Deel dit artikel

We leven in neoliberale tijden, waarin de vrije markt niet alleen de economie stuurt, maar ook ons denken over rechtvaardigheid en succes. Wie wint, heeft dat verdiend; wie verliest, is daar volledig zelf verantwoordelijk voor. Tegen die morele onderstroom hebben econoom Thomas Piketty en filosoof Michael Sandel elk hun verzet georganiseerd. Wat kunnen we leren van hun analyses?

Tegen ongelijkheid: Piketty en Sandel in debat

giovanni martino

Ongelijkheid is een van de grootste uitdagingen van onze tijd. Hoewel extreme armoede wereldwijd de afgelopen decennia is gedaald, blijft rijkdom sterk geconcentreerd en gaat een steeds groter deel naar de allerrijksten. De omvang van het probleem is bekend, maar enkele voorbeelden helpen dit te illustreren. In de paar seconden die het kostte om tot hier te lezen, heeft Elon Musk waarschijnlijk meer verdiend dan de gemiddelde Belg in een jaar, en meer dan de gemiddelde Congolees in een heel leven. Maar het probleem overstijgt individuele fortuinen. De rijkste 0,001 procent van de wereld, een groep ongeveer zo groot als de bevolking van Roeselare, bezit drie keer zoveel rijkdom als de onderste helft van de mensheid. Die onderste helft omvat evenveel mensen als China, India, de Verenigde Staten, Indonesië en Brazilië samen, zo blijkt uit het World Inequality Report van 2026. Waarom is dat een probleem? En belangrijker: wat kunnen we eraan doen? Over die vragen gingen econoom Thomas Piketty en filosoof Michael Sandel met elkaar in gesprek. Hun uitwisseling verscheen in 2025 in boekvorm onder de titel Equality, What It Means and Why It Matters.

Piketty en Sandel beginnen bij drie situaties waarin ongelijkheid problematisch wordt. Ongelijkheid is schadelijk wanneer mensen niet langer verzekerd zijn van toegang tot fundamentele goederen zoals huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg. Ze wordt gevaarlijk wanneer geld politieke invloed kan kopen en het democratisch proces uit balans raakt. En ze is sociaal ontwrichtend wanneer ongelijkheid de menselijke waardigheid aantast. Rijkdom bepaalt dan niet alleen wat mensen hebben, maar ook hoeveel ze in de ogen van anderen lijken te tellen. Zo ontstaat een samenleving waarin sommigen structureel in vernederende omstandigheden worden gedwongen ten aanzien van hun ‘oversten’.

Het is met name deze sociale ontwrichting en het gebrek aan ervaren waardigheid waar Piketty en Sandel ons voor waarschuwen. Om te verduidelijken hoe insidieus deze vorm van ongelijkheid is, vragen ze ons, bij wijze van gedachte-experiment, een wereld voor te stellen waarin de eerste twee problemen zijn opgelost. In zo’n wereld zou iedereen toegang hebben tot noodzakelijkheden zoals onderwijs en gezondheidszorg en zou de politiek beschermd zijn tegen corruptie door een elite. Toch zouden er nog steeds grote verschillen bestaan tussen individuele fortuinen en zou geld nog steeds de sociale ruimtes beïnvloeden waarin mensen leven en met elkaar omgaan. Ongelijkheid zou nog steeds sociale afstand tussen mensen creëren. Waar mensen wonen, wat ze doen en met wie, zou nog steeds bepaald kunnen worden door hun rijkdom, omdat welgestelden de middelen hebben om grotendeels gescheiden levens te leiden. Ze kunnen zich vestigen in andere buurten, hun kinderen naar andere scholen sturen, maar ook werken, winkelen en hun vrije tijd doorbrengen in exclusieve en prestigieuze buurten. In zo’n samenleving zou het moeilijk zijn voor de minstbedeelden om niet het gevoel te krijgen dat er op hen wordt neergekeken.

Het vervolg van dit artikel leest u in de papieren versie van Karakter. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen