hormonen zijn de chemische boodschappers in ons lichaam. ze reguleren cruciale processen zoals onze groei, ons metabolisme en de ontwikkeling van onze geslachtskenmerken. daarnaast oefenen ze een opmerkelijke invloed uit op onze emoties, ons gedrag en onze hele persoonlijkheid. naar aanleiding van het boek ‘wij zijn onze hormonen’ van de nederlandse internist-endocrinoloog max nieuwdorp zetten we hier de schijnwerper op enkele minder gekende, maar erg intrigerende effecten van hormonen op lichaam en geest.
Hoe onze hormonen ook onze persoonlijkheid dirigeren
De term hormoon vindt zijn oorsprong in het Oud-Grieks en verwijst naar een werkwoord dat zoveel betekent als ‘in beweging brengen’. De Britse fysiologen Ernest Starling en William Bayliss ontdekten begin 20ste eeuw dat er stoffen in de bloedbaan gesecreteerd of afgescheiden werden door gespecialiseerde klieren – vandaar ook de term endocrinologie – en dat deze stoffen de spijsvertering aansturen, zelfs bij een beschadigd zenuwstelsel. Ondertussen kennen we meer dan 40 hormonen, die door onder andere de hypofyse, de schildklier, de alvleesklier, de bijnieren, de testikels en de eierstokken geproduceerd en afgescheiden worden. Slecht functioneren van deze klieren ligt aan de basis van erg frequente aandoeningen zoals obesitas, diabetes en subfertiliteit.
In de medische wereld is Max Nieuwdorp vooral bekend omwille van zijn baanbrekend onderzoek naar de interactie tussen het darmmicrobioom en de gezondheid, en naar de mogelijkheid om met stoelgangtransplantaties verlichting te bieden voor metabole aandoeningen. Met Wij zijn onze hormonen schrijft de auteur een boek over iets helemaal anders: het hele spectrum van de endocrinologie. Hij geeft aan dat de aanleiding was dat zovelen in zijn familie last hebben van een of andere vorm van hormonale ziekte en dat hij in het dokterskabinet vaak geen tijd had om de vele vragen van zijn patiënten uitgebreid te bespreken. De titel verwijst naar het feit dat hormonen de dirigenten van ons lichaam zijn, en natuurlijk is het een knipoog naar het fantastische boek dat zijn collega Dick Swaab schreef, Wij zijn ons brein. In het kader van dit artikel licht ik graag vier stukjes uit het boek toe, omdat ze mij als clinicus prikkelen en de macht van hormonen in perspectief plaatsen: cortisol, vrouwen, mannen, en het vergeten van de vrouw.
Slecht functioneren van hormoonproducerende klieren veroorzaakt veel frequente aandoeningen
Cortisol wordt gesecreteerd uit de kleine maar erg krachtige bijnier bij psychische of lichamelijke stress. In tandem met adrenaline en aldosteron maakt cortisol het lichaam klaar om te vechten of te vluchten, door onder andere de bloeddruk en de alertheid te verhogen en suikers vrij te maken uit opgeslagen vetten en eiwitten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat chronische stress aanleiding kan geven tot hypertensie, insomnia en diabetes.
Zoals Max Nieuwdorp ook samenvat, heeft onderzoek van de laatste jaren echter getoond dat cortisol niet enkel een acuut stresshormoon is, maar dat langdurige hoge concentraties van cortisol tijdens de zwangerschap ook op late leeftijd problemen kunnen geven bij het kind. Zo kan een periode tijdens de zwangerschap waarin de moeder veel stress ervaart zich bijvoorbeeld uiten in meer slapeloze nachten, prikkelbaarheid en neiging tot overgewicht of suikerziekte bij het kind dan men puur op basis van genetica zou verwachten. Waarschijnlijk is dit toe te schrijven aan een mechanisme dat epigenetische verandering heet, met name een hogere of lagere activeerbaarheid van bepaalde genen die zelf niet veranderen qua inhoudelijke code.
Verder kunnen de effecten van hormonale schommelingen tijdens de zwangerschap lang doorwerken in het zich nog ontwikkelende lichaam en brein van het kind. Ernstige, chronische stress tijdens de zwangerschap (zoals bij natuurrampen of oorlogen, maar ook intens verdriet zoals de dood van een geliefde of een ander trauma) kan onomkeerbare schade toebrengen aan de neurologische ontwikkeling van foetussen. De zogenaamde critical development period van het kind valt dan samen met de periode waarin de stresshormonen in het bloed van de moeder hoger zijn. Omwille van de invloed van deze hormonen op het immuunsysteem en het brein kan dit resulteren in slechtere concentratie, (faal)angst, gebrekkiger algemeen functioneren, premature geboortes en zelfs schizofrenie of misvormingen.
De invloed van geslachtshormonen zet zich verder op het mentale vlak
Dat de invloed van geslachtshormonen groot is, weten we allemaal door de fysieke klachten die kunnen opduiken zodra er grote veranderingen optreden, zoals de ontwikkeling van de geslachtsspecifieke lichaamsbouw tijdens de puberteit of warmteopwellingen tijdens de menopauze. Die invloed beperkt zich niet tot het lichamelijke, maar zet zich verder op het mentale vlak: de geslachtshormonen testosteron en oestrogeen spelen een rol in hoe de hersenen zich ontwikkelen. Hierdoor lijken mannen van nature meer aanleg te hebben voor oriëntatie en andere ruimtelijke taken en beschikken vrouwen over het algemeen over meer verbale kwaliteiten en een beter langetermijngeheugen.
Inderdaad, hoge oestrogeenspiegels – zoals tijdens de zwangerschap en bij gebruik van de anticonceptiepil – gaan gepaard met een beter geheugen. Omgekeerd is er in de weken na de geboorte en tijdens de menopauze meer vergeetachtigheid, soms zo ernstig dat vrouwen bang zijn dat ze vroeg dement beginnen te worden. Sommigen zien daarin het evolutionaire voordeel dat het lichamelijke ongemakken in die periodes zou kunnen helpen vergeten… Of een anticonceptiepil die oestrogeen bevat vervolgens ook effectief het geheugen beïnvloedt, is in detail onderzocht. Een experiment liet vrouwen, zowel pil- als niet-pilgebruikers, films kijken en vroeg ze een week later wat ze zich ervan herinnerden. De vrouwen met een natuurlijke cyclus herinnerden zich de emotionele componenten veel gedetailleerder, terwijl de pilgebruikers – die een stabiel hoge dosis oestrogeen binnenkregen – juist beter de kern van het verhaal konden formuleren. Hieruit valt af te leiden dat een natuurlijke hormoonhuishouding je in staat stelt om emotionele details beter te onthouden, maar dat de anticonceptiepil je aandacht juist meer naar de kern van de zaak stuurt.
Zoals meestal wanneer iets te goed klinkt om waar te zijn, zijn er addertjes onder het gras. Gebruik van de hormonale anticonceptiepil houdt enkele beperkte lichamelijke risico’s in aangaande bloedklonters en kankers, waar ik hier niet op inga. Wat ik wel wil aanstippen is dat bij gebruik van een oestrogeenbevattende pil de eigen aanmaak in de eierstokken tijdelijk wordt stilgelegd; er is namelijk voldoende oestrogeen in omloop. Dit leidt er evenwel ook toe dat er geen ‘bijproducten’ van oestrogeenaanmaak zijn, zoals bijvoorbeeld een lage dosis testosteron, het mannelijke geslachtshormoon dat vooral gekend is voor zijn effect op spieraanmaak en libido. Dit heeft als voordeel dat er minder acne is, maar zou er ook toe leiden dat vrouwen die langdurig een oestrogenenpil nemen zich minder energiek voelen en een wat lager libido hebben. Hoewel dat laatste weer afgewogen dient te worden tegen de seksuele vrijheid die zo’n anticonceptiepil natuurlijk geeft.
Het oestrogeen in anticonceptiepillen leidt er ook toe dat er geen ‘bijproducten’ van natuurlijke oestrogeenaanmaak zijn
Het andere belangrijke geslachtshormoon bij vrouwen is progesteron. Ook dat is aanwezig in vele anticonceptiepillen, eventueel in combinatie met oestrogeen. In principe kan een progesteronhoudende anticonceptiepil ook leiden tot vermoeidheid en stemmingswisselingen, hoewel dat meestal niet het geval blijkt en er waarschijnlijk een persoonlijke gevoeligheid meespeelt bij gebruikers die dit wel zo ervaren. Anderzijds mogen we ook hier niet uit het oog verliezen dat langdurig gebruik bij een enorme groep van vrouwen toch een significante impact kan hebben. Zo blijkt uit Deens populatieonderzoek dat het risico op zelfmoord of zelfmoordpoging hoger ligt bij progesteron-only anticonceptiepillen.
Met bovenstaande kritische paragrafen wil ik trouwens geen medisch advies geven, en zeker geen afbreuk doen aan de vooruitgang die hormonale anticonceptiemiddelen hebben gebracht; de voordelen wegen meestal veel zwaarder door dan de beperkte mogelijke negatieve effecten. Wanneer een jonge vrouw echter klachten of twijfel heeft, kan dit alles best eens met de huisarts, gynaecoloog of endocrinoloog besproken worden.
Voortplantingshormonen hebben al duizenden jaren enorme effecten op de algemene lichamelijke en emotionele gezondheid, en niet alleen bij vrouwen. Ook mannen kunnen zich biologisch (hormonaal) snel aanpassen tijdens de zwangerschap, wat erop zou kunnen wijzen dat de verdeling van mannelijke en vrouwelijke sociale rollen in het oerklassieke jonge gezin minder zwart-wit is dan meestal aangenomen. Zonder een goed intern afgestemd hormonaal systeem zou onze voortplanting immers fors in gevaar kunnen komen.
Ook mannen passen zich hormonaal snel aan tijdens de zwangerschap van hun partner
Bij de aanstaande vader daalt het testosteron in het laatste trimester van de zwangerschap van zijn partner, met een extra dip na de geboorte. Dit zou mogelijk gewichtstoename in de hand werken, maar vooral de kans op fysieke agressie verminderen en het libido op een lager pitje zetten. Vaders kennen verder ook een meer uitgesproken reactie van het ‘knuffelhormoon’ oxytocine, en meer prolactine, wat een betere binding met het kind in de hand werkt. Interessant genoeg daalt het testosteronniveau van een jonge vader des te sneller wanneer hij meer tijd doorbrengt met zijn kind, maar tegen de tijd dat het kind de eerste stappen zet, is de testosteronbalans weer hersteld.
Bovenstaande betekent overigens niet dat elke jonge vader hormonaal compleet staat afgesteld op Het Gezin. Integendeel, bij sommige mannen is er zelfs eerder een hang naar ontrouw, het zogenaamde ‘Coolidge-effect’, dat ook bij andere dieren voortkomt en er vermoedelijk op gericht is om de genen meer te mixen en te verspreiden… Ook hier is er een duidelijke link tussen hormonen, hersenen en gedrag: de dopaminerush die optreedt bij overspel kan daarin een grote motivator zijn. Gelukkig zit er bij de meeste mannen een dikke, verstandige laag hersenschors over die stukken van het oerbrein heen, om het haantjesgedrag te inhiberen.
Als laatste interessant punt waar Max Nieuwdorp ook bij stilstaat in zijn boek herneem ik graag de vraag waarom de vrouwelijke fysiologie zo lang als een ‘lightversie’ beschouwd werd van het mannenlijf, met name gewoon als een versie met minder testosteron en met een menstruele cyclus. Dat heeft er vooral mee te maken dat er in het moderne geneeskundig onderzoek vooral gefocust werd op mannen nadat bepaalde medicijnenstudies in de jaren ‘50 en ’60 dramatische uitkomsten kenden (zie ook het boek Ook getest op vrouwen van Marek Glezerman, 2017). Jammer genoeg heeft dit geleid tot behoorlijke achterstand in de kennis over het functioneren, ziekteleer en behandeling bij vrouwen. Die achterstand is zelfs zo groot dat vrouwen bij een doktersbezoek soms later een diagnose of behandeling krijgen dan mannen. Door verschillen in medicatieafbraak zouden sommige medicijnen ook in andere doseringen voorgeschreven moeten worden aan vrouwen. Experts op het gebied van biologische verschillen tussen de seksen spreken soms van ‘bikinigeneeskunde’: de gevaarlijke blinde vlek die voortkomt uit de aloude aanname dat vrouwen zich alleen onderscheiden van mannen door wat zich onder hun bikini bevindt, namelijk hun geslachtshormonen.
Dat we in de huidige geëmancipeerde maatschappij de klassieke rol van huismoeder en kostwinnende vader veelal losgelaten hebben, betekent nog niet dat die fysiologische verschillen plots verdwenen zijn. Er is daar absoluut nog ruimte voor verrijking van medische kennis door genderspecifiek onderzoek en genderspecifieke scholing, met de verwachting dat er een verbeterde zorg en gezondheid voor de vrouwelijke helft van de bevolking uit kan groeien.
Max Nieuwdorp, Wij zijn onze hormonen. (Amsterdam: De Bezige Bij, 2023).
Marek Glezer, Ook getest op vrouwen. Naar een genderrevolutie in de geneeskunde. (Antwerpen: Manteau, 2017).
Roman Vangoitsenhoven is endocrinoloog in UZ Leuven, met een bijzondere interesse in obesitas en type 2-diabetes, en doceert aan KU Leuven. Voor zijn proefschrift bestudeerde hij de rol van dieet in het ontstaan en de behandeling in type 2-diabetes. Nadien verdiepte hij zich in obesitas en bariatrische chirurgie in de Cleveland Clinic (VS). Zijn onderzoekswerk werd bekroond door de Belgian Endocrine Society en de European Association for the Study of Obesity.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License