Deel dit artikel

sedert de verlichting, toen de eerste publieke musea de deuren openden, vervullen musea verschillende functies: ze tonen een zorgvuldig samengestelde verzameling, delen kennis en geven de bezoeker de kans schoonheid te ervaren. tegelijk bieden ze een kader voor de eigen plaats in de geschiedenis. vanuit een bepaalde positie in tijd en ruimte wordt een blik geworpen op wat eigen dan wel anders is. dat kan ertoe leiden dat een museum als middel voor nation building dient, niet zelden inclusief verheerlijking van de eigen traditie en het exotisch vertekenen van ‘de ander’. het betekent echter ook steeds vaker dat globalisering een centrale rol krijgt, of dat het historische concept van het museum zelf kritisch bevraagd wordt.

Het museum voorbij het Westen

Volkmar Mühleis

De uitdaging waar de globalisering musea voor stelt is enorm. Je krijgt regelmatig bezoekers van over de hele wereld over de vloer. Hoe ga je daarmee om? Sinds de stichting van de eerste openbare musea tijdens de Verlichting, in Londen en Parijs, dient een museum voor de opbouw van een verzameling en het publiekelijk tonen ervan, om kennis te delen en – in het geval van de kunsten – om schoonheid te ervaren. Musea stonden ook in dienst van verlichting: iedereen mocht zichzelf een beeld vormen van wat er getoond werd, geschiedkundig, artistiek. Musea waren geen kerken of kastelen, de voorwerpen en beelden verheerlijkten niet alleen het interieur waar ze te zien waren, ze konden worden bevraagd, vergeleken, kritisch bekeken. Durf te denken, de leuze van de Verlichting, heette evenzo: durf te verbeelden. Een zeer complexe, nieuwe constellatie was ontstaan: het politieke kader van het museum was de democratie, in tegenstelling tot de heerschappij van de aristocratie, het ancien régime. Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid, deze waarden moesten via dit nieuwe medium worden bevorderd. Tegelijkertijd is het museum een kader voor de eigen blik op de geschiedenis, en daarmee gepaard ook een standpuntbepaling van het eigen perspectief op de wereld. Het museum moest dus recht doen aan de vrijheid van het individu, een individu onder gelijken, solidair met elkaar om deze verworvenheid te bewaken, en het deed dit door vanuit deze positie tijd en ruimte te verkennen, de blik op anderen te werpen.

Maar er kwam ook een smet op het blazoen van de Verlichting, en dit had repercussies voor de opvattingen van musea. Wat wij vandaag globalisering noemen, kent zijn voorlopers in vroegere globale ondernemingen. De Spanjaarden brachten goud in omloop van Zuid-Amerika tot en met Azië, sinds de 16de eeuw. Het kolonialisme wierp al een donkere schaduw op de latere Verlichting, en met de stichting van nationale staten deed in de 19de eeuw ook het imperialisme zijn intrede, het trekken van lijnrechte grenzen dwars doorheen Afrika en het Midden-Oosten. De idealen van de Verlichting – het vrije individu zich universeel te laten ontplooien – waren één bron van inspiratie voor wat een museum kon zijn; een andere bron was nation building voor de nieuwe staten. De idealisering van het individu ging tijdens het opkomende nationalisme gepaard met de verheerlijking van de eigen natie en eigen traditie, en daarbij hielp ook het exotisch vertekenen van anderen. De universele vrijheid van denken en verbeelden werd gemunt op Europa als plek van waaruit geschiedenis voortaan werd verzameld, getoond en beschreven.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 74. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen