Deel dit artikel

heel wat kunsthistorici door de eeuwen heen beperken zich niet tot het droog oplijsten van werken en stromingen, maar verpakken dat alles ook in rijke taal, waarbij ze soms verrassend weinig gebruikmaken van beelden in de letterlijke zin. dat geldt ook voor christopher wood, die in vervoerend engels, op de grens tussen proza en poëzie, een geschiedenis van de kunstgeschiedenis heeft gecomponeerd. zijn manier van kijken is veeleer relativistisch: zeker in deze geglobaliseerde tijden kunnen of mogen de normen van één continent het begrip kunst niet determineren.

Een geschiedenis van de kunstgeschiedenis volgens Wood

Koenraad Jonckheere

Toen Christopher Woods A History of Art History op de deurmat viel, dacht ik ongewild terug aan een vak dat ik zo’n twintig jaar geleden volgde. De naam van de cursus ontsnapt me, maar de inhoud staat me wel nog redelijk goed voor de geest, omwille van de syllabus: een dikke ringmap vol kopieën van titelbladen van kunstgeschiedenisboeken. Een nauwelijks leesbare zwart-witkopie van Giorgio Vasari’s Vite de’ più eccellenti pittori, scultori, e architettori uit 1550 was de eerste. Vele dozijnen titelpagina’s van kunsthistorische klassiekers volgden. Het examen was minstens zo spannend als de map. Op de vierde verdieping van het Letterengebouw in Leuven, aan een klein tafeltje in de bibliotheek, kregen we een naam voorgeschoteld. ‘Paludanus’ stond op mijn steekkaart geschreven. Het was een openboekexamen, maar de ringmap en de vraag hadden weinig met elkaar te maken. We kregen 15 minuten om zo veel mogelijk valabele informatie over de kunstenaar in kwestie te vinden. De beeldhouwer Willem van den Broecke, alias Paludanus, had in de zestiende eeuw zijn huis in Antwerpen met de beeltenissen van Jan van Eyck en Albrecht Dürer gedecoreerd, zo bleek. De tijdgenoot van Vasari had zijn idolen niet met woord maar met beeld geëerd.

Het lijkt een onmogelijk saaie cursus te zijn geweest, maar de waarheid gebiedt me te zeggen dat het zowat de enige map is die ik nog jaren bijgehouden én gebruikt heb. In de marges van de slecht gekopieerde titelpagina’s had ik massa’s aantekeningen gemaakt over de goede en kwalijke aspecten van de teksten die erachter schuilgingen, hun praktisch nut of hun theoretisch belang. Tijdens het schrijven van mijn doctoraat greep ik er nog vaak naar terug, om houvast te vinden in de veelheid aan kunsthistorische literatuur en om de honderden namen die mijn pad kruisten een ankerpunt te geven.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 77. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen