Deel dit artikel

Henri Bergson (1859-1941) was ooit een van de beroemdste filosofen van Frankrijk. In 1927 ontving hij zelfs de Nobelprijs voor Literatuur, waarbij de jury zijn ‘rijke ideeën en briljant taalgebruik’ loofde. Na de Tweede Wereldoorlog nam zijn invloed af, tot Gilles Deleuze met Bergsonism (1966) zijn werk nieuw leven inblies, een heropleving die tot vandaag voortduurt, mede dankzij een recente biografie.

Bergson over tijd en creativiteit: de creatio continua

Roland Breeur

Henri Bergson geniet de laatste decennia opnieuw heel wat aandacht. Recent verscheen een nieuwe biografie door Emily Herring. Zij plaatst de Franse filosoof terug in zijn historische en intellectuele context, onder meer die van de Eerste Wereldoorlog en van de nieuwe fysica van Albert Einstein. Op filosofisch vlak wordt Bergson vaak als antwoord beschouwd op het rationalisme van Descartes. Zijn nadruk op intuïtie, tijd en leven en zijn kritiek op een objectiverend denken hebben in de twintigste eeuw heel wat geïnspireerd, onder wie Gilles Deleuze. Bergson leefde in dezelfde periode als de stichter van de fenomenologie, Edmund Husserl. Maar om redenen die in dit essay duidelijk zullen worden, is zijn werk geen fenomenologie, en dus geen studie van de innerlijke structuren van het bewustzijn. Hij is een metafysicus. Daarom is het vruchtbaar om Bergsons visie op tijd en creativiteit terug te plaatsen in de context van de vader van de moderniteit, René Descartes. Deze laatste is misschien inderdaad de grondlegger van een nieuwe rationele methode, maar in zijn metafysisch werk legt hij ook sterk de nadruk op de precariteit van het menselijk bestaan.

In de derde meditatie, nadat hij het bewijs heeft geleverd voor het bestaan van God, beklemtoont Descartes hoe elk schepsel voor zijn bestaan volledig afhankelijk blijft van de schepper. Die afhankelijkheid wordt verklaard in termen van de ‘creatio continua’. Wat geschapen is blijft voortbestaan en aan het niets onttrokken door die voortdurende goddelijke scheppingsact. Vanuit ons standpunt, dit wil zeggen vanuit het geschapene, en dus vanuit datgene wat voortbestaat of continueert, lijkt het alsof God op elk moment het universum in zijn totaliteit opnieuw moet scheppen. Maar vanuit het standpunt van God vallen creatio (schepping) en continua samen. Zijn scheppingsact is absoluut want niet onderworpen aan iets wat er al aan vooraf zou gaan: ze bevat in gecondenseerde vorm (als intensiteit) al wat de schepping in tijdelijke uitgestrektheid (extensie) zal openbaren. Vergelijk het met een act van de verbeelding: iets verbeelden en het beeld vallen samen, en de inhoud van wat je je inbeeldt (bijvoorbeeld in een droom) is in de act zelf vervat of erdoor geproduceerd. Het beeld is dan ook in één keer gegeven, je herwerkt het niet achteraf. Wordt bovendien de verbeeldingsact onderbroken, dan verdwijnt ook het beeld. In de zeventiende eeuw waren er dan ook denkers en schrijvers (zoals St. Cyran) die vreesden dat God in zijn creatieve act zou worden afgeleid: de wereld zou dan in het niets oplossen.

Het is bijzonder leerrijk om Bergsons visie op de metafysica (zoals hij die uitwerkt in zijn beroemde Introduction à la métaphysique uit 1903) te (her)lezen tegen de achtergrond van deze op het eerste gezicht contra-intuïtieve cartesiaanse metafysica. Ze gaat tegen de verwachtingen in van wat we als vanzelfsprekend ervaren. Descartes zal immers beweren dat we vanuit de tijdelijke uitgestrektheid van het geschapene niet terug kunnen doordringen tot de act van de schepping (en dus tot al wat die act in gecondenseerde vorm bevatte). Ons verstand vat de geschapen werkelijkheid vanuit de effecten zonder nog iets van de diepere zin en intentie van de schepping zelf te kunnen grijpen. De goddelijke creatieve volmaaktheid en Zijn oneindigheid kunnen we enkel vatten in termen die we ontlenen aan ons eigen voorstellingsvermogen, onze ideeën of beelden. We kunnen niet anders dan rond ‘de zaak’ te blijven draaien. Welnu, in antwoord op deze cartesiaanse metafysische terughoudendheid beweert Bergson dat we wel degelijk beschikken over het vermogen om in de zaak zelf binnen te dringen (entrer en elle): via het vermogen van de intuïtie. Via een intuïtie dringen we in de zaak binnen en bereiken we het absolute: dit wil zeggen, de zaak of de werkelijkheid zoals ze op zichzelf zijn. Onze relatie tot de werkelijkheid wordt dan niet meer bemiddeld door voorstellingen.

Bergson geeft volgend voorbeeld: neem een beroemd personage van een roman (bv. Don Quichot). Ik kan via allerhande commentaren, interpretaties en gedetailleerde literaire studies een beeld proberen te vormen van die figuur. Maar al die elementen blijven ‘tekens’ (signes) die het karakter of de figuur Don Quichot slechts op symbolische wijze weergeven zonder echt het diepere wezen ervan te kunnen achterhalen. Wat ik via die interpretaties en commentaren vat zijn eigenschappen die eventueel ook gemeenschappelijk zijn met andere romanpersonages (het feit dat hij gek is, naïef, belezen, een ridder, enzovoort). Kortom, ten aanzien van wat Don Quichot in zijn particulariteit betekent, blijven die ‘tekens’ te algemeen, te vaag, of ze vervlakken tot clichés. Ik weet nog altijd niet wat die Spaanse ridderfiguur drijft: ik heb geen greep op het creatieve élan waaruit hij geboren is.

Maar gelukkig bestaat de ‘intuïtie’. Deze is een ‘enkelvoudige act’ (un acte simple) die me ‘in één keer’ de kern of de essentie van het personage levert: dit wil zeggen de bron van waaruit al wat we erover kunnen denken en zeggen voortvloeit. Ik kan dus via de intuïtie terugdringen tot het creatieve moment (de creatio continua) van waaruit het personage zich in de tijd zal ontplooien. Ik vat de essentie van Don Quichot: de personage zoals hij in zichzelf is. Dit is het absolute. Kortom, intuïtie mag niet opgevat worden als een persoonlijke ervaring of gevoel. Zij kunnen hoogstens losstaande associaties oproepen. Intuïtie staat bij Bergson voor de inspanning van het denken om tegen de stroom van het intellect in te gaan en via nieuwe inzichten het denken opnieuw te wekken uit de stroefheid van intellectuele voorstellingen. Kortom, het gaat om de opzet van de filosofie als vermogen om problemen te stellen en te ontwikkelen door in te gaan tegen clichés en nietszeggende algemeenheden. Dit wil zeggen, het denken dat ‘buiten’ de zaak blijft draaien zonder echt te vatten wat op het spel staat.

Bergson wordt terecht geassocieerd met zijn opvatting over de tijd (la durée). Wat hij zegt over het absolute en het creatieve geldt ook voor de natuur en de aard van het voortbestaan (continua): de tijd. We kunnen die vatten via intellectuele vertalingen: dit is de tijd zoals we die doorgaans voorstellen als een opeenvolging van onderdelen die altijd gelijk blijven: uren, minuten, seconden. Maar we kunnen de tijd ook via een intuïtie vatten. Wat vatten we dan?

Hier komen we tot de kern van Bergsons opvatting over tijd.

Tijd staat bij Bergson voor al wat uitdrukking kan zijn van het creatieve

Naar het voorbeeld van Augustinus verwijst ook Bergson vaak naar het model van de melodie. Wie een melodie echt ‘hoort’, beleeft ze van binnenuit eerder dan dat hij een opeenvolging van onderscheiden noten intern tot een eenheid zou construeren. Hij hoort een eenheid: die van de muziek. En die eenheid heerst over de beleving van de organisatie van de onderdelen. Tegen de objectieve en intellectuele voorstelling van de tijd levert de intuïtie ons een besef van tijd als interne, globale en continue zelforganisatie.

Tijd staat als model voor al wat uitdrukking kan zijn van het creatieve: al wat duurt en zich in tijd uitstrekt, alles wat ‘continueert’ wordt door die ‘creatieve act’ bevrucht. Zijn model van tijd, zoals hij die uitwerkt in zijn eerste boek, Les données immédiates de la consciences, dient een metafysisch project over leven als zuivere creativiteit. In die zin stellen we vast hoe hij in zijn tijdsopvatting Descartes’ metafysische visie van de creatio continua absorbeert. Dit project bevat dan ook een diepere religieuze dimensie, die dan ook in zijn later werk over ethiek en mystiek prominenter wordt.

Je kan de idee van de creatio continua, van die scheppingsact die in gecondenseerde vorm reeds alles in zich bevat wat op vlak van de ‘continua’ zal worden uitgestald, op twee manieren interpreteren.

De eerste is Nicolas Malebranches intrigerende idee van preformatie: alles is met de schepping al gegeven en voorgevormd. Neem het voorbeeld van de continuïteit van een soort vrucht, de appel. De appelboom bevat appelen, waarvan de kern een pit bevat. Die pit omsluit in miniatuurvorm een boom, die zelf appelen bevat, met pitten, die in een nog kleinere mininiatuurvorm een boom bevat… en zo tot in het oneindig kleine. Bergson zou dit model verwerpen: het is op metafysisch vlak te vergelijken met wat je op fysisch vlak probeert te verklaren via het model van het ‘cinematografische’: je wil beweging produceren via een juxtapositie van beelden op een pellicule die als beeld reeds gevormd zijn. Het creatieve ervan ligt ver in het verleden en staat los van de beweging die je in de film verkrijgt. De continua van de film staat los van de creatio.

In Bergsons intuïtie van de creatio continua blijven het creatieve en de tijd intern verbonden. Het creatieve is zelf continu en de tijd als continuïteit wordt intern gedreven en bezield door creativiteit. ‘Le temps se crée sans cesse.’ Ze blijft evolueren, veranderen, bewegen, voortduren. Dit zijn vormen van creativiteit – en het creatieve blijft intern verboden met datgene wat het voortbrengt. De tijd is wat het intense moment van de schepping ontvouwt of uitdrukt, is datgene wat de gecondenseerde rijkdom van de scheppingsact (de creatio) ontplooit. En de scheppingsact gaat niet vooraf aan de tijd, maar is er even intens en intern mee verbonden als een verbeeldingsact met het geëvoceerde beeld. Dit betekent dat elk moment in de tijd de totaliteit (van de scheppingsact) op zijn manier uitdrukt, zoals bijvoorbeeld een sterk gedicht het creatief elan van de dichter vertegenwoordigt. Om die reden zeggen we soms dat in dit gedicht de ‘essentie’ van de auteur het beste tot uitdrukking komt.

Wat bedoelen we als we zeggen dat een melodie ons raakt?

Laten we terugkeren naar het model van de melodie. Bergson voert ze vaak in om te illustreren hoe de tijd zich zoals in muziek in de vorm van een organische dynamiek ontwikkelt, en niet als opeenvolging van onderscheiden noten. Maar wat op het spel staat gaat dieper. Wat betekent het te zeggen dat een bepaalde melodie of muziekstuk je ‘aangrijpt’ en ‘raakt’? We vertalen dat vaak in emotionele termen: ‘ik werd ontroerd.’ Maar wat bedoelen we daarmee? Het lijkt alsof door die muziek bepaalde aspecten van het leven met elkaar beginnen te resoneren. In feite absorbeert de muziek al die aspecten tot een intense kern, van waaruit ze al die aspecten, herinneringen, affecten, inzichten, wensen, hercomponeert en reorganiseert. Door die reorganisatie lijkt alles intenser en ‘authentieker’: ik beleef die momenten met een apart coloriet, alsof ze gedreven worden door iets wat het verschil maakt en er echt toe doet. Dit is een eenheid van tijd en creativiteit: het continu en onuitputtelijk vermogen om naar het model van de creatieve act een totaliteit van evocaties op intense wijze in zich te absorberen en er de tijd, zoals we die beleven, mee te investeren. Anders gezegd: ik beleef de tijd anders, als bron van creativiteit, schepping van nieuwe inzichten en ervaringen.

De tijd die we doorgaans als uitgestrekte en banale opeenvolging van momenten en gebeurtenissen ervaren wordt heropgeladen met zin en intensiteit. Je zou dit ook kunnen verhelderen door te zeggen dat wanneer we intens naar bijvoorbeeld een sonate luisteren, we de muziek niet louter passief ondergaan, maar mee voltrekken en scheppen.

We zagen dat Bergsons denken trouw is aan een metafysisch project: hij voert een scherp onderscheid in tussen wetenschap en metafysica. In de wetenschappen analyseren we zaken via de ‘notions communes’. We vertalen de materiële dingen die we willen kennen in concepten (of symbolen) die gemeenschappelijk zijn, bijvoorbeeld aan de materie. Deze ‘intellectuele’ benadering van de werkelijkheid heeft een eigen functie. Ze dient de handeling, of ze helpt ons greep en controle te verwerven over de wereld, maar die wetenschappen dringen niet door tot de kern. Ze denken vanuit de effecten en missen de zin van de creatieve act. De kennis van de wetenschapper blijft relatief en blijft blind voor het absolute. Ze blijft voortdurend graviteren rond datgene waar het eigenlijk om gaat: de zin en de essenties van de dingen en het leven zonder meer. Deze visie heeft dan ook een zeer specifieke notie van crisis gegenereerd omtrent de relatie tussen wetenschap en de vraag naar zin of naar wat essentieel is. Die visie komt hierop neer.

De menselijke beschaving kreunt volgens Bergson onder het gewicht van zijn eigen vooruitgang

Door de ontwikkelingen van wetenschap en technologie zou die metafysische vraag naar de diepere creatieve zin van het leven onder conceptuele modellen bedekt geraakt. We zouden die vraag naar zin, echtheid en authenticiteit zijn vergeten. Bergsons laatste boek is gewijd aan ethiek: hij bespreekt er ook de relatie tussen oorlog en de industriële ontwikkelingen. De technologie heeft onze greep op de materie weliswaar versterkt, maar heeft er ook toe geleid dat we het diepere creatieve élan in wat het leven drijft toedekken met intellectuele metingen en concepten. De menselijke beschaving kreunt onder de druk en het gewicht van zijn eigen vooruitgang.

Dit model van de crisis is vrij traditioneel en ligt in de lijn van wat ook in andere filosofische disciplines, zoals de fenomenologie, vooral na de twee wereldoorlogen werd geschreven. Door zijn intellectuele vooruitgang is de menselijke beschaving de voeling kwijtgeraakt met die dimensies in het leven die er echt toe doen (het spirituele, het vitale, het esthetische). Descartes wordt verantwoordelijk gesteld voor het feit dat we de werkelijkheid hebben vertaald in geometrische modellen en we de creatieve oorsprong uit het oog zijn verloren. Onze kennis schept een harde korst van kennis en technologie die onze toegang tot de kern van het leven verhindert.

Vandaar die oproepen van heel wat filosofen om terug te keren tot ‘de kern’, tot datgene in het leven waar het echt om gaat, tot een nieuwe en authentieke band met de natuur, met de medemens, of met God.

Emily Herring, Herald of a Restless World: How Henri Bergson Brought Philosophy to the People. (New York: Basic Books, 2024).

Roland Breeur is gewoon hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte, KU Leuven. Hij doceert er vroegmoderne en hedendaagse wijsbegeerte.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen