ESSAY
Terwijl staten en bedrijven de ruimte, de maan en Mars opeisen om satellieten te lanceren, grondstoffen te delven en zelfs kernreactoren te plaatsen, hinkt het internationaal ruimterecht achterop. Wie bepaalt vandaag de regels, en op welke rechtsgrond?
Uitdagingen voor het internationaal ruimterecht in het huidige geopolitieke kader
Voor wie het niet meteen zou denken: er bestaat zoiets als internationaal ruimterecht. Toen ik dat zei aan sommige van mijn Leuvense collega’s, deden ze er wat lacherig over. Maar het is zo: tussen 1967 en 1979 werden in het kader van de Verenigde Naties vijf internationale ruimteverdragen gesloten die nog steeds het rechtskader vormen voor het vreedzaam gebruik en onderzoek van de kosmische ruimte. Zo is de ruimte vrij om te onderzoeken en gebruiken voor elke staat, en moet er vrije toegang zijn tot alle hemellichamen, mits dat onderzoek en gebruik ‘ten goede komen aan alle landen’ (artikel I Ruimteverdrag). Daarnaast geldt er een verbod op nationale toe-eigening van de ruimte en hemellichamen door middel van soevereiniteitsaanspraken, gebruik of bezetting, of op enige andere wijze (artikel II Ruimteverdrag). De verdragen regelen ook zaken als de redding en terugkeer van astronauten en ruimteobjecten, de aansprakelijkheid voor schade aangebracht door ruimteobjecten, en de registratie van ruimteobjecten en activiteiten op hemellichamen.
Maar dat is inmiddels een halve eeuw geleden. Sindsdien hebben technologische ontwikkelingen, de opkomst van private actoren en de diversificatie van het ruimtegebruik het speelveld ingrijpend veranderd. De banen rond de aarde raken langzaam overbevolkt met satellieten, wat het risico op botsingen tussen ruimteobjecten en ruimtepuin vergroot. Satellieten worden zowel voor civiele als militaire doeleinden ingezet (ze zijn wat we dual use noemen). Overheden testen antisatellietwapens en de ruimte raakt steeds verder gemilitariseerd.
Tegelijkertijd proberen bedrijven en staten steeds nadrukkelijker de regels rond de exploitatie van natuurlijke rijkdommen op hemellichamen naar hun hand te zetten. Het internationaalrechtelijke kader werd de afgelopen decennia amper aangepast aan deze moderne uitdagingen. Daardoor ontstaat een leemte die ingevuld wordt door nationale wetgevingen en bilaterale akkoorden, waardoor het juridische landschap verder fragmenteert. Om deze uitdagingen het hoofd te bieden, werkt de Europese Unie aan een eigen ruimtewet. Deze moet de activiteiten van de lidstaten harmoniseren en bijdragen aan de duurzaamheid en veiligheid van de ruimte.
In deze korte bijdrage ga ik nader in op de hiaten in het internationale juridische kader van de ruimte. Vervolgens bespreek ik enkele regelgevende initiatieven van ruimtemogendheden die daarop trachten in te spelen. Tot slot sta ik stil bij de rol die de Europese Unie en haar toekomstige ruimtewet kunnen spelen in dit snel wijzigende domein.
Het huidige internationale ruimterechtskader schiet tekort
De geopolitieke en commerciële context van moderne ruimteactiviteiten plaatst het internationaal ruimterecht voor talrijke uitdagingen. Tijdens de Koude Oorlog was de ruimte vooral het speelveld van twee supermachten: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Vandaag zie je echter een veel breder spectrum aan actoren.
Enerzijds storten steeds meer landen en private ondernemingen zich op ruimte-initiatieven. De technologische vooruitgang heeft de kosten van lanceringen drastisch verlaagd en commerciële ruimtevaart mogelijk gemaakt voor nieuwe spelers. Zo hebben techondernemers als Elon Musk (SpaceX) en Jeff Bezos (Blue Origin) een stroomversnelling teweeggebracht in de commercialisering van de ruimte. Dat blijkt vooral uit grote satellietnetwerken zoals Starlink, dat satellieten inzet om wereldwijd internet aan te bieden. Starlink alleen al vertegenwoordigt anno 2025 bijna twee derde van alle actieve satellieten rond de aarde. Tegelijk zijn ook ambitieuze projecten voor ruimtetoerisme en voor mijnbouw op de maan en asteroïden in opkomst.
Anderzijds vormt de ruimte ook het toneel voor geopolitieke rivaliteit en militaire belangen. Antisatellietwapens en ruimtestalkers, satellieten die andere satellieten kunnen volgen en uitschakelen, testen voortdurend de betekenis en grenzen van het beginsel van het vreedzame gebruik van de ruimte.
Inmiddels brengt de ongecontroleerde toename van satellieten ook een groei van ruimtepuin met zich mee. Dit omvat alle door de mens gemaakte objecten in de ruimte die niet meer functioneren en binnen afzienbare tijd geen nuttige functie meer kunnen uitoefenen. Dat puin vormt een groot gevaar voor ruimteactiviteiten, maar kan ook schade aanrichten wanneer het op aarde terugvalt. Volgens de meest recente analyses van het Europees Ruimteagentschap bevonden in september 2025 meer dan een miljoen objecten van uiteenlopende grootte zich in een baan rond de aarde. Een deel van dat puin is het gevolg van ronduit onverantwoorde handelingen door staten. Zo vernietigden China, de Verenigde Staten, India en Rusland tussen 2007 en 2021 elk een eigen satelliet door een direct-ascent-antisatelliettest. Daarbij werden telkens grote hoeveelheden ruimtepuin gecreëerd, wat onder meer het Internationale Ruimtestation meerdere keren heeft gedwongen zijn baan aan te passen om een impact van brokstukken van ASAT-testen te vermijden.
Het huidige internationale ruimterechtskader schiet tekort om deze ontwikkelingen te kanaliseren. Zoals reeds vermeld, is het internationaal ruimterecht ontstaan in de jaren 1960, midden in de Koude Oorlog. Het was vanaf het begin gericht op internationale samenwerking tussen staten. Maar vandaag de dag gebruiken de belangrijkste spelers de in de ruimteverdragen neergelegde vrijheid om de ruimte te verkennen steeds openlijker vanuit strategisch en economisch eigenbelang. Daarbij houden ze nauwelijks rekening met de verplichting om de impact van hun activiteiten op andere statelijke gebruikers van de ruimte in aanmerking te nemen, wat nochtans verplicht is (artikel I Ruimteverdrag). Hoe doen die spelers dat? Staten nemen nationale wetten aan en sluiten informele akkoorden. En de private actoren maken gebruik van de lacunes om hun eigen belangen te bevorderen.
De afgelopen jaren is de verhouding tussen publieke en private activiteiten in de ruimte sterk veranderd. Tegen het einde van de twintigste eeuw nam het gebruik van satellieten voor commerciële doeleinden al een hoge vlucht, en sinds 2000 is de private interesse in de ruimtevaart explosief toegenomen. Nieuwe markten hebben zich geopend dankzij exponentiële technologische ontwikkelingen: denk aan megaconstellaties voor globale connectiviteit (bijvoorbeeld Starlink en IRIS2 van de EU), ruimtetoerisme, potentiële mijnbouw op asteroïden en plannen voor permanente bases op de maan of Mars. Techmiljardairs richtten eigen ruimtevaartbedrijven op en bieden inmiddels commerciële diensten aan. Dit alles roept de vraag op of het internationaalrechtelijke kader dat in de jaren zestig en zeventig werd ontwikkeld nog wel passend is voor deze recente evoluties. Zo leidt de groeiende rol van private actoren tot lastige kwesties omtrent verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid. Daar ga ik nu even niet nader op in.
Hoe ver mag private toe‑eigening gaan?
Een andere belangrijke ontwikkeling is dat verschillende landen nationale wetgeving hebben aangenomen inzake private ruimteactiviteiten. Die wetgeving dient enerzijds om de vereiste toestemming en het toezicht een plaats te geven binnen hun eigen rechtsstelsels. Anderzijds maakt zij ook de weg vrij voor commerciële toe‑eigening van natuurlijke grondstoffen in de ruimte door hun bedrijven. De Verenigde Staten, Luxemburg, Japan en de Verenigde Arabische Emiraten hebben allen wetten ingevoerd die private personen en bedrijven het recht geven om grondstoffen uit de ruimte te delven en in eigendom te nemen, bijvoorbeeld van asteroïden of de maan. Hoewel deze nationale wetten steevast stellen dat dergelijke activiteiten door hun onderdanen moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met het internationaal recht, dragen zij bij aan juridische fragmentatie doordat zij een lappendeken van verschillende regimes creëren.
Die nationale wetten roepen tevens de vraag op of onbeperkte private toe-eigening wel wenselijk of rechtmatig is. Zoals ik al schreef, moeten volgens het Ruimteverdrag het onderzoek en gebruik van de ruimte immers plaatsvinden ‘in het belang van alle landen’, met vrije toegang tot de ruimte en hemellichamen voor alle staten zonder discriminatie. Het verdrag bepaalt ook dat de ruimte ‘niet vatbaar is voor nationale toe-eigening’.
In dit verband zijn de Artemis-akkoorden van 2020 van belang. Deze akkoorden betreffen een reeks door de Verenigde Staten geïnitieerde politieke overeenkomsten, oorspronkelijk opgezet door NASA samen met een aantal partnerlanden. Inmiddels zijn de akkoorden door meer dan vijftig landen ondertekend, waaronder België en Nederland. Hoewel het uitdrukkelijk niet om juridisch bindende verdragen gaat, is het wel mogelijk dat de Artemis-akkoorden een katalysator vormen voor verdere juridische ontwikkelingen. Ze beogen immers beginselen en beste praktijken vast te leggen voor onder meer maan- en Mars-missies in het kader van het Artemis-programma. Een opvallend aspect is hoe de akkoorden omgaan met het vraagstuk van ruimtegrondstoffen. In Sectie 10 erkennen de ondertekenaars dat het delven en gebruiken van grondstoffen op de maan, Mars, kometen of asteroïden niet inherent neerkomt op nationale toe-eigening van het hemellichaam. Dit impliceert dat dergelijke activiteiten toegestaan zouden zijn onder het Ruimteverdrag. Deze stellingname vloeit voort uit de positie van de Verenigde Staten, die de ruimte en haar grondstoffen niet als het gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid beschouwen en zowel publieke als private exploitatie ervan aanmoedigen. Recente plannen van de Verenigde Staten en anderen om kernreactoren te installeren op de maan hebben dit debat over feitelijke toe-eigening van strategisch belangrijke locaties in de ruimte opnieuw onder de aandacht gebracht. De Verenigde Staten, Rusland en China willen via deze kernreactoren constante energie kunnen leveren voor toekomstige permanente maanbases en bemande missies, aangezien zonne-energie onvoldoende is tijdens de lange maannachten.
Dit staat in sterk contrast met het Maanverdrag, dat bepaalt dat de maan en haar natuurlijke rijkdommen het ‘gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid’ zijn. Het Maanverdrag stelt expliciet dat natuurlijke rijkdommen op hemellichamen niet vatbaar zijn voor nationale toe-eigening, en dat er een internationaal regime moet worden opgezet om de voordelen uit hun exploitatie rechtvaardig te verdelen. Dergelijke bepalingen ontbreken in de Artemis-akkoorden, die daarmee in feite de belangen vooropstellen van landen met huidige ruimtecapaciteiten.
Ondertussen zitten ondernemingen niet stil. Private entiteiten verschaffen particulieren al de mogelijkheid om de ruimte te bezoeken en bereiden zich in hoog tempo voor op commerciële exploitatiemissies, vooruitlopend op bindende internationale regelgeving die nog in de maak is, en gesterkt door nationale wetgeving van staten zoals de Verenigde Staten en Luxemburg. Bedrijven zoals het Japanse iSpace en de Britse Asteroid Mining Corporation kondigen ambitieuze plannen aan voor commerciële mijnbouwmissies naar de maan en asteroïden. Zo tekenden beide bedrijven in 2024 een overeenkomst om samen een robotdemonstratie op de maan uit te voeren als opstap naar asteroïdenmijnbouw.
Hierdoor ontstaat de paradoxale situatie dat de facto ruimte-exploitatie al begint, gedreven door nationale wetgeving en private initiatieven, terwijl de jure de internationale regels hiervoor nog in ontwikkeling zijn. Hoewel het internationaal ruimterecht historisch gezien in het teken stond van samenwerking en gelijkheid tussen staten, opereren staten en commerciële actoren steeds meer vanuit strategisch, economisch en politiek eigenbelang, waardoor het juridische kader steeds minder grip heeft op deze ontwikkelingen.
De EU probeert met een ruimteverordening een eerste stap te zetten richting harmonisatie
In juni 2025 stelde de Europese Commissie een ontwerp voor van een Europese ruimteverordening, de zogeheten EU Space Act. Deze verordening beoogt een uniform juridisch kader te scheppen voor ruimteactiviteiten in de EU, met het oog op veiligheid, veerkracht en duurzaamheid van de ruimte-infrastructuur.
Het centrale doel is het tegengaan van de huidige juridische fragmentatie in het Europese ruimterecht. Momenteel beschikken dertien EU-lidstaten over nationale ruimtewetten, terwijl anderen vergelijkbare wetgeving voorbereiden, zonder onderlinge afstemming.
Een tweede belangrijk thema is de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van private actoren bij ruimteactiviteiten. Het ruimteverdrag stelt dat staten internationaal verantwoordelijk zijn voor alle nationale ruimteactiviteiten, ongeacht of die door overheidsinstellingen of private entiteiten worden uitgevoerd. De ruimteverordening beoogt de rol en plichten van private ruimte-exploitanten duidelijker te omlijnen en EU-breed te verankeren.
Een derde uitdaging betreft de explosieve groei van ruimtepuin. Omdat hierover alsnog geen bindende internationale regels bestaan, wil de EU met de ruimteverordening de ontwikkeling van mondiaal bindende regels bevorderen door verplichte puinreductiemaatregelen en verkeersregels in de ruimte op te leggen. Concreet schrijft ze voor dat ruimte-exploitanten en lanceerbedrijven actief ruimtepuin moeten voorkomen en verminderen. Alle lanceeroperatoren binnen de Europese Unie dienen daartoe een formeel plan voor beperking van ruimtepuin op te stellen en in te dienen, waarin zij aantonen hoe zij puinvorming tijdens lancering, operatie en einde levensduur zullen minimaliseren.
Toen António Guterres in maart 2025 het eredoctoraat van de KU Leuven namens de Verenigde Naties in ontvangst kwam nemen, stelde hij dat de situatie in de ruimte beknopt kan worden omschreven als een ‘totale chaos [die] zich met exponentiële snelheid vermenigvuldigt’. Op het internationale niveau lijkt er inderdaad sprake te zijn van sterke fragmentatie. De VN-ruimteverdragen uit de Koude Oorlog vormen nog altijd de basis van het internationaalrechtelijke kader, maar sluiten steeds minder aan bij de realiteit. Technologische vooruitgang, de opkomst van commerciële ruimtevaart en de groeiende strategische inzet van ruimtecapaciteit transformeren de ruimte razendsnel in een compleet nieuw domein.
Geconfronteerd met deze werkelijkheid probeert de Europese Unie met het recente voorstel voor een ruimteverordening een eerste stap te zetten in de richting van regionale – en langs die weg misschien uiteindelijk mondiale – harmonisatie. Het is bijzonder belangrijk dat die Europese ruimteverordening er daadwerkelijk komt: dergelijke inspanningen zijn noodzakelijk opdat de toekomst van de ruimte niet alleen economisch rendabel zou zijn, maar opdat de ruimte ook juridisch verantwoord, duurzaam en collectief zou worden beheerd. Op deze manier kan het onderzoek en gebruik van de ruimte – in lijn met artikel I van het Ruimteverdrag – daadwerkelijk ten goede komen aan alle landen, ongeacht hun mate van economische of wetenschappelijke ontwikkeling.
Dit essay is gebaseerd op een lezing die werd gegeven tijdens het Karakterfeest over de uitdagingen van de hedendaagse ruimtevaart voor wetenschap, samenleving en beleid (Leuven, 13 november 2025). De tekst bouwt voort op eerder onderzoek van O. Feen, P. De Man en J. Wouters, gepubliceerd in Rechtskundig Weekblad (2025-26, 523-535).
Jan Wouters is gewoon hoogleraar internationaal recht en internationale organisaties aan KU Leuven.
Dit artikel verscheen in Karakter nr. 94 · Creative Commons BY-NC-ND