Deel dit artikel

Ter gelegenheid van 600 jaar KU Leuven organiseerden Metaforum, de interdisciplinaire denktank van KU Leuven, en de Academische Stichting Leuven een schrijfwedstrijd voor studenten rond het thema ‘de universiteit van de toekomst’. Erika Rogojina werd bekroond tot laureaat.

Een toekomst voor iedereen

Erika Rogojina

Mijn moeder was een kind van de zogenaamde gouden eeuw van de Sovjet-Unie, een tijd waarin elk meisje een spiegelbeeld was van het volgende, gehuld in hetzelfde donkerbruine schooluniform. Lenins blik rustte op hen vanuit de muren van elk klaslokaal. Op feestdagen of aan het begin van een nieuw schooljaar droeg ze wit. Smetteloos, als hoop die zich had aangekleed voor een parade.

Mijn overgrootvaders hadden beiden gevochten in de waanzin van de Tweede Wereldoorlog. Ze hoorden de lucht breken onder het geluid van bommen, zagen hun vrienden verdwijnen in de rook van het gevecht, opgeslokt door het niets. En toch, toen de oorlog hen weer uitspuugde op de grond waarvoor ze hadden gebloed, werd hun lot verdeeld. De een keerde terug onder de vlag met het hakenkruis, getekend door een uniform dat hij nooit zelf had gekozen, de schuld van een soldatenplicht onder een vreemde vlag. De ander kwam thuis met hamer en sikkel in zijn handen, het symbool van Sovjet-trots, wadend door de rode vloed van overwinning.

Mijn moeder stond dan voor haar klasgenoten, het bevoorrechte kind van de ‘goede’ grootvader, en kreeg een voorproefje van die geërfde glorie, een kort slokje van de eer die droop van de handen van degenen die gebloed hadden voor de zogenaamde bevrijders. Ze vertelde me hoe de school haar en de andere ‘uitverkorenen’ naar voren haalde, een soort heilige voorstelling, waarin lof over hen werd uitgestort, hun witte schorten stralend onder het gewicht van de daden van hun voorouders. ‘Ik bleef maar aan mijn andere grootvader denken,’ zei ze, haar stem een zucht onder het applaus dat nog in haar hoofd naklonk. ‘Hij had hier nooit voor gekozen. Hij had nooit gevraagd om voor een kant te vechten.’

Ik stel me de andere kinderen voor, opgesteld in stilte, hun gezichten als blanco pagina’s, wachtend op hun beurt, op eender welke wending, hopend dat het wit van hun schorten de stille schaamte kon wegwassen van het in de schaduw staan van de uitverkorenen. Niets voelde eerlijk. Niets was juist. De wereld leek altijd zo te blijven, een plek die sommigen kleedde in roem, terwijl anderen bleven wachten, stilstaand.

Onderwijs kan de wereld veranderen

Maar wat als die wereld kon veranderen? Wat als de klaslokalen van de toekomst niet meer gevormd werden door het gewicht van de veldslagen van grootouders, niet door de glorie gedragen door andermans handen, maar door het ongebreidelde verlangen van elk kind om te ontdekken, te creëren, te dromen?

Ik zie de universiteit van de toekomst als een plek die de tirannie van afkomst overstijgt, die bereikbaar is voor iedereen. Een plek waar, zoals Nelson Mandela ooit zei: ‘onderwijs het krachtigste wapen is dat je kunt gebruiken om de wereld te veranderen’. Die universiteit zou dat wapen bewust hanteren, en iedereen een gelijke kans bieden om hun eigen verhaal te schrijven, niet langer gebonden aan afkomst of privilege.

De deuren zouden wijd openstaan voor iedereen, ongeacht de dikte van de portemonnee van hun ouders of de schaduwen van hun familiegeschiedenis. Daar staat elke student op gelijke grond, niet als iemand die ‘meer’ of ‘minder’ thuishoort, maar als individu op basis van eigen passies en doelen.

Elk brein is vrij om te dwalen

In die universiteit worden zelfs de subtiele, onuitgesproken hiërarchieën – die kleine, haast onzichtbare vooroordelen die kunnen blijven hangen – ontmanteld. Daar wordt niemand anders behandeld, noch in beleid noch in gebaren, want gelijkheid is daar geen ideaal, maar een geleefde werkelijkheid.

In deze visie zijn er geen schaduwen meer, enkel licht dat zich uitstrekt naar voren. Elk brein is vrij om te dwalen. Elk hart is vrij om ergens thuis te horen.

In de universiteit van de toekomst stel ik me klaslokalen voor die ademen met de rijkdom van elke stem die ze betreedt, ruimtes waar niet alleen over inclusie wordt gesproken, maar inclusie ook daadwerkelijk belichamen. Denk aan een plek die zich aanpast aan de diverse noden van haar studenten, met lokalen ontworpen om elke vorm van leren te ondersteunen. Technologie zou er geen barrière zijn, maar een brug, een levend netwerk dat iedereen verenigt in gedeeld begrip: realtime vertalingen voor studenten die verschillende talen spreken, augmented reality voor wie de wereld vanuit nieuwe invalshoeken willen zien, en toegankelijke digitale platformen die iedereen gelijke kansen bieden. Stel je voor dat studenten zichzelf overal weerspiegeld zien – niet alleen in het curriculum, maar ook in de faculteit en in de geest van een plek die viert wie ze zijn en wie ze hopen te worden.

Deze universiteit zou een scala aan leerervaringen aanbieden, ver voorbij de traditionele klaslokalen. Denk aan buitenlaboratoria waar studenten milieuwetenschappen rechtstreeks in contact staan met de natuur, of kunstplekken verweven in de campus waar creativiteit even vrij stroomt als gesprekken. Architectuurstudenten zouden échte projecten ontwerpen om de campus te verbeteren, en toekomstige ingenieurs zouden werken in ecovriendelijke laboratoria op hernieuwbare energie. Dit zijn niet zomaar extra’s; het zijn ruimtes die een holistische verbinding met leren voeden, en studenten eraan herinneren dat onderwijs niet gevangen zit tussen boeken, maar ook een levendige, tastbare ervaring kan zijn.

Ik deel dezelfde moedertaal en hetzelfde land met de vrouw die mijn kot schoonmaakt – een kloof van veertig jaar tussen ons, het gewicht van generaties als een afgrond waar we beiden overheen proberen te kijken. Laten we haar Camelia noemen, want ze doet me denken aan camelia’s, warm en gracieus, ondanks de hardheid van haar beroep. Ze was verrast, bijna blij, toen ze mij hier vond, één van de hare, als een klein wonder in deze vreemde wereld. Onze ontmoetingen zijn zeldzaam, maar als ze gebeuren, is er altijd die zachte vraag, haar stem doordrenkt met zorg: ‘Of ik het red, of ik volhoud?’

Ambitie mag niet leiden tot armoede

Een keer zag ik hoe Camelia met mijn vader sprak toen hij op bezoek was. Ik ving flarden op van hun gesprek, woorden doordrenkt van een verleden dat ik maar half ken. Ze vertelde hem hoe ze, in ons thuisland, verpleegster was geweest, hoe ze voor mensen zorgde op manieren die veel verder gingen dan vloeren vegen. Maar toen ze hierheen verhuisde, werd de belofte van een ander leven een val die die droom opslokte, en alles wat overbleef was overleven, een eindeloze strijd om haar kinderen te onderhouden. Twintig jaar zijn op die manier voorbijgegaan, en ik vroeg me toen af: Heeft zij ooit verlangd om ook student te zijn, om te leren en te groeien in plaats van alleen maar te verdragen?

De universiteit waar ik van droom, had haar verwelkomd, had een plek gehad voor haar als jonge vrouw met de kracht om te groeien, niet alleen te overleven. Het voorrecht van onderwijs zou een geschenk moeten zijn dat zich om elke dromer heen wikkelt, ongeacht hun positie, hun huidkleur of de diepte van hun portemonnee. Want in een wereld waar zovelen, vooral vrouwen, stilletjes worden buitengesloten, moet er een weg zijn die ambitie niet met armoede bestraft.

Gelnagels en wetenschap

Ik wens dat de universiteit van de toekomst inclusief is op een manier die we ons nu amper kunnen voorstellen, met trajecten voor iedereen die kansen zoekt, en oplossingen voor wie basisbehoeften moet verkiezen boven onderwijs. Het moet een plek zijn waar een meisje gekleed in felle kleuren en gelnagels zich net zo thuis voelt in de wetenschappen als haar mannelijke tegenhangers. Want wat is een ‘door mannen gedomineerd vakgebied’ in een wereld die zulke absurde begrippen achter zich heeft gelaten? Laat die uitdrukking verdwijnen, als een relikwie van een oude, bekrompen wereld.

Mijn kotgenoten hadden dit gesprek ook gehoord, hun nieuwsgierigheid getint met iets wat ik niet helemaal kon plaatsen. Ze vroegen me verbaasd welke taal ze sprak. ‘Roemeens,’ zei ik, het woord zwaar en vreemd in mijn mond. En toen, bijna automatisch, voegde ik eraan toe: ‘Sorry’. Alsof ik me verontschuldigde voor ons ongemakkelijke bestaan, voor de manier waarop we niet netjes in hun wereld pasten. Later brandde de schaamte na, de achteloze manier waarop ik het gezegd had, alsof mijn afkomst iets was om je voor te schamen, iets minderwaardig. Ik dacht aan mijn grootouders, aan hoe hun botten en adem werden ingeruild voor overleving via deportaties, honger, het holle gemis van verlies, en hier was ik, wegkruipend voor het bloed dat door mijn aderen stroomde.

In de universiteit waar ik van droom, zou ik dat gevoel nooit alleen hoeven dragen. Ik zou de volgende dag gewoon een veilige ruimte binnen kunnen stappen en tegenover een begeleider zitten die getraind is om dit stille, knagende gevoel van schaamte te herkennen en te erkennen. Er zou geen wachtlijst zijn, geen ongemakkelijke stiltes, alleen onmiddellijke toegang tot iemand die me kan helpen deze knoop van twijfel te ontwarren. Misschien zou ik dan sneller begrijpen dat er niets ‘minder’ was aan mijn afkomst, dat de rijkdom van waar ik vandaan kwam iets was om te omarmen, niet te verbergen.

Een toekomstgerichte universiteit prioretiseert mentale gezondheidszorg

Een hulpverlener zou me helpen dat inzicht sneller te bereiken, zou me woorden en middelen aanreiken om deze gevoelens te verwerken, om me los te maken uit het overdenken en de zelftwijfel die aan stille momenten knaagt. In deze toekomstgerichte universiteit zou mentale gezondheidszorg betekenen dat de pijn van zulke ervaringen, de momenten waarop je je ‘anders’ voelt, verzacht wordt in plaats van verscherpt, en dat ze niet zo diep blijven hangen. Het zou een plek zijn waar elke zorg, elke twijfel gedeeld mag worden, ontdaan van schaamte.

Daar, in die veilige, open ruimte, zou ik eindelijk de behoefte kunnen afleggen om me te verontschuldigen voor mijn geschiedenis.

‘Je bent erg moedig,’ zei Camelia me eens. Haar woorden waren als een stille gift. ‘Dat je probeert, dat je zoals hen wil zijn.’ Haar stem brak iets in mij open, en ik huilde, de tranen als een bekentenis waarvan ik niet wist dat ik hem in me droeg. ‘Moedig?’, dacht ik. Mag ik dat woord wel opeisen als ik me op de meeste dagen een bedrieger voel, krabbend aan de rand, wanhopig om erbij te horen, wanhopig om niet op te vallen? Ik wilde niet anders zijn. Ik wilde gewoon een student zijn, opgaand in de vage waas van jeugd en mogelijkheden. Maar hoe hard ik ook probeerde, de wereld bleef me herinneren aan de lijn tussen ons, aan het onzichtbare touw dat me verbond met waar ik vandaan kwam, de wortels die ik nooit kon losmaken, hoe ver ik ook rende.

In de universiteit van de toekomst zou gemeenschap een nieuwe betekenis krijgen, waar samenwerking belangrijker is dan competitie, en ruimtes ontstaan waar identiteiten elkaar ontmoeten en versterken. Mentorschapsprogramma’s zouden studenten uit verschillende achtergronden met elkaar verbinden, puttend uit de rijkdom van gedeelde én unieke ervaringen. Clubs, workshops en evenementen zouden vieringen worden van interculturele uitwisseling, en een generatie voortbrengen die niet alleen over empathie spreekt, maar haar belichaamt.

Deze universiteit zou studenten de kans geven zich te engageren met echte problemen – klimaatrechtvaardigheid, data-ethiek, mentale gezondheid – en hen zo veerkracht en een doel geven dat verder reikt dan henzelf.

Academische flexibiliteit als norm

Stel je een plek voor waar de stemmen van studenten echt tellen, waar ze zelf hun leerervaringen vormgeven. Hier is academische flexibiliteit de norm. Studenten zouden leerpaden kunnen kiezen die disciplines mengen: een geneeskundestudent die filosofie volgt, of een ingenieur die kunst verkent, zonder barrières. Deze universiteit zou een geest van nieuwsgierigheid aanmoedigen, waar groei en innovatie belangrijker zijn dan starre evaluaties, waar creativiteit en samenwerking net zo essentieel zijn als punten en cijfers. Studenten zouden kunnen deelnemen aan raden met echte invloed, mee beleid vormend dat hen rechtstreeks raakt zodat elke stem meetelt.

En toch, terwijl ik over deze wereld droom, besef ik iets dieper, dat deze visie ontspringt uit een privilege dat ik zelf nog nauwelijks begrijp. Ik bén er al. Ondanks de worstelingen, en de geschiedenissen die als een gewicht op mijn schouders blijven hangen, bén ik hier, levend in een werkelijkheid waar degenen vóór mij alleen maar van konden dromen. Elke dag word ik wakker en fluister ik tegen mezelf: ‘Ik ben hier. Ik kan. Ik kan. Ik kan.’ Ik herhaal het als een mantra, om me te gronden in de waarheid van wat mogelijk is. Want opgeven zou betekenen dat ik een leven opgeef dat ik zelf heb opgebouwd en een toekomst loslaat die meer hoop en vrijheid in zich draagt dan eender welke daarvoor.

Naast mijn droom om de wereld te veranderen, houd ik nog één doel dichtbij mijn hart: mijn moeder een boeket witte rozen geven op de dag van onze afstudeerplechtigheid. Haar favoriete bloemen. Smetteloos, zoals het uniform dat ze ooit moest dragen. Met een camelia in mijn jaszak zou ik roepen: ‘De toekomst is zo helder, mama! Ik breng je dat licht, echt waar!’

En aan zovelen meer ook.

En ontelbare anderen zullen hetzelfde doen, en meer!

Erika Rogojina is student aan KU Leuven. Ze is oorspronkelijk afkomstig uit Moldavië en verhuisde op haar zeventiende met haar familie naar België, waar ze Nederlands leerde. Ze rondde haar middelbare schoolopleiding af in België en volgde daarna het tweetalige bachelorprogramma rechten (FR/NL) aan KU Leuven. Momenteel is ze masterstudente in dezelfde richting.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen