ESSAY
Maria Zambrano was een van de meest intrigerende intellectuelen van de twintigste eeuw. De Spaanse filosofe werd bekend om haar poëtisch denken en eigenzinnige levenskeuzes. Met de eerste Nederlandse vertaling van haar essays krijgt haar denken eindelijk een plaats in het Nederlandse taalgebied, een filosofie die evenzeer het hoofd aanspreekt als het hart.
De aurorale ervaring van Maria Zambrano
Maria Zambrano (1904-1991) was één van de eerste Spaanse vrouwelijke filosofen. In Spanje en Latijns-Amerika is zij bekend – het treinstation van Malaga is naar haar vernoemd en ze heeft als eerste vrouw de Cervantesprijs gekregen voor haar omvangrijke filosofische en literaire oeuvre. Veel van haar werk is vertaald naar het Frans en het Italiaans. Het werd er recent heruitgegeven en je vindt het in elke goede Parijse boekenwinkel. De eerste Nederlandse vertaling van enkele van haar essays is een uiting van toegenomen internationale interesse voor haar werk, maar zolang Engelse vertalingen relatief schaars zijn, blijft die toch relatief beperkt. Ten onrechte. Maria Zambrano was tijdgenote van Hannah Arendt (1906-1986), Simone de Beauvoir (1908-1991) en Simone Weil (1909-1943). Ze heeft een heel eigen, specifiek vrouwelijke stem in de filosofie en verdient het om samen met haar illustere tijdgenoten in de canon van de twintigste-eeuwse filosofie te worden opgenomen.
Maria Zambrano is opgevoed in een intellectuele omgeving. Haar vader was nauw bevriend met de dichter Antonio Machado, ze was bevriend met Garcia Lorca en studeerde in Madrid bij Ortega y Gasset. Deze laatste kwam op voor een vorm van vitalisme, een filosofie die zich niet langer uitsluitend op de hemel der ideeën zou richten, maar het leven in het hart van de rede zou integreren. Zambrano neemt dit programma over. Ze interesseert zich voor de passies die het menselijke hart verscheuren, maar vindt al snel dat Ortega niet radicaal genoeg tewerk gaat in de uitvoering van zijn filosofisch project. Zijn filosofie blijft te cerebraal, te weinig verankerd in concrete levenservaring. Ortega apprecieert het niet dat zijn vrouwelijke studente hem desavoueert. Later, wanneer Ortega bij het begin van de Spaanse burgeroorlog emigreert maar weigert om expliciet partij te kiezen voor de republikeinen, komen daar ook politieke meningsverschillen bij.
Met haar opstellen over filosofie en poëzie uit de jaren 1930 gaat Zambrano resoluut haar eigen weg. Naast een filosofie die beladen is met de erfzonde van rationalisme en intellectualisme, stelt zij de poëtische rede centraal. Filosofie en poëzie vertrekken beiden van de verwondering, maar vervolgens haast de filosofie zich om die ongedaan te maken en verliest ze zich in abstracties en een bloedeloos systeem, aldus de kritiek van Zambrano. Zo sluit ze aan bij de beweging ‘zu den Sachen selbst’, die het begin van de fenomenologie van Husserl en Merleau-Ponty kenmerkt. Ze neemt vooral Plato’s parabel van de grot op de korrel. Daarin verschijnt de filosoof als iemand die zichzelf dwingt om zich met geweld los te rukken van de zintuigelijke werkelijkheid en doorvoelde relaties met mensen, om op te klimmen naar het volle licht van de waarheid. Dichters weigeren dit. Ze houden vast aan de oorspronkelijke verwondering die precies met het tijdelijke, het fragiele, het vluchtige van de ervaring is verbonden.
De Platoonse filosoof bewandelt de weg van de ascese. Hij laat het zinnelijke achter zich en zoekt de ultieme eenheid van mens en kosmos te begrijpen. In Zambrano’s visie cultiveren dichters daarentegen de aandacht voor het concrete en particuliere. Zij blijven bij de veelvuldigheid. Een geslaagd gedicht kan dan wel min of meer afgerond zijn en zo een eenheid bereiken, maar die blijft altijd onvolledig en open. De dichter heeft niet de ambitie om het geheel van al wat is te omvatten. Hij of zij is niet op zoek naar de eeuwige essentie van de dingen, maar is veel meer attent voor de kwetsbaarheid van mensen en dingen, voor gebeurtenissen, ademtochten, nauwelijks merkbare nuances. De dichter weigert het geweld van de abstractie en verkiest om in het schemerduister van de grot te blijven. De filosoof misprijst de verschijnselen omdat ze vergankelijk zijn, terwijl de dichter er zich precies om die reden aan hecht. Hij wil de dingen redden door ze te gedenken, door hun ruïnes in bescherming te nemen, soms door ze te bewenen. Of nog: waar de filosoof actief en met veel moeite het ‘zijn’ zoekt dat verborgen is achter de verschijnselen, verheugt de dichter zich in wat zich aandient. Hij is attent voor het giftkarakter van het leven en ontdekt zo een wereld waarin zich voortdurend nieuwe mogelijkheden openen.
Zambrano wil denken met het hart en dat neemt vele vormen aan. Nu eens lijkt ze te appelleren aan de dionysische ontlading van de passies, dan weer verwijst ze naar de Oudgriekse tragedies die een juister inzicht in de menselijke ziel zouden hebben ontwikkeld dan de meeste filosofen van die tijd. Toch is het niet zo dat Zambrano zomaar de poëtische rede tegenover de argumenterende filosofie positioneert. Ze erkent wel degelijk dat dit twee noodzakelijke benaderingen van de wereld zijn. Beide manieren van spreken en denken zijn meer complementair dan tegengesteld. Mensen zijn tegelijk concrete individuen die in een welbepaalde context leven, én op zoek naar universele waarheid. Zelfs bij Plato vindt men dat terug in zijn denken over schoonheid en liefde. Het schone is bij hem niet alleen maar een idee. Hij vertrekt wel degelijk van de ervaring van schoonheid of verliefdheid en die betreft dan in concreto een welbepaalde jongeling, een mens van vlees en bloed. Liefde en schoonheid zijn in eerste instantie belichaamd. Die ervaring is onontbeerlijk voor wie wil opklimmen naar de idee van het schone, goede en ware.
Haar filosofie openbaart zich in visioenen, niet in een logisch systeem
In het algemeen denkt Zambrano zeer weinig in tegenstellingen. Het weten van het hart is niet polemisch, maar zachtaardig en genereus. Het bewaart een grote ontvankelijkheid voor wat zich aandient en staat open voor heel wat alternatieve zienswijzen. Voor een getrainde filosoof bemoeilijkt dit soms wel de lectuur van haar geschriften. Net als in het denken van de latere Merleau-Ponty vindt men hier een fascinerende zoektocht naar wat voorafgaat aan ons denken en spreken, maar dat wordt niet gearticuleerd in theoretische opposities. Zambrano presenteert geen begrippen, maar beelden, metaforen. Haar filosofie openbaart zich in visioenen, niet in een logisch systeem met vooronderstellingen en consequenties. Ze geeft het zoeken naar de waarheid niet op, ze blijft met andere woorden filosofe, maar houdt van een waarheid die niet uitsluit en zich al evenmin opsluit in hooghartige afwijzing van de veelvormigheid van menselijke ervaringen.
Een vrouw die kiest voor het weten van het hart, de poëtische rede, eerder dan voor het harde rationalistische systeemdenken: is dit niet al te soft? Komt dit niet te zeer overeen met stereotype opvattingen die traditioneel met vrouwelijkheid worden geassocieerd? Deze objecties zijn onterecht. Zambrano wordt gered van een bloedeloos feelgooddenken door de adembenemende radicaliteit van haar leven en denken. Daarbij speelt haar levenslange inspiratie door de Castiliaanse dichter en mysticus San Juan de la Cruz een belangrijke rol. Zambrano heeft het huisje van de heilige, gesitueerd op een eenzame plek in de rotsen, reeds als kind bezocht. Ze beschrijft de mystieke ervaring als een beweging van transcendentie naar het goddelijke. De persoon die dit overkomt gaat heel anders in het leven staan. De behoefte om het dagelijkse leven met al zijn besognes te overstijgen is volgens Zambrano ingeschreven in de menselijke natuur. Deze beantwoordt aan een aspiratie van het leven zelf en zou meer oorspronkelijk zijn dan religie. Ze veronderstelt evenwel een bijzonder pijnlijk proces waarbij men het ego en zijn zelfgerichtheid achter zich laat. De mysticus zoekt bij uitstek de woestijnervaring op. Hij ontwikkelt een amoureuze ervaring met een transcendentie. Er is een liefde die zo groot en alomvattend is dat ze zich niet langer tevredenstelt met een concreet menselijk object. Precies met deze bron van leven wil de mysticus een innige relatie ontwikkelen.
Deelhebben aan liefde die aan de oorsprong van de dingen ligt en deze ook op een heel nieuwe manier laat zien, is een ervaring die de mysticus overkomt. Deze is niet van de orde van de wil of het streven, maar veeleer een plotse illuminatie of vluchtige gebeurtenis. Om dit te duiden doet Zambrano beroep op het beeld van de aurora. Na de donkere nacht van pijn en lijden komt het ochtendgloren. We schieten nog niet dadelijk in actie. We aanschouwen een wereld die zich opent in duizend mogelijkheden. De aurora is een voorbijgaande verschijning. Straks zal de zon opkomen. Zij zal de betovering van die geboortelijke ervaring van de dingen doorbreken, los van maatschappelijke verwachtingen en persoonlijke bekommernissen. De dag zal evenwel gekleurd blijven door de herinnering aan iets dat verloren is gegaan, de agonie van de nacht zowel als de utopie van de wedergeboorte.
De jonge Maria heeft alles losgelaten, is bereid om te sterven, zweeft tussen leven en dood
‘Ik heb niets geschreven dat ik niet heb beleefd’, schrijft Zambrano. Uit haar autobiografische geschriften komen inderdaad drie grote aurorale ervaringen naar voren die zij als mystiek ervaart. Er is op de eerste plaats de ervaring van ziekte. Wanneer ze vierentwintig is, krijgt ze tuberculose. Ze blijft maandenlang haast onbeweeglijk te bed liggen. Ze is volstrekt uitgeput, te zwak om te handelen of te lezen. Toch is ze niet ongelukkig. Een grote rust en stilte dalen over haar neer. Soms draait ze haar hoofd naar het venster en ziet ze de wolken, de dagen en nachten die aan haar raam voorbijtrekken. De jonge Maria heeft alles losgelaten, is bereid om te sterven, zweeft tussen leven en dood, voelt duidelijk hoe haar bestaan kan kantelen, maar blijkbaar weigert de dood haar te ontvangen. Ze zal verder leven omdat ze nog moet ‘geboren’ worden, maar niet meer als dezelfde persoon als voorheen. Wedergeboorte na agonie: voortaan is mystiek voor haar een beleefde realiteit.
De tweede ervaring van onteigening, gedwongen onthechting van al wat haar dierbaar is, is die van de ballingschap. Maria Zambrano heeft zich in de jaren 1930 sterk ingezet voor de Spaanse Republiek. Op het einde van de burgeroorlog is ze nog steeds in Barcelona. Samen met 450.000 andere republikeinse militanten stapt zij in januari 1939 in een lange rij haveloze vluchtelingen te voet over de Col du Perthus naar Frankrijk. De balling laat alles achter, al wat voorheen zijn of haar identiteit constitueerde. Een vluchteling kan het idee koesteren dat hij over korte tijd, als het ergste geweld is geluwd, kan terugkeren naar zijn land en huis. De balling heeft alles opgegeven, ook de idee van ooit terug te keren. De analogie met de onthechting die de jonge Maria heeft meegemaakt tijdens haar ziekte is duidelijk. De ontworteling heeft hetzelfde effect als de ascese van de mysticus, op dit belangrijke verschil na dat ze wordt ondergaan, en niet vrijwillig wordt aangegaan De balling redt zijn leven, maar wordt teruggeworpen op zichzelf. Vrienden worden verspreid. Institutionele bescherming verdwijnt. Net zoals ziekte is ballingschap een confrontatie op ontologisch niveau: wil of kan ik nog leven? Of juist niet? Zo wordt de ballingschap een openbaring: een revelatie van wat echt belangrijk is in het leven. Maria Zambrano zal haar hele leven zwerven over grenzen heen, naar Mexico, Cuba, Puerto Rico, Parijs, Rome, de Franse Jura, Genève… Haar ballingschap zal zesenveertig jaar duren. Pas in 1985, negen jaar na de dood van Franco, keert ze terug naar Spanje.
Een derde grote mystieke ervaring betreft het overlijden van haar jongere zus Araceli voor wie ze altijd had gezorgd. Maria was diep aangegrepen door deze gebeurtenis. Ze beleefde die hele periode van zorg en rouw eens te meer als een woestijnervaring, een passage door de hel. Ook deze agonie leidde tot een soort catharsis. Maanden na het overlijden van Araceli ziet Maria in het Nationaal Museum van Athene een eeuwenoude vaas met daarop het min of meer vergeestelijkte beeld van een overleden jong meisje, omringd door haar treurende familie. Dit beeld, dat de tijd overstijgt, inspireert Maria tot een visioen. Ze herinnert zich het beeld van Araceli op haar sterfbed, en herkent daarin de trekken van haar zusje, toen die als pasgeboren baby in de armen van Maria werd gelegd. Dit visioen brengt Maria ertoe om het overlijden van haar zus te zien als een nieuwe geboorte, de overgang naar een ander leven, in een andere ruimte van het zijn. Is het leven immers niet een voortdurende metamorfose? Een opeenvolging van sterven en opnieuw geboren worden? Worden die levensvormen niet gedragen door een liefde die alle concrete vormen overstijgt? Deze mystieke ervaring is voor Zambrano meer dan ooit iets dat haar overkomt, onvoorzien en niet te ontcijferen, niet te vatten in begrippen, alleen te evoceren in beelden metaforen: filosofie moet hier wijken voor poëzie.
De aurora staat voor de geboortelijkheid van mens en kosmos
Het aurorale denken speelt zich af op een grens, in een tussengebied: niet meer de afgrondelijke duisternis van de nacht, maar ook niet het harde licht van de zon van de rede. De aurora staat voor de geboortelijkheid van mens en kosmos. Zambrano beschrijft hoe ze in de Jura, waar ze tegen het einde van haar ballingschap woonde, vaak de hele nacht door bleef schrijven tot ze volstrekt uitgeput was. Bij het krieken van de dag kwam dan een soort helderheid over haar, een rust die ze ervoer als een genade. Dit is niet zo spectaculair als de drie grote kernervaringen die we net hebben beschreven, maar ook dit schrijfproces volgt het patroon van de mystieke belevenis. Na de uitputting volgt het eerste licht, waarbij de herinnering aan het moeizame schrijven wordt doorkruist door de belofte van ontelbare nieuwe mogelijkheden.
Het concept van geboortelijkheid kennen filosofen van Hannah Arendt. Het is haar antwoord op Heideggers idee dat de mens een ‘Sein zum Tode‘ is. Arendt beklemtoont dat elk mens reeds door zijn geboorte nieuwheid in de wereld brengt. Bovendien brengen mensen tijdens hun leven door hun handelen steeds opnieuw dingen op gang. De uitkomst van dat handelen is meestal heel anders dan we hebben bedoeld. Deze hangt af van het samenspel met andere mensen die ook handelen. Volgens Arendt genereren mensen zo collectief onuitgegeven maatschappelijke constellaties. Bij Zambrano heeft de idee van geboorte echter veel meer een existentiële en persoonlijke dan een politieke betekenis. Zij legt er de nadruk op dat de menselijke geboorte geen eenmalige gebeurtenis, maar een voortdurend proces is. Meer dan andere diersoorten blijven mensen na hun geboorte langdurig kwetsbaar. Ook als volwassenen dienen mensen hun leven voortdurend verder vorm te geven. Onze geboorte is nooit voltooid, maar moet zich telkens opnieuw voltrekken. Dit is niet alleen de bron van menselijke creativiteit. Het is bij uitstek wat gebeurt in mystieke ervaringen. Deze confronteren ons met radicale andersheid. Ze leren om met een onbevangen blik naar de dingen te kijken, los van menselijke verwachtingen en vooroordelen.
Helemaal apolitiek is het denken van Zambrano niet. Ze heeft haar hele leven lang de democratie verdedigd, bijvoorbeeld in een boek over De agonie van Europa dat ze op het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft gepubliceerd. Als de mens radicaal onvolkomen is, voortdurend bezig is geboren te worden, dan is dit alleen mogelijk in een maatschappij waarin de overheid zijn macht inperkt en de integriteit van de menselijke persoon respecteert. Zambrano is hierbij vaag beïnvloed door het personalisme dat rond de Tweede Wereldoorlog in het verzet ging tegen alle vormen van totalitarisme. Een democratische maatschappij bewaart de openheid op een ongedefinieerde toekomst. Zij verplettert geen personen. Zambrano getuigt hierbij minder van een liberale reflex dan van een sensibiliteit die ook de denkers van de Frankfurter Schule, Benjamin, Adorno, Horkheimer, kenmerkt: het komt erop aan om in de bestaande werkelijkheid de mogelijkheden van het nieuwe te zien. Over de vraag hoe democratische instituties dan precies moeten worden georganiseerd zegt Zambrano niets, en het interesseert haar ook niet echt. In het begin van de jaren dertig heeft de Spaanse socialistische partij haar een ministerpost aangeboden, maar ze heeft die geweigerd.
De idee dat de mens – volgens Zambrano in tegenstelling tot dieren – levenslang een geboortelijk wezen blijft, houdt in dat hij of zij ook altijd leeft vanuit de hoop op een zekere volkomenheid, op een integrale geboorte, op een volstrekte voltooiing van een levensproject. Hoop is een bovenmenselijke kracht die ons doet kiezen voor het leven dat ons wordt gegeven. Het is de kracht van de jonge Maria die balanceerde tussen leven en dood, de kracht van zovele ballingen, de kracht die Maria doet opstaan uit de rouw. Op collectief vlak is het de kracht van onderdrukte groepen die met uitzichtloos lijden worden bedreigd. Hoop wordt bevochten met de moed van de wanhoop. Het is de kracht die ons verbindt met een liefde die voorafgaat aan ons bestaan en ons leven draagt.
Maria Zambrano, Over kennis van de ziel en andere essays. (Leusden: ISVW Uitgevers, 2025).
Jean-Marc Sourdillon, Maria Zambrano – Le choix de naître. (Paris: Éditions de Corlevour, 2024).
Antoon Vandevelde is filosoof en econoom. Hij is als emeritus hoogleraar verbonden aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van KU Leuven en is onder andere auteur van Het geweld van geld: Op zoek naar de ziel van de economie (2017).
Elke de Rijcke is tweetalig dichter en essayiste. Zij is verbonden als kunst- en literatuurdocente aan de ESA Saint-Luc en Erg Brussel. Zij werkt op dit moment aan Love Now ! Aurores contemporaines, poëtisch proza dat ingaat op De l’Aurore van Maria Zambrano.
Dit artikel verscheen in Karakter nr. 93 · Creative Commons BY-NC-ND