Deel dit artikel

de geschiedschrijving over willem van oranje en over de nederlandse opstand van 1568 is lange tijd ideologisch gekleurd geweest, als ging het om een nederlandse of protestantse vrijheidsstrijd of zelfs om een revolutie van het volk tegen de gevestigde orde. in zijn moderne, volledige biografie over de man maakt rené van stipriaan echter heel duidelijk dat het oranje daar allemaal nooit om te doen was. bovendien trekt de auteur de nette taakverdeling in twijfel die sommigen willen zien tussen academische onderzoekers en publieksschrijvers.

De Zwijger in debat? Historisch onderzoek en publieksgeschiedenis

Isabel Casteels

De nieuwe biografie over Willem van Oranje door René van Stipriaan is in veel opzichten bewonderenswaardig. Het boek is vuistdik, het telt zo’n duizend pagina’s, maar leest haast als een roman. De waardering van het publiek blijkt uit de toekenning van de Libris Geschiedenis Prijs én de Nationale Biografieprijs in 2022. Er verschijnen uiteraard vaak goede geschiedenisboeken voor een breed geïnteresseerd publiek, maar meestal werken deze auteurs synthetiserend, op basis van bestaande (door historici aangeleverde) historiografie, en daarom zijn ze voor het academisch onderzoek minder van belang. Dit ‘publieksboek’ heeft echter ook impact op het onderzoeksveld: Van Stipriaan verrichte uitstekend en diepgravend archief- en bronnenonderzoek en positioneert zijn studie in de bestaande historiografie. Het werk biedt ook een aanzet tot reflectie. Van Stipriaan werkte – met tussenpozen – zo’n twintig jaar aan zijn boek. Hij deed dat in een niet-universitaire omgeving, en zonder subsidies. Hoe verhouden publiekshistorici en academisch historisch onderzoek zich nu tot elkaar? Welke invloed heeft herinneringscultuur op historisch onderzoek, en hoe verschillen België en Nederland hierin?

Het is bepaald geen onontgonnen terrein. Honderdvijftig auteurs gingen Van Stipriaan voor in het beschrijven van het leven van Willem van Oranje (1533-1584). In mijn eigen boekenkast staan toch al gauw tien boeken over de man. Oranje was dan ook een belangrijke figuur in de geschiedenis van Nederland en België. Hij speelde een sleutelrol in het uitbreken van de Nederlandse Opstand rond 1568 tegen de landsheer van de Nederlanden, Filips II, die tevens de koning van Spanje was. Het gevolg hiervan was de scheuring van de Nederlanden in de Protestantse Republiek in het Noorden en de katholieke zuidelijke gewesten, die onder het gezag van de Habsburgers bleven. Toch is de aanhoudende aandacht voor deze zestiende-eeuwse edelman vooral te danken aan de grote rol die hij speelde in de totstandkoming van een Nederlandse nationale identiteit. Hij zou bekend komen te staan als voorvechter van gewetensvrijheid en religieuze tolerantie, waarden die nog altijd sterk verbonden zijn met het Nederlandse zelfbeeld.

Willem van Oranje zou bekend komen te staan als voorvechter van gewetensvrijheid en religieuze tolerantie

De historiografie over Oranje, en over de Opstand in bredere zin, is daardoor lange tijd ideologisch gekleurd geweest. De precieze invulling hing af van de voorkeur van de historicus en varieerde van liberaal (de Opstand als Nederlandse vrijheidsstrijd) tot religieus (de Opstand als religieuze emancipatie van de Protestanten) of zelfs marxistisch (de Opstand als revolutie van het volk tegen de gevestigde orde). Ondanks – of wellicht juist vanwege – het enorme belang van Willem van Oranje voor deze herinneringscultuur ontbrak er nog een moderne en volledige biografie over hem. Met het verschijnen van De Zwijger is die leemte nu opgevuld. Onder historici is het beeld van de Nederlandse Opstand als vrijheidsstrijd al langer achterhaald, maar in Van Stipriaans werk komt het wel heel indringend naar voren dat een onafhankelijk Nederland nooit de inzet was van de opstand tegen de Spaanse landsheer.

Hoe raakte Willem van Oranje verstrikt in dit conflict? Van Stipriaan baseerde zijn levensbeschrijving voor een groot deel op het enorme corpus van correspondentie van Oranje dat bewaard is gebleven. De auteur kent deze brieven goed: de afgelopen decennia was hij betrokken bij projecten om de briefwisselingen van Oranje te digitaliseren. Het beeld dat hij schetst is daardoor enorm gedetailleerd: niet eerder kwam de persoon van Oranje zo dichtbij. Indringend is de tragiek van zijn leven. De mislukte huwelijken, de eenzaamheid, en het door blijven vechten tegen beter weten in, terwijl alle partijen zich tegen hem keerden. De wanhoop is voelbaar. Maar tegelijkertijd blijft Oranje toch ook ver weg. Zoveel van zijn beweegredenen, zijn diepste gedachten, blijven onbekend en ongeweten.

En dat is niet voor niets. Van Stipriaan laat prachtig zien dat Oranje leefde in een wereld van de schijn ophouden. De titel van het boek, De Zwijger, is daarop een toespeling. Oranjes toneel was de hofcultuur van laatmiddeleeuws Europa, met haar banketten en toernooien, waarin eergevoel en loyaliteit van de vazal aan de vorst van fundamenteel belang waren. Het is niet alleen voor de volledigheid dat Van Stipriaan zijn verhaal begint met een eerste hoofdstuk over het ‘gewicht van de stamboom’ van het adellijke geslacht Nassau-Dillenburg, gevestigd in het Heilige Roomse Rijk en dus nauw verbonden met de politiek van de Duitse vorstendommen. Het hele handelen en het leven van Oranje moeten begrepen worden vanuit een aristocratisch denkpatroon. Het eerste hoofdstuk vormt niet zozeer een inleiding op het leven van Oranje, maar de kern ervan.

Oranje leefde in een wereld van de schijn ophouden

Het Zuid-Franse vorstendom Orange erfde Willem op jonge leeftijd van neef René van Chalon, waarmee hij in één klap tot de hoogste adel van de Nederlanden behoorde. Oranje was ambitieus. Zijn eigen- (en daarmee familie-)belang stond altijd voorop. Wie nog dacht dat Willem van Oranje vooral als een altruïstische held in de bres sprong voor de calvinisten – zoals de oudere historiografie soms liet uitschijnen – wordt hier uit de droom geholpen. Als vorst van het zelfstandige Orange greep hij bijvoorbeeld tijdens de Franse religieoorlogen hard in en liet hij meerdere protestanten terechtstellen. Na de beeldenstorm van 1566, waarbij boze menigtes kerkinterieurs doorheen de Nederlanden aan stukken sloegen, uit gereformeerde kritiek op heiligenverering en de rijkdom van de katholieke kerk, moest Willem van Oranje de orde herstellen in Antwerpen. Hij trad ook hier rigoureus op: slechts enkele dagen nadat de religieuze gebouwen in Antwerpen vernield werden, liet hij drie beeldenstormers ophangen om een voorbeeld te stellen.

Toch maakt Van Stipriaan ook aannemelijk – zij het met een slag om de arm – dat de prins wel degelijk een ideaalbeeld voor ogen had: een opmerkelijke boodschap van religieuze verdraagzaamheid. Zijn ideaal lag min of meer in lijn met de in humanistische culturele kringen gangbare afkeer van extremen aan beide zijden, geïnspireerd door Erasmus’ idee van de via media – de gulden middenweg – op politiek en religieus gebied. Dit pad van tolerantie werkte echter in de praktijk politiek noch religieus in zijn voordeel en riep aan beide zijden van de scheidslijn veel weerstand op. Het maakte iedere onderhandelingspoging met de Spaanse koning – een katholieke hardliner op religieus gebied, tot geen enkele toegeving aan de protestanten bereid – tot een mislukking. De gedachte achter Oranjes tolerantiebeleid was echter geen ‘bevrijding’ van het religieuze of politieke juk van de ‘Spaanse overheerser’, maar verzoening. In eerste instantie probeerde Oranje vooral om de koning zijn beleid te laten veranderen, niet zozeer om onafhankelijk te worden.

In eerste instantie probeerde hij vooral om de koning zijn beleid te laten veranderen

Maar tegen 1568 bleek de breuk tussen Oranje en de Spaanse koning definitief. De koning verweet de hoge adel in de Nederlanden dat ze te laks was geweest in het optreden tegen de calvinisten en de Beeldenstorm van 1566 niet had voorkomen. De Raad van Beroerten, een gelegenheidsrechtbank om de aanstichters van de ‘troebelen van 1566’ te berechten, veroordeelde twee andere edelen, Lamoraal van Gavere, graaf van Egmont, en Filips van Montmorency, graaf van Horne, ter dood vanwege hoogverraad. Oranje wist hetzelfde lot te voorkomen door op tijd te vertrekken naar Duitsland, maar de Raad veroordeelde hem in absentia en confisqueerde al zijn bezittingen. Vanaf dat moment werd Oranje de architect van de opstand tegen de landsheer. Hierbij had zijn eigen machts- en bezitsbasis in de Nederlanden immers het meeste te winnen.

Het lukte Oranje steeds beter om zijn eigenbelang als gemeenschappelijk landsbelang te formuleren. Want hoewel de meeste politieke en militaire successen – als je ze al zo kan noemen – te danken waren aan het falen van zijn vijanden en zelden aan zijn eigen verdienste, was hierop wel één belangrijke uitzondering. Oranje slaagde erin om een invloedrijke propagandamachine op te zetten, en die te gebruiken als wapen in de strijd. Door middel van de drukpers probeerde hij iedereen aan zijn kant te krijgen: de calvinisten, de Staten-Generaal, de mensen op straat, de stadsbestuurders, de handelaars en ambachtslieden. Hij probeerde ze te laten inzien dat een opstand tegen de landsheer ook hún aanging. Dat dit conflict niet zonder meer een politiek spel tussen twee machtige, in hun eer en bezit aangetaste heren was.

Oranje stierf in 1584 op 51-jarige leeftijd door een kogel uit het pistool van de religieuze fanaticus Balthasar Gerards. De pr-machine die door Oranje zo vakkundig werd bediend ging een eigen leven leiden na zijn dood. Zo laat Van Stipriaan ook gelijk zien hoe deze man kon uitgroeien tot hét nationale symbool van de nieuwe Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die in 1588 werd uitgeroepen. De nieuwe natie, onderling zo verdeeld, verenigde zich met terugwerkende kracht alsnog onder Oranjes boodschap van religieuze tolerantie.

De nieuwe natie verenigde zich met terugwerkende kracht alsnog onder Oranjes boodschap

Het is gezien de strekking van het werk van Van Stipriaan daarom eigenlijk wel ironisch te noemen dat het boek juist verscheen tijdens het herdenkingsjaar 2022, toen het 450 jaar geleden was dat de watergeuzen – een bonte verzameling van verbannen of gevluchte protestanten, edelen en zeelieden die onder gezag van Willem van Oranje buitenlandse schepen plunderden – het kleine Hollandse stadje Den Briel innamen. Hiermee kregen de opstandelingen vaste voet aan de grond, wat het startsein bleek voor een reeks veroveringen en opstanden in andere steden. In 2022 werd deze gebeurtenis uitgebreid gevierd als ‘de geboorte van Nederland’. De ‘kernwaarden’ die daarbij centraal stonden waren vrijheid, verdraagzaamheid, verbondenheid en verscheidenheid. Het eerste exemplaar van Van Stipriaans boek werd tijdens een officiële ceremonie in ontvangst genomen door koning Willem-Alexander.

Het zegt veel over het verschil in herdenkingscultuur in België en Nederland. Waar dit herdenkingsjaar in Nederland groots gevierd werd, was er in België maar weinig aandacht voor. Desondanks was het jaar 1572 ook in de zuidelijke Nederlanden belangrijk. Sterker nog, Van Stipriaan laat zien dat de activiteiten van Oranje en de opstandelingen in deze fase van het conflict veel meer gericht waren op het Zuiden. Min of meer per toeval kregen de watergeuzen vaste voet aan de grond in het moerassige Holland. De noordelijke Nederlanden waren voor Oranje overduidelijk van secundair belang. De in economisch en politiek opzicht veel belangrijkere zuidelijke gewesten, met name Brabant, waren de kern van Oranjes activiteiten. Veel van zijn machtsspelletjes concentreerden zich op dit machtige gewest, waar ook de meeste van zijn familiebezittingen lagen.

En toch is Willem van Oranje niet de geschiedenis ingegaan als ‘Vader des Vaderlands’ van België. Aangezien de zuidelijke Nederlanden al gauw weer onder gezag van de katholieke Habsburgers terugkwamen, zou de Opstand hier herinnerd worden als een bloederig en chaotisch conflict, veroorzaakt door ‘ketters’, die het economische verval van de Habsburgse Nederlanden had ingezet. Met weemoed werd er teruggedacht aan de hoogtijdagen van de Bourgondiërs, voorafgaand aan de Opstand. De identiteit van de Zuidelijke Nederlanden werd vooral gekenmerkt door het katholicisme van de contrareformatie en was gecentreerd rondom de Habsburgse vorsten. Nog steeds spelen de Bourgondiërs in België een belangrijkere rol in de herinnering aan het eigen verleden dan Willem van Oranje.

Nog steeds spelen de Bourgondiërs in België een belangrijkere rol in de herinnering aan het eigen verleden

Hoewel het onderzoek naar Oranje lange tijd ideologisch gekleurd is geweest, geeft de aandacht in de media en onder een breed publiek ook grote impuls aan onderzoeksactiviteiten. Academische historici liften als het ware mee op de aandacht die er bij een breed publiek bestaat. Er zullen maar weinig historici het helemaal eens zijn geweest met de manier waarop het jaar 1572 gevierd werd door de organisatoren van het herdenkingsjaar – de watergeuzen, zoals we ook in Van Stipriaans biografie kunnen lezen, waren allesbehalve verdraagzaam en verbonden – , maar alle aandacht bood wel een kans om zulke nationale mythes te nuanceren. Historici kunnen misschien niet altijd de agenda van de collectieve herinnering bepalen, maar ze hebben wel een stem. Op het toenmalige Twitter vroeg een enkeling zich af waar de Belgische historici waren in dit debat. Een uitzondering daargelaten viel de aandacht voor dit herdenkingsjaar in België inderdaad in het niet bij de vloed aan publicaties van Nederlandse historici over het onderwerp.

Maar ook los van de dynamieken van de collectieve herinnering houden historici in zowel Nederland als België zich in toenemende mate bezig met het vertalen van onderzoek naar een breed publiek. Ze publiceren academisch onderzoek als publieksboek of verschijnen bovendien regelmatig in de media om historische duiding te bieden bij allerlei gebeurtenissen. Universiteiten, net als de nationale financieringsinstellingen, maken er bovendien in toenemende mate een prioriteit van dat hun onderzoekers ‘wetenschapscommunicatie’ opnemen in hun takenpakket. Toch blijft de vraag in welke mate zij willen en kunnen deelnemen aan historische debatten. Het vormt niet de kern van hun werk, het is meer iets dat je ‘erbij doet’. Naast lesgeven en het schrijven van peer-reviewed A1-publicaties is er nu eenmaal weinig tijd over voor populariserende boeken. Daarbij staan academici en de auteurs van publieksgeschiedenisboeken nogal eens tegenover elkaar in de historische arena. De historici betichten de publieksschrijvers van ongenuanceerdheid, en de publiekshistorici werpen de academici voor de voeten dat ze dan zélf maar leesbare boeken moeten schrijven. Inderdaad zijn het schrijven van publieksgeschiedenis en het verrichten van academisch historisch onderzoek in de kern verschillende vaardigheden. Er zijn historici die concluderen dat differentiatie daarom gewenst is. Waar iemand als Bart van Loo nu eenmaal veel beter literair historisch kan schrijven, kunnen academici zich beter richten op het doorspitten van archieven.

Academici en auteurs van publieksgeschiedenisboeken staan vaak tegenover elkaar in de historische arena

Een boek zoals dat van Van Stipriaan trekt deze nette onderverdeling weer in twijfel, want hier worden beide met elkaar verenigd, zoals hierboven uiteengezet. We kunnen daarmee de vraag ook omdraaien. In plaats van ons af te vragen of historici meer of minder publieksboeken zouden moeten schrijven, kunnen we erover nadenken waarom een boek zoals dit niet in een academische omgeving tot stand kwam. Is het niet opvallend dat dit boek, dat door academische historici bij verschijnen al wordt beschouwd als een nieuw standaardwerk, tot stand kwam buiten de muren van een universiteit? Via de reguliere competitieve financieringskanalen zou een project als dit waarschijnlijk niet snel financiering krijgen. Het is in veel opzichten te ‘traditioneel’. Het is duidelijk een project geweest van lange adem, over een onderwerp waar we al veel over weten, waar van tevoren weinig directe belofte was van een radicale doorbraak in het historische veld. Gaat deze manier van geschiedenis schrijven een beetje verloren in een steeds competitiever en op projectaanvragen gebaseerd financieringsstelsel? Ik denk dat er veel historici zijn die zo’n boek als dat van Van Stipriaan zouden willen schrijven, maar daar de tijd niet voor kunnen vrijmaken.

Het zijn vragen waar we geen antwoorden op hebben, maar die wellicht wel aanleiding geven tot reflectie. Het succes van De Zwijger toont in ieder geval aan dat academisch onderzoek en goed geschreven publieksboeken complementair zijn. Er bestaat bij een breed publiek vraag naar kwalitatieve, op gedegen onderzoek gebaseerde geschiedenis. Je hoeft als historicus niet in te boeten aan wetenschappelijke integriteit om goed leesbare boeken te schrijven en nuances aan te brengen in historische debatten die leven bij een breed publiek.

René van Stipriaan, De Zwijger. (Amsterdam: Querido, 2021).

Isabel Casteels is doctoraatsonderzoeker aan KU Leuven en Universiteit Leiden. Ze doet onderzoek naar terechtstellingen tijdens de Nederlandse Opstand en is daarbij vooral geïnteresseerd in de rol die de toeschouwers speelden tijdens executies en de culturele dimensies van rechtvaardigheid.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen