Toegankelijkheid wordt zowel in de kunsten als daarbuiten vaak benaderd als een binair protocol: het is er, of het ontbreekt. Maar wat als toegankelijkheid ook een artistiek middel wordt, een dramaturgische ingreep die niet iets oplost maar een wereld vertraagt, verdiept, en vormgeeft?
Niet afgevinkt: over toegankelijkheid als een esthetische en relationele praxis
Disclaimer: in dit essay gebruik ik bewust de term handicap. Dat is een historisch en politiek geladen keuze. De term handicap wordt vandaag door ervaringsdeskundigen en belangenverenigingen bewust herclaimd. Dat doe ik hier ook, mede vanuit mijn eigen belichaamde ervaring. Er bestaan ook andere termen, zoals ‘persoon met beperking’, die in andere contexten de voorkeur kunnen krijgen. Welke term passend of wenselijk is, hangt samen met verschillende factoren. Het blijft daarbij belangrijk om telkens na te gaan hoe iemand zichzelf in een bepaalde context benoemt.
Over toegankelijkheid wordt meestal gedacht als ‘iets dat achteraf moet worden geregeld’. Eerst wordt een theatervoorstelling, tentoonstelling of ander evenement inhoudelijk vormgegeven, pas daarna schuift de vraag op tafel hoe het geheel toegankelijk(er) kan worden gemaakt. Soms volgt er dan een pakket maatregelen: een helling hier, ondertitels daar, eventueel een gebarentolk – elementen die, eenmaal afgevinkt, de belofte van inclusie lijken in te lossen. In België kreeg deze benadering recent een juridische basis. In februari 2021 werden personen met een handicap grondwettelijk erkend, met een formeel recht op ‘volledige inclusie in de samenleving’ en op ‘redelijke aanpassingen’. Parallel daaraan werd de Europese toegankelijkheidsrichtlijn geïntroduceerd: een beleidskader doordrenkt van termen als ‘universeel design’. Het is dan ook geen verrassing dat toegankelijkheid vandaag centraal staat in talrijke reguleringsprocessen binnen diverse sectoren.
Die reguleringsprocessen steunen op een uitgesproken accommodatie en procedurele logica. Toegankelijkheid verschijnt daarin als iets dat altijd wenselijk is en in principe volledig realiseerbaar via gestandaardiseerde maatregelen en nieuwe technologieën: een einddoel dat kan worden geleverd, gecontroleerd en gecertificeerd. Deze benadering maakt toegankelijkheid neutraal en technisch. Ze vertrekt impliciet van standaarden zoals niet-gehandicapt, wit, mannelijk en/of cultureel dominant, en vraagt dan hoe allerlei mensen daarin passend kunnen worden ondergebracht. Dat lukt dan bijvoorbeeld door een aparte ingang, een tolk, een extra service op aanvraag, enzovoort. De standaarden zelf worden vrijwel niet ter discussie gesteld. Zo ondersteunt toegankelijkheid vooral een vorm van gecontroleerde insluiting: wie zich met aanpassingen kan voegen naar het geldende tempo en de heersende verwachtingen, mag meedoen; wie dat niet kan, verdwijnt uit beeld.
Het vervolg van dit artikel leest u in de papieren versie van Karakter. De volledige tekst verschijnt later online.

This work is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-NoDerivs 3.0 Unported License