Pieter De Somer, de eerste rector van de autonome Katholieke Universiteit Leuven, stelde in zijn legendarische rede uit 1985 tegenover de paus dat de academicus een ‘vrijheid tot dwalen’ heeft. Het is echter niet duidelijk hoe ver die vrijheid reikt en of die in alle disciplines hetzelfde betekent.
Vrijheid tot dwalen of dwaling van de vrijheid?
Over Rector De Somers pleidooi voor de vrijheid tot dwalen.
In oktober 1960 verschijnt in het tijdschrift De Maand een artikel van Pieter De Somer, getiteld Geloof en wetenschap, waarin hij zijn persoonlijk standpunt ontvouwt ten aanzien van de verhouding tussen godsdienst en wetenschap. Die lijkt hem onproblematisch. Dat blijkt niet langer zo wanneer De Somer het veel later als rector heeft over de verhouding tussen de universiteit, met haar talrijke ook niet-exact-wetenschappelijke disciplines, en de Kerk. Het is in die context dat zijn pleidooi voor academische vrijheid als vrijheid tot dwalen te situeren valt. Tijdens het bezoek van paus Johannes Paulus II aan Leuven in 1985 ging rector De Somer in zijn toespraak Universiteit en Kerk uitdrukkelijk in op de ‘vrijheid tot dwalen’ van de universitaire vorser. Het is naar dat opzienbarend pleidooi voor de vrijheid tot dwalen dat telkens weer gerefereerd wordt, ook bij het bezoek van paus Franciscus in september 2024 ter gelegenheid van de viering van 600 jaar Katholieke Universiteit Leuven, onder meer door ererector Marc Vervenne in Karakter 89. Ik onderzoek hier de verschillen tussen De Somer in 1960 en in 1985 en vraag mij af wat precies onder die vrijheid tot dwalen kan of moet verstaan worden.
De Somer blijkt in zijn artikel uit 1960 een aanhanger avant la lettre van de NOMA-opvatting (‘no overlapping magisteria’) van Stephen Jay Gould: godsdienst en wetenschap zijn twee radicaal verschillende domeinen; botsingen tussen beide domeinen zijn uitgesloten. Nieuwe wetenschappelijke inzichten kunnen dus ‘voor een katholiek geen probleem stellen op het gebied van de kennis (van de objectieve werkelijkheid)’ (p. 20). De term wetenschap verwijst in het artikel naar de positieve of exacte wetenschappen. De termen geloof of godsdienst slaan primair op katholieke godsdienst of katholiek geloof. Ik herneem de ideeën van De Somer hier grotendeels in zijn eigen woorden.
Wetenschap is door en door hypothetisch; ze is altijd een voorlopige, theoretische verklaring en synthese van de natuurlijke verschijnselen; ze pretendeert niet definitieve waarheid of zekerheid te bieden. Wetenschap zoekt naar het waarom van de natuurlijke verschijnselen, naar de wetmatige band tussen oorzaken en gevolgen. Het gaat haar om inzicht in efficiënte oorzakelijkheid; doeloorzakelijkheid bestaat voor haar niet. Elk waardeoordeel valt volledig buiten haar blikveld; uit kennis van feiten op zich kan geen waardeoordeel volgen. Wetenschap steunt op een objectiverende houding: betrokkenheid van welke aard ook is haar vreemd; zij veronderstelt een kritische geest tegenover gangbare opvattingen en gezag. In het dagelijks leven zijn er andere mogelijke en gewettigde houdingen tegenover de realiteit, zoals in moraal, godsdienst, politiek of kunst. Zij veronderstellen andere geesteshoudingen en kenwijzen dan deze aanwezig in de natuurwetenschap.
Het vervolg van dit artikel leest u in de papieren versie van Karakter. De volledige tekst verschijnt later online.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License