Werk verleent waardigheid, geeft zin aan het leven en wie hard werkt, wordt beloond. We horen het zo vaak dat het vanzelfsprekend lijkt. Maar waarom koppelen we arbeid zo vanzelfsprekend aan waardigheid, zingeving en succes? En waar komt die diepgewortelde reflex vandaan?
Het arbeidsethos: ideologie of eigen aan de moderne levenshouding?
Er is geen samenleving, geen cultuur waarin arbeid, in de zin van individuele beroepsarbeid, zo’n centrale, betekenisvolle rol speelt als in onze samenleving. Zowat het hele bestaan is er rond georganiseerd. Van kindsbeen af wordt gespeurd naar sluimerende talenten en zijn onderwijskeuzes gericht op het latere beroepsleven. Eens aan het werk staat het hele leven, van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat in dienst van de uitoefening van de beroepsactiviteit. Perioden van rust en ontspanning fungeren daarbij als noodzakelijke pauzes om nadien met meer energie opnieuw aan de slag te gaan. De betekenis van arbeid in onze samenleving is dermate groot dat mensen die om welke reden ook geen arbeid (kunnen) verrichten zich vaak schuldig en uitgesloten voelen, wat niet zelden leidt tot acuut zingevingsverlies. Maatschappelijk kunnen ze bovendien op weinig begrip rekenen: niet arbeiden, in de zin van geen beroepsactiviteit uitoefenen, veroordeelt hen sociaal algauw tot een paria-bestaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat depressies of vergelijkbare mentale problemen vaak hun deel zijn.
De vraag is evenwel waar die niet aflatende focus op de beroepsarbeid vandaan komt? Het meest beroemde en nog steeds breed gedragen antwoord op die vraag is te vinden in Max Webers essay Die protestantische Ethik und der Geist des Kapitalismus, dat in 1920 verscheen. In een omstandige argumentatie toont Weber aan dat dit arbeidsethos in het leven is geroepen door het (Calvinistische) protestantisme en een belangrijke hefboom is geweest voor de ontwikkeling van het moderne kapitalisme. Het Calvinisme, zo is bekend, is een streng puriteinse stroming binnen het protestantisme die vanaf de vroege zeventiende eeuw vooral in Nederland en via de Pilgrim Fathers ook in Noord-Amerika al snel een grote aanhang kende. Een centrale leerstelling van dat Calvinisme is de predestinatieleer. Die stelt dat God voor ieder van ons van meet af aan bepaald heeft of we voor eeuwig ‘gered’ dan wel ‘verdoemd’ zullen worden. Voor de Calvinisten valt het heil dus niet te verdienen met ‘goede werken’ zoals de katholieke leer voorhoudt. Daarom zochten de puriteinen in dit aardse leven naar tekenen die bevestigen dat ze in Gods genade staan en ‘uitverkoren’ zijn om het heil deelachtig te worden. Een dergelijk teken, dat hen die ‘zekerheid van het heil’ (certitudo salutis) verschaft, dachten ze te vinden in de volgehouden, plichtsbewuste uitoefening van het beroep – tot meerdere eer en glorie van God. Een dergelijke levenshouding impliceert de strikte observatie van de eigen levenswandel die helemaal in dienst komt te staan van de beroepsarbeid. Deugden als orde, zelfbeheersing, vlijt, punctualiteit, matigheid en spaarzaamheid voeren daarin de boventoon. Ongeacht de vruchten van die totale overgave aan de beroepsarbeid, is enkel de volgehouden ascese het eigenlijke teken van Gods genade. Want alleen de onberispelijke, op arbeid gerichte levenswandel en niet het genot van de opbrengst ervan is God welgevallig. Zo er al opbrengst is, heeft die alleen betekenis indien ze bijdraagt tot de verdere uitbouw en perfectionering van de eigen beroepsactiviteit.
Het hoeft geen betoog, aldus Weber, dat een dergelijke levenshouding uitermate geschikt was om het kapitalisme een boost te geven. Het arbeidsethos dat het protestantse puritanisme op die manier in de wereld introduceerde stond immers niet alleen garant voor een strikte arbeidsdiscipline, maar zorgde er ook voor dat de opbrengsten van die arbeidsdiscipline systematisch geherinvesteerd werden in het arbeids- en productieproces. Die dynamiek tussen de protestantse levenshouding en de kapitalistische logica heeft het kapitalisme op een dusdanige wijze tot ontwikkeling gebracht, dat het definitief op dat arbeidsethos aangewezen bleef – ook nadat de religieuze betekenis ervan helemaal vervlogen was.
Het vervolg van dit artikel leest u in de papieren versie van Karakter. De volledige tekst verschijnt later online.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License