Een biografie is meer dan het vastleggen van feiten: het is een monument in woorden, opgebouwd uit archieven, interviews en briefwisselingen als bouwstenen. Het leven van Hugo Claus (1929-2008) werd tien jaar lang door Mark Schaevers gedocumenteerd en vormt een intrigerend voorbeeld van een uniek genre dat balanceert tussen verhaal en wetenschap.
De bloei van de biografie. Het leven van Hugo Claus
Lange tijd hadden Vlaanderen en Nederland geen bloeiende biografiecultuur, maar de laatste decennia is daar stevig verandering in gekomen, zoals maar weer eens bleek toen in 2024 de biografie verscheen van Vlaanderens literaire vlaggenschip Hugo Claus. Dat de biografie als genre in de lift zit, blijkt uit het grote aantal inzendingen voor de tweejaarlijkse Nederlandse biografieprijs. In 2024 kreeg de jury van die prijs honderdenvier biografieën voorgeschoteld die door een Nederlandstalige auteur gepubliceerd zijn tussen juli 2022 en mei 2024. Die behandelden heel uiteenlopende levens, van Farao Seti I over Diogenes en Paul Van Ostaijen tot Roestam de Mammeluk (de oosterse bediende van Napoleon). De prijs ging naar een biografie over de Surinaams-Nederlandse schrijver, journalist en programmamaker Anil Ramdas (1958-2012), geschreven door Karin Amatmoekrim. Hoewel de inzendingen voor deze prijs lang niet enkel over Nederlandse levens gaan, blijkt uit de lijst van winnaars sinds de oprichting van de prijs in 2010 dat er enkel nog maar biografieën over Nederlanders bekroond zijn (en dus ook geen over Vlamingen). Het lijkt er dus op dat men in Nederland vooral biografieën over landgenoten leest en bekroont (zes mannen en twee vrouwen, bij de biografen is de genderbalans fifty fifty). Dat mag niet verbazen, want een biografie is een soort monument dat wordt opgericht. En welke cultuur zet er nu graag monumenten van helden uit andere culturen op haar pleinen? We zetten een standbeeld van Godfried van Bouillon in Brussel en eentje van Ambiorix in Tongeren omdat ze ons herinneren aan ons gedeelde verleden. Standbeelden oprichten – en soms ook bekladden, zoals bij Leopold II – en biografieën schrijven maken onze relatie tot het verleden zichtbaar en leesbaar: wie telt nog mee en waarom? Zo zie je dan ook dat het genre van de biografie bijvoorbeeld kan worden ingezet om net de canon van voor de hand liggende helden uit te dagen. In 2010 ging de Biografieprijs bijvoorbeeld naar een boek over een keurige, onbekende man die toevallig ook verzetsheld was, Pim Boellaard (1903-2001), en in 2016 naar een boek over de twee zussen Cécile en Elsa De Jong van Beek en Donk (geboren in 1866 en 1868), weinig bekend maar wel boeiend en betekenisvol vanuit genderperspectief. Op die manier worden mensen door middel van een kloeke biografie uit de marge van de geschiedschrijving gehaald. Een biografie in boekvorm werkt daarvoor veel beter dan bijvoorbeeld Wikipedia, dat ook een heel vruchtbaar platform is voor biografische lemma’s, maar dat niet leidt tot de ‘monumentalisering ‘van een leven, omdat er geen ‘gatekeeping’ is geweest door een uitgeverij, die selecteert en valideert, en omdat zo’n lemma niet de volumineuze vrucht is van jarenlange volgehouden arbeid.
Het schrijven van een biografie is ook bij ons intussen erkend als een academische discipline
Dat het maatschappelijke belang van de biografie in boekvorm toeneemt, merken we aan de institutionalisering, zoals door de instelling van een aparte prijs voor het genre. Bovendien is er in Nederland en Vlaanderen ook een duidelijke academische institutionalisering van het genre. Het schrijven van een biografie is ook bij ons intussen erkend als een academische discipline: je kan promoveren met een biografie en aan de universiteit van Groningen werd een Biografie Instituut opgericht om de discipline academisch te verankeren. De Leidse hoogleraar Ineke Sluiter noemde in haar rede bij de uitreiking van de Biografieprijs in 2022 een biografie zowel wetenschap als wetenschapscommunicatie. Wat dat communicatieve aspect betreft moet een goede biografie aantrekkelijk verteld zijn. Ook in dat opzicht moet een platform als Wikipedia uiteraard de duimen leggen: een encyclopedisch lemma maakt van een leven geen boeiend verhaal. Wat het wetenschappelijk karakter aangaat, zei Sluiter: ‘Het werk moet controleerbaar en navolgbaar zijn, het rapporteert zijn bronnen, maakt zijn argumenten en veronderstellingen expliciet en onderscheidt feiten van interpretatie. Het vergt vaak diepgaand onderzoek en kennis, niet alleen van de persoonlijke details van het leven van de hoofdpersoon, maar ook van de grotere context, alles wat maar relevant is voor de wereld van de hoofdpersoon en voor een goed begrip van zijn of haar levensomstandigheden – historisch, literair, sociaal-economisch, cultureel of ideologisch.’ De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat zeker niet voor alle boeken opgaat die zich als biografie presenteren, maar het zijn wel criteria voor een gunstige beoordeling ervan door een jury gespecialiseerd in het genre.
In de geesteswetenschappen, stelt Sluiter, is de relatie tussen wetenschapper en object altijd een relatie van interpretatie, en dat moet ook geëxpliciteerd worden, zodat de lezer mee kan oordelen over de invloed van het subject (de schrijver van de biografie) op de weergave van het object (het beschreven leven). De biograaf moet dus aanwezig zijn in zijn/haar werk om bronnen en keuzes te expliciteren. Biografieën worden dan ook vaak vergezeld van een uitgebreide set parateksten (voorwoorden, nawoorden, voetnoten, dankwoorden, enzovoort) vanwege de biograaf.
De ware toedracht van heel wat gebeurtenissen uit Claus’ leven blijft onbekend
De biografie als monument, als verhaal en als wetenschap: die drie facetten vind je ook terug in De levens van Claus van Mark Schaevers, een in 2024 gepubliceerde biografie van de Vlaamse schrijver Hugo Claus. Achteraan het negenhonderdvijfenzeventig pagina’s tellende boek vindt de lezer maar liefst honderd bladzijden noten en bibliografie, en daarachter nog vermeldt Schaevers de tweehonderd namen van de mensen die hij geïnterviewd heeft. Schaevers werkte tien jaar aan deze biografie. Hij baseert zich op een enorme hoeveelheid bronnen (gelezen, bekeken, beluisterd). En dan nog wordt er opvallend veel getwijfeld in deze biografie: de ware toedracht van heel wat gebeurtenissen uit Claus’ leven blijft onbekend. Dat komt doordat Claus hield van liegen: ‘Claus’ leven was een kruistocht tegen de verveling’, schrijft Schaevers in zijn inleiding, ‘en dan is de leugen een bondgenoot. (…) Schrijven zag hij als de wat chiquere vorm van liegen.’ Schaevers heeft ongetwijfeld een hele kluif gehad louter aan het factchecken. Claus was dan ook zelf geen fan van het idee dat er ooit een biografie over hem zou verschijnen; een biografie is immers altijd een soort ontmaskering. Over de maskerades van Claus publiceerde Schaevers in 2005, ter gelegenheid van Claus’ vijfenzeventigste verjaardag, al het boek Groepsportret, een keuze uit meer dan vijftig jaar interviews met Hugo Claus. Dat meervoudige uit die mooie titel Groepsportret zit ook in de titel van deze biografie, De levens van Claus. Hugo Claus is niet voor één gat te vangen.
Van de Griekse historicus Herodotos (ca. 484-424 v.Chr.) is bekend dat hij geschiedschrijvers aanraadde om vooral te letten op het einde, op hoe het afloopt. Een biografie eindigt zo goed als altijd bij de dood van de protagonist. Het is een vanzelfsprekend en natuurlijk einde, tenminste vanuit het perspectief van wie er achteraf naar kijkt (voor de gebiografeerde was het einde een nog onbekende factor natuurlijk). In haar rede over het genre van de biografie zei Ineke Sluiter dat ‘van sommige levensverhalen de afloop zo bepalend (is) dat het de interpretatie van een heel leven met terugwerkende kracht kleurt. Denk aan Socrates, Christus, Jeanne d’Arc, Martin Luther King. Hun dood is als het ware de garantie voor de authenticiteit en het belang van hun leven en hun overtuigingen.’ Aan dat rijtje kunnen we zeker Hugo Claus toevoegen, die met zijn keuze voor euthanasie terwijl hij aan Alzheimer leed een pionier was in 2008 en die de ethische en politieke debatten daarrond sterk heeft aangewakkerd. In BELvue, het museum van de Belgische geschiedenis in Brussel, figureert Hugo Claus bijvoorbeeld niet als auteur maar wel omwille van zijn pioniersrol in het debat rond euthanasie. Die voortrekkersrol in dat ethische debat sluit goed aan bij waar Claus voor stond, zowel het constante uitdagen van de katholieke moraal als zijn afkeer van elke vorm van vrijheidsbeknotting.
Hoewel Schaevers in de loop van zijn biografie wel af en toe een citaat eruit licht dat vooruitwijst naar Claus’ dood, in de vorm van uitspraken die Claus deed over de dood, staat zeker niet alles in deze biografie in het teken daarvan. Er zijn immers eerst vele levens te leven (en te lezen), vooraleer die dood zich aandient.
Hoe vermeng je het leven en het oeuvre van een auteur in één boek?
De kinderjaren van Hugo Claus zijn omstreden. Zijn ouders waren immers behoorlijk Deutschfreundlich tijdens de Tweede Wereldoorlog en Claus sloot zich aan bij de NSJV, de Nationaal Socialistische Jeugd Vlaanderen. Omdat hij pas twaalf was, kon hij nog niet als oostfrontsoldaat gerekruteerd worden – een toevalligheid die hem nog net behoedde voor een plek aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Deze periode uit Claus’ leven heeft hij later in heel veel verschillende versies overgeleverd, en één daarvan is het verhaal van Louis Seynaeve, het hoofdpersonage uit Het Verdriet van België. Dat boek wordt van alle boeken door Schaevers het meest ‘biografisch’ gelezen, zij het met de nodige kritische twijfel. En dat is meteen één van de moeilijkste hordes om te nemen in een schrijversbiografie: hoe vermeng je het leven en het oeuvre van een auteur in één boek? Hoe ver ga je in het leggen van verbanden? Hoe diep ga je in op wat een auteur aan literatuur geschreven heeft? In het geval van Claus is de secundaire literatuur over zijn oeuvre zeer uitgebreid (zowel literaire kritieken als academische publicaties), toch naar Vlaamse normen. Schaevers heeft er niet voor gekozen om diepgaande analyses van Claus’ werk te presenteren; hij citeert wel af en toe uit kritieken en (spaarzaam) uit wetenschappelijke publicaties, maar zijn boek gaat vooral over de mens Hugo Claus. Hij legt waar het zinvol is de link tussen gebeurtenissen en personen uit Claus’ leven en zijn werken, maar zonder in de val te trappen van een eenduidige biografische lectuur van Claus’ teksten. Dat verzameld oeuvre beslaat op het einde van zijn leven niet minder dan 6774 pagina’s.
Vriendschappen lopen als een rode draad door Claus’ levensverhaal . Al van in zijn jeugd had hij er een talent voor om bevriend te raken met een heel gamma aan artistiekelingen, te beginnen met de schilder Roger Raveel op 19-jarige leeftijd en te eindigen met Jan Decleir aan het einde van zijn leven. Hij voerde met zijn vrienden vaak ook uitgebreid correspondenties, en in het bijzonder met de Britse dichter Christopher Logue (1926-2011), een goudmijn voor de biograaf. Er ontstond altijd weer een netwerk van mensen die probeerden zoveel mogelijk bij hem in de buurt te zijn. Hij oefende door zijn charme, humor en eruditie een enorme aantrekkingskracht uit op mensen (Cees Nooteboom zei: ‘hem kennen was hem bewonderen’), en dat konden ook politici zijn (Guy Verhofstadt bijvoorbeeld) of zangers (Henny Vrienten bijvoorbeeld). Zijn netwerk was groot, zodat je door over Claus’ leven te lezen ook een beeld krijgt van de culturele elite van de tweede helft van de twintigste eeuw, vooral in Vlaanderen en Nederland, en ten dele ook daarbuiten. Uiteraard waren er ook mensen met wie het moeizamer ging, zoals de Nederlandse schrijver Gerard Reve en de Vlaamse dichter Paul Snoek. Naar Snoek schreef hij in de jaren zestig: ‘Ik meen niet, gezien onze inderdaad zeer verschillende aard en instelling, dat wij voorbestemd zijn om elkaar nog veel waar dan ook te treffen.’
Een aantal periodes uit zijn leven springen eruit wat het belang van vriendschappen en netwerken betreft: Claus’ jonge jaren als straatarme kunstenaar in Parijs en Rome in de bruisende omgeving van de Cobragroep en de Vijftigers tussen 1950 en 1955 biedt bijvoorbeeld fascinerende lectuur. In de jaren negentig bracht hij de zomers door in de Provence, waar telkens een grote groep vrienden verzamelde om te petanquen en te tafelen, en ook in België waren zijn huizen plekken waar veelvuldig mensen op bezoek kwamen, vaak om te blijven logeren. Al lezend geraak je overigens de tel kwijt van de vele verhuizingen, Claus’ onrust komt daarin goed tot uiting: hij bewoonde wel dertig verschillende huizen. Hij was altijd in beweging, vond geen rust, het verhuizen hoorde bij de kruistocht tegen de verveling. Zo ging hij ook ontzettend vaak op reis, hetzij op vakantie (Ibiza!), hetzij als een soort gesubsidieerde werkreis om zijn werk te promoten en lezingen te geven.
Claus komt zeker niet tevoorschijn als warm of betrokken, tenzij op zichzelf
Naast vriendschap is uiteraard ook de liefde een rode draad. Claus heeft veel vrouwen liefgehad (in de brede zin van het woord), waarvan de beroemdste wellicht de actrice Sylvia Kristel was, die bekend werd door de soft-erotische film Emmanuelle. Schaevers besteedt veel aandacht aan Claus’ liefdeshistories en zijn voortdurende overspeligheid. Ongetwijfeld is daarmee niet alles bovengespit, maar dat lust een grote rol speelde in Claus’ leven mag duidelijk zijn. Tijdens een reis naar de VS schreef hij aan zijn thuisgebleven toenmalige echtgenote Elly Overzier, die hij danig miste: ‘le Seigneur Erection est avec vous’ wat meteen ook zijn blasfemische kant mooi in de verf zet. Hij had ook twee zonen, maar de relatie met hen was afstandelijk en onderontwikkeld. Ze krijgen een heel kleine plaats in de biografie, eenvoudigweg omdat ze een heel kleine plaats innamen in Claus’ leven. Over het algemeen komt Claus uit deze biografie zeker niet tevoorschijn als warm of betrokken (tenzij op zichzelf): Schaevers is geen hagiograaf. Hij toont niet enkel zijn bewondering voor Claus, maar ook diens kleine kanten. Die behelzen onder meer ook zijn valse bescheidenheid (Schaevers: ‘zelfrelativering is natuurlijk ook een spel waarmee zelfzekeren zich amuseren’), met daarbij het obligate gevoel van miskenning.
Wat dat laatste betreft valt het bij het lezen van de biografie op hoeveel werk van Claus negatief ontvangen is door de critici. Zoveel dat je verbaasd bent dat hij al zo snel een gevierde auteur was, en zelfs al snel een bekende Vlaming werd die over alles om zijn mening werd verzocht. Hij beoefende heel veel genres: proza, poëzie, film, televisie, libretto’s, reportages, hij schreef zelfs een lied voor het Eurovisiesongfestival (nooit uitgevoerd) en een stripverhaal (De avonturen van Belgman). Hij bewerkte en vertaalde ook erg veel andere teksten. Vooral als toneelschrijver was hij enorm productief, al waren daar naast successen (De bruid in de morgen, Vrijdag, Suiker) ook heel wat flops bij. Waar hij eerst een theatervernieuwer was die de tekst centraal stelde, werd hij gaandeweg voorbijgestoken door theatermakers met andere opvattingen en werd hij zelf deel van de traditie waartegen anderen zich afzetten.
Met zijn eigen schilderkunst had hij een moeizame verhouding; hij verzette zich vaak tegen de tentoonstelling ervan. Hij schreef ook vaak op bestelling, meestal voor het geld, een andere rode draad doorheen zijn levensverhaal. Prijzengeld was welkom, net als voorschotten op nog te schrijven boeken, en subsidies allerhande. Ontluisterend is de manier waarop in de jaren zestig en zeventig werkbeurzen voor auteurs werden uitgedeeld. Dat was niet altijd echt om literair werk te produceren, maar – in het geval van Claus bijvoorbeeld – ook om daken te renoveren, of andere niet-literaire kosten te dekken. Werkbeurzen konden uitgedeeld worden na een goed geschreven smeekbrief, als een vorm van favoritisme. De rol van de auteur Karel Jonckheere, ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Onderwijs en Cultuur, in dat cliëntelisme is bij literatuurhistorici weliswaar al bekend, maar daar ligt zeker ook nog voer voor een allerminst hagiografische biografie. Pas sinds de oprichting van Literatuur Vlaanderen in 2000 (toen nog Vlaams Fonds voor de Letteren geheten) is de professionalisering van de werkbeurzen voor auteurs ingezet.
Het Verdriet van België maakte Claus tot Nobelprijskandidaat
Claus heeft de Vlaamse literatuur naar een nieuw en hoger niveau getild, en hij kon meespelen op het literaire wereldtoneel. Via hem maak je ook kennis met tachtig jaar cultuurgeschiedenis van Vlaanderen. Claus was in een constante worsteling verwikkeld met het in zijn ogen bekrompen, conservatieve Vlaanderen (en West-Vlaanderen) en met het katholicisme, van zijn kostschooljaren als kleuter tot zijn keuze voor euthanasie. Bovendien was Claus eveneens een kosmopoliet, en zie je doorheen zijn schrijversleven hoe het Vlaamse cultuurleven nauw verbonden is met wat er internationaal gebeurde. Claus bracht eigenhandig de internationale kunst en literatuur binnen in de Vlaamse, door translatio (hij deed veel vertaalwerk), door imitatio (hij nam van zijn literaire voorbeelden over wat hij interessant vond), en uiteindelijk door aemulatio (hij overtrof soms de buitenlandse auteurs die hij bewonderde en navolgde). Claus’ grootste succes was zijn roman Het Verdriet van België uit 1983, die een enorme mediahype werd. Door de Franse en Engelse vertaling daarvan werd hij ook een Nobelprijskandidaat.
De Nederlandse Biografieprijs kreeg Schaevers niet met zijn boek over Claus. Hij kwam zelfs niet op de longlist van twaalf. Dat is volkomen onterecht: dit is een belangrijke en een uitstekende biografie van het rijke en bewogen leven van een van de grootste culturele iconen van de twintigste eeuw, niet alleen in Vlaanderen maar in de Lage Landen als geheel en breder dan dat. Gelukkig werd Schaevers’ biografie wel genomineerd voor de Boonprijs en werd hij laureaat van de Boon-publieksprijs. De lezers lustten Claus wel, als mens en als schrijver, en ze beloonden Schaevers, die een monument voor hem oprichtte dat ook een verhaal is en een wetenschappelijk werkstuk. Niet alleen is de kennis over de meest bekende Vlaamse auteur van de twintigste eeuw en de cultureel-maatschappelijke context waarin hij leefde en werkte verdiept, maar ook het genre van de biografie is verder geconsolideerd en scherp gesteld.
Mark Schaevers, De levens van Claus. (Amsterdam: De Bezige Bij, 2024).
Elke Brems (1971) is hoogleraar in de vertaalwetenschap en de Nederlandse taal en cultuur aan KU Leuven. Ze onderzoekt de relatie tussen de Nederlandstalige cultuur en andere culturen: hoe, waarom en wanneer steken cultuurproducten, zoals literatuur, grenzen over en hoe beïnvloeden culturen zo elkaar? Ze is daarnaast ook actief in de Nederlandstalige literaire wereld, als criticus, jurylid en adviseur. Van december 2021 tot november 2025 was ze redacteur bij Karakter.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License