TIJDSCHRIFT VAN WETENSCHAP

ESSAY

De toekomst wordt alsmaar onzekerder door een opeenvolging van technologische doorbraken, geopolitieke verschuivingen en de opmars van radicaal‑rechtse bewegingen en autoritaire regimes. Tegelijkertijd kraakt het liberale vooruitgangsdenken in al zijn voegen. Leven we opnieuw in revolutionaire tijden?

Voorbij de revolutie?

In de zomer van 1989 publiceerde de Amerikaanse filosoof en politicoloog Francis Fukuyama zijn invloedrijke essay The End of History? Daarin bepleitte hij dat er met het beëindigen van de Koude Oorlog er een nieuw politiek tijdperk zou aanbreken. De grote ideologische tegenstellingen die de twintigste eeuw hadden gekenmerkt waren grotendeels van het wereldtoneel verdwenen. Nagenoeg overal op de wereld was de liberale democratie inmiddels gevestigd – zelfs in de afbrokkelende Sovjetunie leek het een kwestie van tijd voordat vrijemarkt-denken, waardenpluralisme en individuele vrijheid het politieke bewustzijn zouden bepalen. Waar wij getuigen van zijn, betoogde Fukuyama toen, is wat Georg Wilhelm Friedrich Hegel als het ‘einde van de geschiedenis’ omschreef: het moment waarop een op rationalisme en kennis gebaseerde maatschappij eindelijk tot wasdom is gekomen.

Fukuyama’s stelling is de afgelopen decennia dikwijls bevraagd, verdedigd en genuanceerd – niet in de laatste plaats door Fukuyama zelf. Tal van ontwikkelingen lijken de idee van een ‘einde van de geschiedenis’ te ondergraven: oorlog en genocide, de groeiende invloed van religieus fundamentalisme, het ontstaan van nieuwe geopolitieke tegenstellingen en de wereldwijde opmars van extreemrechtse partijen en illiberale regimes. Maar de gedachte dat de menselijke geschiedenis wordt voortgestuwd door een ontwikkeling van ideeën, die uiteindelijk in de Westerse liberale democratie verwezenlijkt moest worden, heeft nog altijd een significante invloed. Een prominent pleitbezorger van deze idee is de Indiaans-Amerikaanse journalist Fareed Zakaria, die naast een wekelijkse talkshow op CNN ook een vaste column schrijft in de Washington Post en tal van boeken schreef over internationale politiek en de toekomst van de liberale democratie. Zijn pleidooi voor het liberale vooruitgangsdenken vat Zakaria samen in zijn nieuwste boek, Age of Revolutions: Progress and Backlash from 1600 to the Present. Tegelijkertijd betoogt hij dat technologische ontwikkeling, economische vooruitgang, en globalisering bijna onvermijdelijk leiden tot tegenstand en conflict. Nu juist het verzet tegen de liberale orde wereldwijd terrein wint, lijkt het ‘einde van de geschiedenis’ misschien verder van ons verwijderd dan ooit sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Des te meer reden voor Zakaria om te pleiten voor een hernieuwd revolutionair élan.

Zakaria’s inzet is niets minder dan ons begrip van revolutionaire vooruitgang te herijken in het licht van recente politieke ontwikkelingen. ‘Revolutie’ werd nog niet zo lang geleden vooral geassocieerd met linkse politiek. Haar tegenpool, ‘reactie,’ werd intuïtief verbonden met rechtse en conservatieve ideeën. Volgens Zakaria heeft dit gebruikelijke links‑rechtsonderscheid inmiddels aan betekenis ingeboet. Hij verhaalt over een gesprek dat hij voerde met de extreemrechtse ideoloog en activist Steve Bannon, die een sleutelrol vervulde in de eerste verkiezing van Donald Trump als president van de Verenigde Staten. Inhoudelijk is Bannon weliswaar een zelfverklaard conservatief. Maar hij spreekt evengoed zijn bewondering uit voor een revolutionair als Lenin, die met zijn strategisch vernuft de gevestigde orde op de knieën wist te dwingen. Wat Bannon betreft leven we vandaag in revolutionaire tijden. Al zijn het dit keer radicaal-rechte partijen en illiberale regimes die een opstand tegen de liberale, gevestigde orde hebben ontketend.

Wat is een revolutie?

Het lijkt contra-intuïtief om de opkomst van radicaal-rechts als ‘revolutionair’ te omschrijven. Maar is het dat ook? Wat ís precies een revolutie? Een eerste probleem waar we bij het stellen van die vraag op stuiten is van etymologische aard. De term ‘revolutie’ stamt af van het Latijnse werkwoord revolvere, dat vertaald kan worden als ‘omkeren’ of ‘herhalen.’ Het was Copernicus die het woord aan het begin van de zestiende eeuw gebruikte om de omwentelingen van de planeten rond de zon te beschrijven. In die oorspronkelijke betekenis ligt dus besloten dat elke ‘revolutie’ eindigt bij haar aanvankelijke beginpunt. Dit was ook hoe de Griekse historicus Polybius de ontwikkeling en het verval van opeenvolgende regeringsvormen had beschreven: een voortdurende cyclus die zijn vertalers in de vijftiende eeuw met het woord ‘revolutie’ aanduidden. In ons moderne gebruik van de term wijst ‘revolutie’ echter niet op een circulaire beweging, maar juist op een sprong of beginpunt in een lineaire ontwikkeling. Daar komt bij dat de moderne ‘revolutie’ doorgaans als een stap in een progressief proces wordt gezien, maar ook dit is verre van evident. De oude Grieken beschikten weliswaar niet over de term ‘revolutie,’ maar wie bij Aristoteles zoekt op het als zodanig vertaalde metabolē, ziet dat de filosoof weinig op had met politieke omwentelingen. Het was eerder zaak om deze te voorkomen. Pas met de introductie van een lineair tijdsbegrip heeft de term ‘revolutie’ de positieve connotatie gekregen van een sprong voorwaarts. De wetenschappelijke revolutie die vandaag met Copernicus wordt geassocieerd, is ironisch genoeg dus niet het soort cyclische omwenteling die hij zelf beschreef, maar juist een historisch breekpunt waarna nooit nog iets hetzelfde zou zijn.

Zakaria positioneert zichzelf als een fervent aanhanger van dit moderne en progressieve vooruitgangsdenken. Hij benadrukt dat politieke ontwikkelingen nauw samenhangen met revoluties op technologisch, economisch en cultureel vlak. Zakaria wijst naar de Nederlandse Republiek als de bakermat van het liberalisme. De opkomst van internationale handel, de groeiende stad als knooppunt voor productie en uitwisseling, het ontstaan van beurshandel en de bank in Amsterdam, het protestantisme en het daarin geïmpliceerde begrip van individuele verantwoordelijkheid, en de gefederaliseerde structuur van de Republiek droegen in hun samenhang bij aan de totstandkoming van een liberaal wereldbeeld dat de loop van de geschiedenis zou bepalen. Hetzelfde geldt voor de opkomst van de stoommachine en mechanische productie, doorgaans aangeduid als de ‘eerste industriële revolutie,’ die volgens Zakaria’s reconstructie nauw samenhangt met het ontstaan van het vrijemarkt-denken. De tweede industriële revolutie werd gekenmerkt door de introductie van gas en olie, de elektrificatie en de opkomst van treinen en auto’s. Deze periode van technologische vernieuwing ging bovendien gepaard met democratisering en sociale emancipatie. De derde revolutie werd aangedreven door digitalisering en de opkomst van het internet en speelde een elementaire rol in de globalisering van de wereldeconomie. Momenteel bevinden we ons in een vierde industriële revolutie, die wordt aangedreven door de opkomst van artificiële intelligentie en biotechnologie. Dit is het ook punt waar Zakaria’s vooruitgangsdenken afwijkt van Fukuyama’s stelling uit 1989. Volgens de laatste wordt de geschiedenis uiteindelijk voortgedreven door ideeën; Zakaria, daarentegen, legt meer nadruk op de materiële omstandigheden waarin en waardoor die ideeën tot wasdom hebben kunnen worden.

Elke ontwikkeling leidt vrijwel onvermijdelijk tot een maatschappelijke weerstand

Natuurlijk kennen al die ontwikkelingen ook verliezers. Globalisering, migratie, het verdwijnen van traditionele banen en genderrolpatronen leiden tot veel woede en onzekerheid. Op zich is dit niet nieuw: zelfs voor een vooruitgangsdenker als Zakaria valt moeilijk te ontkennen dat de wereldwijde verspreiding van het kapitalisme gepaard ging met dwang, geweld, en kolonisatie. De drie voorgaande industriële revoluties hadden bovendien een desastreuze impact op de aarde en onze natuurlijke omgeving. Elke ontwikkeling leidt dus vrijwel onvermijdelijk tot een maatschappelijke weerstand. In onze tijd wordt dit vooral gekenmerkt door de opkomst van radicaal-rechtse partijen in nagenoeg alle delen van de wereld, de vestiging van illiberale en autocratische regimes, maar ook de terugkeer van geopolitieke spanningen tussen ‘het Westen’ en landen als Rusland en China. Deze contesteren niet alleen de geopolitieke macht van westerse landen, aldus Zakaria, maar keren zich ook tegen de mondiale hegemonie van het liberaal-democratische denken. Onze politieke realiteit wordt volgens Zakaria daarom niet langer gekenmerkt door een tegenstelling tussen ‘linkse’ en ‘rechtse’ politiek. Veel conservatieven hebben inmiddels het liberalisme omarmt. En veel rechtse politici zijn nu zelfverklaarde antiglobalisten die pleiten tegen internationale samenwerking en vóór handelstarieven. De fundamentele tegenstelling waar we hier mee te maken hebben, zo stelt Zakaria, is die tussen een ‘open’ en ‘gesloten’ kijk op de wereld.

Dit brengt ons terug bij de vraag of we momenteel ook getuigen zijn van een radicaal-rechtse revolutie. Voor Zakaria is dit niet ondenkbaar. In zijn optiek is de geschiedenis een opwaartse, rechte lijn, die soms kan stagneren of zelfs een tijdelijke terugval maakt. Het is een voortdurend heen- en weertrekken tussen voor- en achteruitgang. Beide volgen vaak op een bredere, technologische en economische ontwikkeling. Beide hebben het vermogen om de geschiedenis te onderbreken of haar koers te verleggen. En in dat specifieke opzicht zijn beide dus te omschrijven als ‘revoluties’ in de moderne zin van het woord. Volgens Zakaria’s lineaire geschiedsopvatting zijn dit de twee tegengestelde richtingen die we als mensheid kunnen opgaan: ‘vooruit’, richting een geglobaliseerde, liberale en ’open’ samenleving, gebaseerd op individuele vrijheid, of ‘achteruit’, naar een ‘gesloten’ en verstikkende gemeenschap, gestoeld op communitarisme en vaste sociale rolverdelingen. Mede door digitalisering, de ontwikkeling van artificiële intelligentie, en voortdurende globalisering beleven wij, wat Zakaria betreft, onmiskenbaar een revolutionair moment. Het is alleen nog onzeker naar welke kant het dubbeltje uiteindelijk zal vallen: die van de voor- of achteruitgang.

Zakaria’s begrip van revolutie en de daarin geïmpliceerde, lineaire tijdsopvatting stellen ons dus voor een heldere politieke keuze: maken we de sprong voorwaarts of wordt de klok teruggezet? Tegelijkertijd dreigt hij daarmee onze complexe maatschappelijke realiteit, en de rol of potentie van revolutionaire politiek daarbinnen, tekort te doen. Allereerst is het maar de vraag hoe en in welke mate een ‘open’ pleidooi voor de vrije markt en economische globalisering en een ‘gesloten’ nationalistisch vertoog elkaar daadwerkelijk uitsluiten. Historici van het neoliberalisme, zoals Merijn Oudenampsen en Quinn Slobodian, stellen dat de opkomst van radicaal-rechtse partijen niet zozeer tot een revolutie tegen het dominante liberale discours heeft geleid, maar dat ze eerder in elkaars verlengde lagen. Het pleidooi voor strengere migratiebeheersing, voor een nationalistische leidcultuur en de marginalisering van minderheden, het bevorderen van competitie en het ondergraven van solidariteit hebben de afgelopen decennia juist een centrale plek verworven in het verhaal van veel zelfverklaard ‘liberale’ partijen. Daar komt bij dat radicaal-rechts helemaal niet zo afwijzend lijkt te staan tegenover recente technologische veranderingen als Zakaria suggereert. Zie bijvoorbeeld de vooraanstaande rol van techbros als Elon Musk, Peter Thiel, en Mark Zuckerberg in de terugkeer en radicalisering van president Trump.

Zakaria’s liberale vooruitgangsverhaal presenteert een sterk westers-centrisch discours

Fundamenteler is de vraag waarom ons begrip van revolutie een lineaire geschiedsopvatting zou moeten veronderstellen. Want op basis van welke criteria of perspectieven dient een bepaalde verandering als ‘vooruitgang’ en niet juist als ‘achteruitgang’ te worden geboekstaafd? Impliceert dit niet ten onrechte dat er een neutraal perspectief bestaat van waaruit een dergelijk oordeel kan worden geveld? Inderdaad past het narratief dat Zakaria presenteert al bij voorbaat in een sterk westers-centrisch discours. Zijn voorbeelden zijn allemaal ontleend aan revoluties in Europa of Noord-Amerika. De Haïtiaanse Revolutie (1791-1804), de eerste grote revolutie door slaafgemaakten tegen een koloniaal regime, wordt bijvoorbeeld slechts en passant genoemd. De Franse en Russische Revoluties, door traditioneel links gevierd als elementaire stappen in de historische wording van een sociaal gelijkheidsideaal, worden wel in meer detail besproken. Maar ook zij passen uiteindelijk niet in Zakaria’s liberale vooruitgangsverhaal: deze revoluties ontaardden wat hem betreft slechts in geweld, repressie en economische achteruitgang.

Wie zich de revolutie voorstelt als een stap richting de verwezenlijking van een menselijke potentie of het einde van de geschiedenis, loopt het risico de geschiedenis te verwarren met een doelgericht maakproces. Hannah Arendt waarschuwt voor de gevaren die deze instrumentalistische manier van kijken met zich meebrengt. Het is de logica van de eieren die men moet breken om een omelet te kunnen bakken: in het licht van het uiteindelijke doel is het maken van menselijke offers nu eenmaal onvermijdelijk. Een dergelijk verwijt wordt vaak aan het adres van linkse revolutionairen gemaakt. Is dit immers niet hoe Robespierre, Stalin en Pol Pot dachten? Maar ook Zakaria walst in zijn liberale vooruitgangsdiscours soms al te gemakkelijk over de ‘keerzijden’ van het kapitalisme en kolonialisme.

Arendts alternatief is niet zozeer de revolutie af te wijzen. De betekenis van een revolutie is voor haar niet te reduceren tot wat eraan voorafging of waar deze uiteindelijk al of niet toe leidde. Anders gezegd: revolutie draait voor haar niet primair om duurzame bevrijding, maar om de inherente ervaring van vrijheid op het revolutionaire moment zelf. Juist door goed te kijken wat men op zulke momenten deed en ervoer, opent men nieuwe perspectieven op onze politieke realiteit. Arendt is gefascineerd door de raden, communes of sovjets – kortom vormen van democratisch zelfbestuur – die tijdens tal van revoluties in de negentiende en twintigste eeuw spontaan tot stand kwamen. De taak van politiek theoretici is om dergelijke ervaringen aan de vergetelheid te onttrekken en inzichtelijk te maken hoe en waarom men op zo’n moment een nieuw begin probeerde te maken. Dit vergt een radicaal andere kijk op geschiedenis of ‘vooruitgang’.

Voor de revolutionair bestaat geen toekomst of verleden

Wat als revoluties niet zozeer draaien om het voortstuwen of terugdraaien van de geschiedenis, maar om het onderbreken ervan? Arendts vriend Walter Benjamin omschreef de revolutie eens als een noodrem die de tijd als het ware moet stilzetten. In haar boek Revolution für das Leben uit 2020 pleit de Duitse filosoof Eva von Redecker voor een dergelijk begrip van revolutie. Veel hedendaagse sociale bewegingen pleiten niet langer voor een uitbreiding van burgerrechten of een radicale herverdeling van de welvaart op langere termijn. Sociale strijd draait volgens Von Rediker vandaag vooral om het beschermen van leven: tegen femicide en seksueel geweld, tegen de uitsterving van soorten en vernietiging van het klimaat, tegen kolonialisme en de uitputting van natuurlijke bronnen en vóór wederzijdse hulp en het redden van vluchtelingen die de gevaarlijke oversteek over de Middellandse Zee wagen. Deze notie van revolutie rekent niet slechts af met modern vooruitgangsdenken, maar keert in zekere zin terug naar de oorspronkelijke betekenis van het woord: het leven als een voortdurende cyclus zonder begin- of eindpunt staat hier opnieuw centraal.

In één van de laatste teksten die Benjamin schreef tijdens zijn vlucht voor het fascisme, vertelt hij hoe men tijdens de julirevolutie van 1830 het vuur opende op kerkklokken in een poging om de tijd stil te zetten. Voor de revolutionair, zo bedoelt hij te zeggen, bestaat er helemaal geen toekomst of verleden. Het is slechts het moment dat telt. Een vergelijkbare houding zien we in de pleinbezettingsbewegingen van het afgelopen decennium, zoals Occupy Wall Street, die vooral een belichaming probeerden te vormen van de alternatieve samenleving die zij zich voorstelden. Of in het verzet van inheemse volkeren tegen de aanleg van oliepijpleidingen en de ontginning van grondstoffen: voor hen valt de strijd voor een andere toekomst en het belang van volgende generaties samen met het vereren van voorouders en de bescherming van hun nalatenschap.

Misschien stelt het moderne begrip van ‘revolutie’ ons voor een valse keuze tussen voor- en achteruitgang. In dat geval schuilt het alternatief op onze huidige samenleving niet in een abstract toekomstbeeld of een naïeve idealisering van het verleden, maar juist in de marges van het reeds bestaande. Een waarlijk radicale politiek zet in op het ontdekken en beschermen van die ruimte.

Fareed Zakaria, Age of Revolutions: Progress and Backlash from 1600 to the Present. (New York: W. W. Norton & Company, 2024).

Mathijs van de Sande is universitair docent politieke filosofie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij publiceert over radicale democratie, politieke representatie en het democratisch belang van protest en sociale bewegingen. In 2023 verscheen zijn boek Prefigurative Democracy: Protest, Social Movements and the Political Institution of Society (Edinburgh University Press).

Dit artikel verscheen in Karakter nr. 94 · Creative Commons BY-NC-ND