffen milieuvriendelijker zou zijn. Integendeel, voor dezelfde hoeveelheid elektriciteit vergt een kolencentrale ongeveer dertig keer meer ontgonnen materiaal dan wind- of zonne-energie. Het verschil is logisch: een windturbine vraagt één keer grondstoffen en levert daarna decennialang stroom, terwijl een kolencentrale permanent nieuwe brandstof opslokt.
Het vervolg van dit artikel leest u in de papieren versie van Karakter. De volledige tekst verschijnt later online.
Dit artikel verscheen in Karakter nr. 95 · Creative Commons BY-NC-ND