Deel dit artikel

Liefde, lust en een wraakactie die eindigde in castratie: het verhaal van Abélard (1079-1142) en Héloïse (ca.  1100-1164) spreekt al sinds de twaalfde-eeuwse renaissance tot de verbeelding, maar wie was Héloïse van de Parclete?

Héloïse van de Parclete. Intellectueel en invloedrijke abdis uit de twaalfde eeuw

Chanelle Delameillieure

Historici bestuderen het verleden, maar doen dat nooit los van hun eigen tijd. Integendeel: hedendaagse inzichten, evoluties en conflicten hebben historisch onderzoek altijd beïnvloed. Dat geldt niet het minst voor de vrouwen − en gendergeschiedenis, een onderzoeksveld dat zijn bestaan en ontwikkeling te danken heeft aan de democratisering van de academische wereld en feministisch activisme. Zulke ontwikkelingen zorgen ervoor dat historici nieuwe vragen stellen, maar ook dat ze bestaande historiografische aannames en verklaringsmodellen heroverwegen. Dat geldt ook voor het verhaal van het twaalfde-eeuwse koppel dat centraal staat in deze tekst: Abélard en Héloïse. Op het eerste gezicht past hun geschiedenis naadloos binnen de topos van de allesoverheersende liefde onder onmogelijke omstandigheden, een thema dat de literatuur al eeuwenlang omarmt. Pas meer recent stelden verschillende historici kritische vragen bij de romantische portrettering van deze relatie: Héloïse was een tienermeisje dat verwikkeld raakte in een seksuele affaire met haar twintig jaar oudere leermeester. Vandaag wordt zo’n situatie als uiterst problematisch beschouwd. Maar kunnen we met hedendaagse inzichten over toestemming een relatie beoordelen die meer dan achthonderd jaar geleden plaatsvond? Kunnen we überhaupt ooit te weten komen hoe Héloïse in deze relatie stond?

Een hoogmiddeleeuwse liefdessaga?

Abélard en Héloïse leerden elkaar kennen in het Parijs van de twaalfde eeuw, een bruisende stad en intellectueel centrum waar denkers samenkwamen, nieuwe vormen van kennisverwerving ontwikkelden en met elkaar wedijverden om leerlingen en prestige. Abélard was een van die intellectuelen, een geestelijke met een buitengewoon aanzien en een sterke reputatie. Hij hoorde over Héloïse, een jonge vrouw van ca. 16 jaar (al menen sommige onderzoekers dat ze iets ouder was) die niet alleen buitengewoon intelligent was, maar ook zeer mooi. Abélard besloot contact met haar te zoeken. Hij overtuigde haar oom Fulbert, een vooraanstaande kannunik aan de Notre-Dame, om hem aan te stellen als Héloïses privéleraar. Fulbert, die de intellectuele ontwikkeling van zijn nichtje hoog in het vaandel droeg en wellicht een religieuze carrière voor haar wilde verzilveren, stemde toe.

Over wat er zich feitelijk tussen hen beiden ontplooide is er weinig discussie: Abélard en Héloïse studeerden samen, maar kregen al snel een relatie die ze voor de buitenwereld verborgen hielden. Dat lukte totdat Héloïse zwanger werd, wat hun relatie letterlijk zichtbaar maakte. Abélard, afkomstig uit Bretagne, stuurde Héloïse naar zijn familie, waar zij beviel van een zoontje dat ze Astralab noemden. Fulbert was woedend toen hij dit vernam en drong aan op een huwelijk om de eer van zijn nichtje te beschermen. Abélard en Héloïse trouwden tegen hun zin in Parijs, terwijl Astralab bij Abélards zus Denise in Bretagne bleef. Toch moest het huwelijk geheim blijven om Abélards carrière niet te schaden, in een tijd waarin het kerkelijk celibaat steeds strenger werd opgelegd. Het huwelijk volstond echter niet om Fulberts woede te temperen. Hij liet een wraakactie uitvoeren waarbij Abélard tijdens een nachtelijke aanval door handlangers werd geslagen en gecastreerd.

Getekend door dit trauma trad Abélard in als monnik, terwijl ook Héloïse het kloosterleven aanvaardde. Uiteindelijk werd zij abdis van de abdij van de Paraclete, een kloostergemeenschap in de Champagnestreek die door Abélard was gesticht, en die onder leiding van Héloïse tot volle bloei kwam. Toch betekende hun intrede in het religieuze leven geenszins het einde van hun contact: dat zette zich voort via pen en perkament, in een intense briefwisseling die tot vandaag tot de verbeelding spreekt.

Hun brieven bieden een zeldzame inkijk in middeleeuwse opvattingen over liefde, gender en geleerdheid

We beschikken over zeldzame bronnen die zijn geschreven door de hoofdpersonen zelf na hun intrede in het klooster, iets wat voor deze periode vrijwel ongezien is. Aan de ene kant is er de Historia Calamitatum, ofwel Geschiedenis der Tegenslagen: een autobiografie waarin Abélard op latere leeftijd terugblikt op zijn tumultueuze leven, zijn liefdesrelatie met Héloïse, zijn castratie, de conflicten met kerkelijke autoriteiten en collega-denkers waarin hij verwikkeld raakte, en de filosofische vragen die hem bezighielden. Aan de andere kant zijn er de brieven tussen Abélard en Héloïse, maar ook hun correspondentie met derden, zoals de invloedrijke abt van Cluny, Peter Venerabilis (1092–1156), die Héloïse troostend toesprak na Abélards overlijden. Onlangs verscheen een Nederlandse vertaling van een deel van deze waardevolle historische teksten, namelijk van een aantal brieven tussen Abélard en Héloïse en een aantal brieven van of naar hen door derden. Zo kunnen ook Nederlandstalige lezers zich nu verdiepen in de woorden die dit hooggeleerde koppel elkaar zo’n achthonderd jaar geleden in het Latijn schreef.

Die bronnen geven een unieke inkijk in het intieme leven van Abélard en Héloise, al is het auteurschap niet ongecontesteerd. Sommige onderzoekers hebben twijfel geuit of Héloise wel de werkelijke auteur was. Recent betoogde Jeroen De Gussem, taalkundige aan Universiteit Gent, bijvoorbeeld dat Abélard waarschijnlijk de auteur zou zijn van het volledige corpus. Toch lijken de meeste specialisten te denken dat Héloïse daadwerkelijk de schrijfster was. De stijl van haar brieven lijkt sterk op die van Abélard, wat verklaard kan worden doordat hij haar leermeester was en beiden deel uitmaakten van de intellectuele vernieuwingsgolf van de twaalfde-eeuwse renaissance in Parijs, maar experten zien ook verschillen. Bovendien beschikken we ook over een geschreven brief van Héloïse na Abélards dood. Onderzoekers verwijzen naar die brief om te beargumenteren dat zij wel degelijk een eigen stem had en tot de intellectuele elite van haar tijd behoorde. Het debat over het auteurschap woedt al decennia maar blijft voorlopig onopgelost. Hoe dan ook bieden de brieven een waardevolle inkijk in middeleeuwse opvattingen over liefde, gender en geleerdheid, ongeacht wie de auteur was. Wel blijft er een zekere afstand tussen de woorden in de brieven en het werkelijke leven van dit koppel. De teksten werden pas in de dertiende eeuw ontdekt, wat vragen oproept over hun overlevering. Hoe oorspronkelijk ze precies zijn, is daarom onmogelijk met zekerheid te zeggen.

Deze brieven overstijgen het karakter van gewone privécorrespondentie. Het zijn intellectuele huzarenstukjes, doorspekt met literaire verwijzingen naar zowel religieuze als klassieke teksten. Ze getuigen van een stilistisch meesterschap, wat een besef bij de auteurs suggereert dat ze door meer ogen dan die van de geadresseerde gelezen konden worden. Ze balanceren tussen persoonlijke ontboezeming en publieke zelfpresentatie. Hun waarde ligt dan ook niet enkel in hun mogelijke authenticiteit, maar vooral in wat ze onthullen over de intellectuele en emotionele leefwereld van twee prominente figuren uit de twaalfde-eeuwse renaissance.

Abélard wordt zelden omschreven als dader van seksueel misbruik. Waarom niet?

In deze historische documenten komt de relatie tussen Abélard en Héloïse op indrukwekkende wijze tot leven. De hartstocht en het verlangen tussen hen springen haast van het papier, of beter gezegd van het perkament. Hoewel hun gevoelens worden uitgedrukt in hoogdravende Latijnse bewoordingen, blijft de emotionele intensiteit duidelijk voelbaar. Toch merkt de aandachtige lezer ook passages op die een modern publiek doen fronsen.

In zijn autobiografie Historia Calamitatum maakt Abélard onomwonden duidelijk dat het zijn seksuele verlangen was dat hem ertoe dreef Héloïse in zijn nabijheid te brengen. Over haar oom Fulbert, die haar aan hem toevertrouwde voor onderwijs en tucht, schrijft hij: ‘Wat deed hij dan anders dan een vrijbrief geven aan mijn diepe verlangens, en een gelegenheid bieden, zelfs als we het niet wilden, dat als ik haar niet kon overtuigen door vleierij, ik haar gemakkelijker zou kunnen overtuigen door dreigementen en slagen?’ Zulke formuleringen zijn moeilijk te rijmen met het beeld van een wederzijdse, idealistische liefde dat hun verhaal vaak oproept. Hij profileert zich in zijn brieven als een man met ruime seksuele ervaring, en ook uit andere bronnen blijkt dat die reputatie hem achtervolgde. De Franse abt Fulko schreef Abélard na diens castratie: ‘Hoe zal ik het geweeklaag beschrijven van alleenstaande vrouwen die, toen ze het nieuws hoorden, hun gezicht met tranen bedekten, zoals vrouwen dat doen, omwille van jou, hun ridder die ze hadden verloren?’ Zulke passages werpen een ander licht op Abélards karakter en dwingen ons het liefdesverhaal van dit beroemde koppel, een narratief in de achttiende en vooral de negentiende eeuw aan populariteit won maar tot op vandaag naleeft, niet enkel als een tragische romance te lezen, maar ook als een complexe relatie waarin macht, ego, en reputatie een centrale rol speelden.

Dat de machtsverhouding binnen dit koppel erg ongelijk was blijkt uit de beschrijvingen van het geweld van Abélard jegens Heloïse. Opnieuw in zijn Historia schrijft Abélard: ‘Om minder argwaan te wekken, gaf ik haar soms slagen − maar uit liefde, niet uit woede; uit goedheid, niet uit boosheid’. In één van zijn brieven aan haar vermeldt hij bovendien dat hij haar ook dwong tot seks: ‘Ik heb je bovendien meer dan eens gedwongen erin mee te gaan, door te dreigen, door te slaan. Je kon je niet verweren als vrouw tegen een man − ook als je niet wilde, als je nee zei, als je uit alle macht tegenstribbelde.’ Dient een herschrijving van het liefdesnarratief over dit koppel zich op?

Sinds de MeToo-beweging worstelen verschillende historici met vragen bij klassieke interpretaties van historische cases. In een artikel over een verkrachtingszaak uit vroegmodern Japan, bijvoorbeeld, legt Amy Stanley uit hoe #MeToo ook haar bril als historica veranderde. Bij heranalyse van een door haar eerder bestudeerde zaak erkent zij dat zij aanvankelijk met te veel scepsis keek naar de getuigenis van een vrouw die sprak over haar seksuele trauma. De bredere maatschappelijke bewustwording die #MeToo teweegbracht, zette Stanley aan tot een heroverweging van haar eerdere interpretatie, die − onder het mom van wetenschappelijke kritiek − de stem van deze vrouw in feite ondermijnde. De gerenommeerd seksualiteitshistorica Ruth Mazo Karras wijst in een recent artikel over huwelijksontbinding in de middeleeuwen op een gelijkaardig mechanisme: historici nemen vrouwelijke narratieven en motieven vaak minder serieus dan mannelijke. Onder verwijzing naar de slagzin ‘believe women’ stelt zij dat het tijd is om deze scheve verhouding te corrigeren en de mannelijke bril, die nog steeds vaak gehanteerd wordt, af te zetten.

Moeten we ook het verhaal van Abélard en Héloïse opnieuw beoordelen? De relatie tussen hen wordt vaak voorgesteld als het ultieme liefdesverhaal, maar nemen we daarbij te snel Abélards eigen versie over, een weergave waarin Héloïse verschijnt als zijn trouwe geliefde? Kunnen we, met de inzichten van vandaag, niet ook kritische vragen stellen? Héloïse was destijds een tiener, terwijl Abélard haar oudere leermeester was. In de middeleeuwen lag de leeftijd voor meerderjarigheid niet vast (verschillende wettelijke kaders vermeldden leeftijden die gaan van 12 tot 25 jaar), maar hoe dan ook waren relaties tussen jonge vrouwen en oudere mannen niet per se controversieel. Toch roept dat gegeven vandaag een zekere ongemakkelijkheid op. Kunnen we met zekerheid zeggen dat zij zijn avances daadwerkelijk wilde en dat, zoals één historicus ooit stelde, het ‘rocksterimago’ dat Abélard genoot Héloïse wel moet aangetrokken hebben? Bovendien valt op hoe onderdanig ze zich in haar correspondentie opstelt ten opzichte van hem. Toch wordt Abélard zelden omschreven als dader van seksueel misbruik in hedendaagse analyses. Waarom niet? En wat zou het betekenen om hem wél zo te benoemen? Welke gevolgen zou een dergelijke herinterpretatie hebben voor ons begrip van Héloïse, haar stem en haar positie binnen hun relatie?

Feministische onderzoekers bekritiseren al sinds de tweede feministische golf de traditionele voorstelling van de relatie tussen Héloïse en Abélard. Sinds de MeToo-beweging is die kritiek opnieuw en met meer kracht opgelaaid. In deze lezing wordt Abélard neergezet als een seksueel roofdier die zijn machtspositie misbruikte ten opzichte van zijn jongere leerlinge. Verwijzingen naar dwang en geweld in de brieven maken deze interpretatie begrijpelijk. Toch schuilt ook hierin een risico: dat Héloïse opnieuw gereduceerd wordt tot een passief slachtoffer – een jonge vrouw zonder eigen wil, overgeleverd aan de macht van haar beroemde leermeester. Haar intellectuele kracht en autonomie raken daarmee ondergesneeuwd, en haar stem binnen de relatie wordt opnieuw gemarginaliseerd.

Wat wilde Héloïse? Een onmogelijke vraag!

De brieven tussen Abélard en Héloïse kunnen niet louter worden gezien als persoonlijke correspondentie; ze zijn ook een intellectueel schouwspel waarin klassieke invloeden doorklinken. Die literaire sporen van klassieken werpen nieuw licht op het discours van erotiek en geweld in de brieven. Een van de belangrijke invloeden is het werk van de Romeinse dichter Ovidius, met name Ars Amatoria, een handleiding voor mannen over hoe vrouwen te verleiden. Dit werk neemt de grens tussen verleiding, dwang en volharding niet altijd serieus en portretteert liefde als een spel van macht, pijn en verlangen, waarbij vrouwelijke onderwerping de norm is. Abélards uiting van verlangen overschrijdt de grens tussen leermeester en geliefde en vertoont parallellen met de gewelddadige liefde in Ovidius’ werk. Ook voor Héloïse stuurde deze klassieke retoriek de manier waarop hun relatie werd verbeeld. In haar brieven beschrijft ze zichzelf vaak in relatie tot Abélard en zijn verlangens: ze noemt hem ‘meester’ of ‘vader’ en zichzelf zijn ‘slaaf’, ‘vriendin’ of zelfs ‘hoer’. Deze dynamiek past binnen een bredere middeleeuwse cultuur waarin erotische dwang werd verbeeld en zelfs gelegitimeerd. De pastourelles, een hoogmiddeleeuws genre van gedichten waarin mannen herderinnen verleiden, vormen een ander voorbeeld van deze literaire traditie waarin verontrustende narratieven van dwang geen uitzondering zijn. Ook de brieven van Héloïse en Abélard worden door deze cultuur en intertekstualiteit gekleurd, waardoor we ons kunnen afvragen in hoeverre hun verwoordingen louter literaire constructies waren of ook een afspiegeling vormden van de realiteit van hun relatie.

De interpretatie van de brieven van Abélard en Héloise is dus complex omdat de teksten een sterk retorisch en literair karakter hebben. Daardoor zijn ze geen betrouwbare bron als we willen achterhalen hoe het duo zich echt voelde en wat ze daadwerkelijk verlangden. Dat het auteurschap bovendien nog steeds ter discussie staat, bemoeilijkt deze kwestie nog verder. Toch weten we genoeg over Héloïse om haar niet louter in relatie tot Abélard te benaderen, maar haar te erkennen als een zelfstandig denker die haar eigen plaats in de geschiedenis verdient. Al vóór haar ontmoeting met Abélard stond Héloïse in Parijs bekend als een uitzonderlijk intelligente vrouw. Dat bevestigen niet alleen de geschriften van Abélard maar ook andere historische bronnen. Een brief van de genoemde Peter Venerabilis aan Héloïse stelt bijvoorbeeld: ‘Dat is de situatie waarin jij met je werk, dat we niet genoeg kunnen ophemelen, niet alleen iedere andere vrouw hebt overtroffen, maar ook zo ongeveer alle mannen op de wereld hebt overstegen.’ Haar eigen brieven (als we de piste volgen dat zij daadwerkelijk de auteur was) getuigen inderdaad van haar intellect, haar retorische vaardigheden en haar indrukwekkende kennis van de klassieken. Ze benut Abélards stijl en argumentatiestrategieën niet slechts als een leerling, maar als een evenknie die volgens sommige experten eigen, originele ideeën uitwerkt, met name over de liefde en het huwelijk. Zo formuleren de brieven die aan Héloïse worden toegeschreven bijvoorbeeld scherpe kritiek op het huwelijk, dat ware liefde zou belemmeren. Liefde mocht niet institutioneel verankerd en dus daardoor belemmerd worden maar zou net moeten gaan over vrijwilligheid, toewijding en autonomie. Na hun tumultueuze affaire groeide Héloïse uit tot een succesvolle abdis die meer dan dertig jaar lang een kloostergemeenschap leidde en de oprichting van meerdere dochtergemeenschappen superviseerde.

Kloosters boden in die periode vrouwen een ruimte voor intellectuele ontwikkeling en scholing die hen elders vaak werd ontzegd. Héloïse was niet de enige vrouw die zich binnen deze religieuze structuren als erudiet denker manifesteerde: een tijdgenoot, Herrad van Landsberg, werd eveneens een gevierd abdis van een gemeenschap in de Vogezen en omarmde actief de scholastiek in haar werk, dat soms de allereerste encyclopedie wordt genoemd. Hoewel de intellectuele ontwikkelingen van de twaalfde eeuw vaak als een exclusief mannelijke aangelegenheid worden beschouwd, bewijzen figuren als Héloïse en Herrad dat religieuze vrouwen eveneens een belangrijke rol speelden.

Héloïses invloed blijkt niet alleen uit haar brieven, maar ook uit haar correspondentie met derden, met name de al meermaals genoemde Peter Venerabilis, de abt van Cluny, de abdij die als gerenommeerd hervormingscentrum fungeerde in de hoge middeleeuwen. Haar positie en autoriteit binnen deze gesprekken onderstrepen haar intellectuele statuut en leiderschap, los van Abélard. Zo onderhield ze na Abélards dood contact met Venerabilis en vroeg ze hem met succes om hulp om Abélards lichaam naar Paraclete te laten overbrengen ter begraving. Ook vroeg ze hem om steun voor haar zoon, Astralab: ‘Ten slotte hoop ik dat u in uw liefde voor God en voor ons aan Astralab wilt denken; misschien kunt u bij een bisschop − bijvoorbeeld in Parijs, maar het maakt niet uit waar − een kerkelijke beurs voor hem krijgen waarvan hij zou kunnen leven.’ Venerabilis antwoordde positief: ‘Zodra ik de kans krijg, ga ik met alle liefde mijn best doen om bij een van de meer vooraanstaande kerken financiering voor die jongen te krijgen.’ Dat de abt van Cluny, een edelman die in de hoogste maatschappelijke kringen van zijn tijd bewoog, met zoveel respect en genegenheid naar Héloïse schreef, is opmerkelijk. Ondanks haar affaire met haar leermeester, haar vlucht naar Bretagne om haar aanvankelijk onwettige kind ter wereld te brengen en haar geheime huwelijk met een man wiens verhaal zich snel in en buiten Parijs verspreidde, groeide Héloïse uit tot een van de grote intellectuelen van haar tijd. Haar positie als religieuze leider van haar vrouwengemeenschap bevestigde niet alleen haar invloed, maar ook haar vermogen om zich te handhaven in een intellectueel en spiritueel domein dat haar erkenning gaf, ondanks de schandalen die haar verleden omringden.

Héloïse verdient het om niet enkel te worden gezien als ofwel de geliefde van ofwel het slachtoffer van Abélard, maar als een intellectueel en een invloedrijke figuur in de geschiedenis van het middeleeuwse denken en kloosterleven. Onderzoekers blijven hinken op twee gedachten wanneer het gaat om hun verhaal. Voor sommigen is het een tragische liefdesgeschiedenis, een emblematisch verhaal van passie en intellectuele verbondenheid. Anderen kijken met meer scepsis naar die romantisering en wijzen op elementen van dwang, manipulatie en zelfs geweld. De brieven die tussen hen zijn overgeleverd, bieden geen eenduidige toegang tot hun innerlijke belevingswereld. Juist daarom is het wellicht vruchtbaarder om Héloïse niet primair te beschouwen als personage in een (romantisch) drama, maar als een intellectueel met uitzonderlijke retorische gaven, organisatorisch talent en een indrukwekkende religieuze loopbaan.

Constant J. Mews, Abelard and Heloise. (Oxford: Oxford University Press, 2005).

Fiona Griffiths, The garden of delights. Reform and renaissance for women in the twelfth century. (Philadelphia: University of Pennsylvania Press, 2007).

Marilynn Desmond, ‘Venus’s clerk: Ovid’s amatory poetry in the Middle Ages’. In: John F. Miller en Carole E. Newlands (red.), A handbook to the reception of Ovid. (Chichester: Wiley-Blackwell, 2014).

Chanelle Delameillieure is als tenure track-docent verbonden aan de onderzoeksgroep Middeleeuwen van KU Leuven en ook werkzaam aan campus Kulak. Ze onderzoekt middeleeuwse familie- en gendergeschiedenis met een focus op seksueel, gendergerelateerd en familiaal geweld. Ze werkt aan een boek over de geschiedenis van toestemming, dat binnenkort bij uitgeverij Lannoo verschijnt.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen