Deel dit artikel

in 2022 rondde karakter. tijdschrift van wetenschap de kaap van de twintig jaargangen: twintig jaar essayistiek over de verwezenlijkingen, perspectiefverschuivingen, vergissingen en verrukkingen in alle mogelijke domeinen van wetenschap. die verjaardag werd gevierd tijdens het eerste karakterfeest, op 6 december in de leuvense schouwburg, waarop alle abonnees uitgenodigd werden. de wereldvermaarde nederlandse primatoloog frans de waal had het over de rol van biologie in het genderdebat, naar aanleiding van zijn recentste boek ‘anders: gender door de ogen van een primatoloog’. veerle draulans, professor genderstudies, en rudi d’hooge, professor biologische psychologie, gingen met hem in debat en doen dat nu ook schriftelijk voor karakter. eerst geven ze een korte samenvatting van het boek; daarna delen ze hun bedenkingen.

Frans de Waal en de rol van biologie in het genderdebat

Veerle Draulans en Rudi D’hooge

Frans de Waal schreef het boek Anders, over wat hij zelf een controversieel onderwerp noemt, toen hij door covid anderhalf jaar aan huis gekluisterd zat. Dat mensen na covid blij waren elkaar weer fysiek te kunnen zien, aanraken of ruiken, verbaast de primatoloog niet. De afstandelijkheid van online ontmoetingen druist volgens hem in tegen wat hij de ‘primatenkant’ van het menselijke bestaan noemt. Hij weet dat deze uitdrukking in sommige landen gevoelig ligt. Meestal valt het met zijn controversiële beweringen wel mee; De Waal wil vooral interessante verhalen vertellen over apengedrag. Scherpe discussies gaat hij uit de weg, waardoor het punt dat hij wil maken niet altijd duidelijk wordt.

Het boek beschrijft vooral hoe mensapen leven en handelen, met hier en daar wat over mensen. Hij benadrukt dat mensen ook tot de primatengroep behoren, met amper 5 % genetisch verschil ten aanzien van bonobo’s en chimpansees. De Engelse taal maakt een helder onderscheid tussen monkeys (apen), die meestal staarten hebben (slingerapen, makaken, bavianen) en apes (mensapen), zonder staart (chimpansees, bonobo’s, gorilla’s). Wellicht moeten we, op zoölogische grond, mensen ook bij deze laatste groep indelen. De Waal waarschuwt wel tegen al te gemakkelijke bruggetjes vanuit observaties bij apen naar mensen.

Net als De Waals eerdere werken heeft ook dit boek een toegankelijke taal en aangename stijl. Hij is geen pleitbezorger van genderneutraliteit als oplossing voor ongelijkheid. Geslachts- en genderverschillen lijkt hij als een biologisch gegeven te zien, al illustreert hij eveneens dat primatengroepen ook veel van elkaar leren. Verschillende recensenten merkten al op dat zijn punt niet altijd duidelijk is en suggereerden dat hij voorbeelden van primatengedrag sprokkelt zoals het hem uitkomt. Het boek maakt geen strak onderscheid tussen biologisch geslacht en cultureel bepaald gender. Geslacht of sekse verwijst naar biologie en is (meestal) binair, terwijl gender een complexer, dynamisch sociaal construct is met een veel breder spectrum. De Waal gebruikt ‘gender’ ook bij mensapen omdat ook hun geslachtsrollen niet altijd zo eenduidig zijn, zoals bij de chimpansee Donna, die hij een aseksueel, niet-genderconform individu noemt. In de VS gebruikt men ‘gender’ ook wanneer biologische sekse bedoeld wordt, wat het debat volgens De Waal extra verwarrend maakt. Net als mensen blijven chimpansees bijna tien jaar bij hun moeder: onbetrouwbare voedselvoorziening in het bos maakt hen afhankelijk van moedermelk. Bovendien leren jonge apen dus ook van elkaar, bijvoorbeeld over voedselkeuze of werktuiggebruik. Die zelfsocialisatie gebeurt over de grenzen van een strikt binair systeem heen. Mensapen zouden erg tolerant zijn voor variatie in gender en seksuele oriëntatie. De Waal noemt bonobo’s zelfs biseksueel.

Mannelijke bonobo’s maken het wat minder gezellig, maar het gaat er nooit zo gewelddadig aan toe als bij chimpansees

De Waal benadrukt graag het onderscheid tussen bonobo’s en chimpansees. Seks gebeurt bij bonobo’s in alle mogelijke combinaties (man-man, vrouw-man, vrouw-vrouw, volwassene-kind) en heeft een verzoenende rol. Bonobogemeenschappen worden meestal gedomineerd door (een consortium van) vrouwen, zonder territoriumstrijd. Er zijn voorbeelden van groepen wilde bonobo’s die samenkomen, voedsel delen, elkaar vlooien, soms zelfs het dragen van kinderen delen. Mannelijke bonobo’s maken het wat minder gezellig, maar het gaat er nooit zo gewelddadig aan toe als bij chimpansees. Mensen zijn genetisch verwant aan beide soorten, maar lange tijd werd het verhaal van de menselijke evolutie verteld met de chimpansee in gedachten. Chimpanseemannen maken zich groot, willen strijden, maken coalities en spelen een politiek spel waarin fysieke kracht en territorialiteit een belangrijke rol spelen.

Vrouwelijke primaten zouden een aangeboren neiging tot zorggedrag vertonen. De Waal vermijdt het woord ‘moederinstinct’ omdat veel moeders niet weten hoe ze een jong moeten grootbrengen als ze dat niet expliciet hebben gezien of geleerd. Adolescente vrouwen bereiden zich voor op de taak van jongen grootbrengen in een uitdagende omgeving en moederapen schakelen jonge vrouwtjes mee in als ‘babysitters’. Bij bonobo’s is vrouwelijk leiderschap is de regel, maar De Waal beweert dat het bij meer primaten voorkomt. Voor vrouwelijke leiders is een hogere leeftijd een extra pluspunt, wat niet geldt voor de mannen. Er is dus een onderscheid tussen fysieke dominantie en politieke macht. Competitie bij bonobo’s gaat meestal om posities binnen eenzelfde geslachtsgroep.

Mannelijke apen zijn amper geïnteresseerd in baby’s, en jonge mannen vullen hun dagen met namaakgevechten

Mannelijke apen zijn dan weer nauwelijks geïnteresseerd in baby’s, en jonge mannen vullen hun dagen met namaakgevechten. Ook mensenjongens (De Waal groeide op met vijf broers) worstelen met elkaar, en die fysieke uitdaging heeft een functie: leren winnen of verliezen, hun fysieke kracht leren beheersen. Een volwassen gorillaman speelt met jongen zonder ze te kwetsen, net omdat hij die zelfbeheersing geleerd heeft. Dat is geen ‘natuurlijke aanleg’. In de VS hanteren een aantal scholen een no touch policy: kinderen mogen elkaar niet aanraken. De Waal noemt dit een gevaarlijke ontwikkeling, want welke risico’s creëer je als mensen de gevolgen van hun eigen fysieke kracht niet (leren) kennen?

In de VS protesteren sommigen tegen paternity leave, omdat het onnatuurlijk zou zijn dat mannen voor de kinderen zorgen. Onnatuurlijk is het zeker niet, zegt De Waal, want primatenmannen nemen vaak deel aan het grootbrengen van de jongen. Vaak kunnen ze het wel, maar doen ze het niet zolang er voldoende vrouwen in de buurt zijn. Ze beperken hun rol dan tot het beschermen van een moeder en haar jong (niet omdat het hun jong zou zijn, want dat weten ze nooit). Onderzoekers observeerden een keer hoe, na de dood van de moeder, een chimpanseeman een weesje adopteerde, verzorgde en alles leerde om te overleven. Met andere woorden: hij had zorggedrag geobserveerd en wist duidelijk wat te doen in die situatie. Niet bepaald wat mensen ‘alfamannengedrag’ noemen. Volgens De Waal betekent ‘alfaman’ of ‘alfavrouw’ enkel de hoogstgeplaatste man of vrouw, los van gedrag. Tot zijn frustratie hebben deze termen een connotatie van agressie gekregen, geïnspireerd door studies bij bavianen in gevangenschap, waar te veel alfamannen op eenzelfde, beperkte ruimte samenleefden, met heuse slachtpartijen tot gevolg. In de natuur spelen drie op vier alfamannen een verzoenende, conflictbeheersende en beschermende rol in de gemeenschap (een op vier is tiranniek, stelt De Waal).

Frans de Waal, Anders: Gender door de ogen van een primatoloog. (Amsterdam: Atlas Contact, 2022).

Reactie van professor Veerle Draulans

Mijn eerste bedenking betreft de titel van het boek. Toen ik het voor de eerste keer zag dacht ik onwillekeurig aan de Duitse vertaling (1951) van de Beauvoirs magnum opus, Le deuxieme sèxe (1949). Die Duitse titel, Das Andere Geschlecht, illustreert de impact van taal. Er is een nuanceverschil tussen ‘deuxième’ en ‘anders’: de tweede sekse behoort nog tot dezelfde soort, maar is tweede(rangs), minderwaardig. Voor wie als anders bestempeld wordt, is de andere dan het referentiepunt.

Waarom drong die associatie met de Duitse titel van de Beauvoir zich zo expliciet op? De inhoud van het boek biedt nochtans veel ruimte aan diversiteit. De titel laat tekstueel in het midden wie of wat het referentiepunt is van ‘Anders’. Het gedrag van bonobo’s bijvoorbeeld verschilt van chimpanseegedrag: bonobo’s zijn dus anders. Mogelijk duidt ‘anders’ op het onderscheid tussen menselijke en andere primaten: nogal wat mensen hebben moeite met gendervariatie en variatie in seksuele oriëntatie, mensapen niet. De tolerantiegraad hierover van mensen en mensapen is duidelijk ‘anders’.

Wie verwacht een boek te lezen dat man-vrouwonderschikking legitimeert op basis van observaties van mensapen, komt bedrogen uit. De Waal hekelt ideologie of dogmatisch denken en illustreert dat voorgangers-wetenschappers op dit punt soms behoorlijk uit de bocht gingen.

En toch bleef ik me afvragen waarom de titel van het boek de associatie met Das Andere Geschlecht oproept, terwijl de boekinhoud er geen aanleiding toe geeft. Mogelijk heeft het te maken met het visuele effect van de kaft. In eenzelfde ogen-blik verbind je het in grote letters weergegeven woord ‘Anders’ met het fraaie schilderij ‘Le Rêve’ van Henri Rousseau. Daarop reikt een naakte, witte vrouw in een exotische omgeving haar hand aan een schier onzichtbare en goed verborgen zwarte figuur. Een mysterieus-suggestief droombeeld.

De vrouw op de kaft wekt de verwachting dat het boek ook zal handelen over genderdimensies van de mensensamenleving. Maar de Waal blijft als primatoloog bij zijn leest en maakt relatief weinig bruggetjes van het mensapenonderzoek naar de mensensamenleving. De kaft is zonder meer een geval van degelijk doordachte en geslaagde marketing.

De Waal blijft als primatoloog bij zijn leest en maakt weinig bruggetjes naar de mens

Als tweede bedenking wil ik, vertrekkend van de Beauvoir, even stil staan bij de vraag waarom vrouwenstudies- en genderstudiesonderzoekers argwaan koesteren ten aanzien van biologie. De Waal brengt de Beauvoir kort ter sprake, onder andere in het slothoofdstuk. Daarin verwijst hij naar de erg negatieve wijze waarop zij over het vrouwenlichaam schrijft. Ik denk inderdaad dat heel wat vrouwen zich hier vandaag bij het lezen van Le deuxième sexe over zouden verwonderen. Menstruatie en zwangerschappen betekenen voor de Beauvoir en anderen vooral lijden. Maar laten we de context niet vergeten: geneeskunde stond anno 1949 veel minder ver dan vandaag, moederschap werd verheerlijkt ondanks het lichamelijke lijden dat er soms mee gepaard ging, het gezin was de hoeksteen van de samenleving, weinig vrouwen genoten langdurig onderwijs of kregen ruimte voor zelfontplooiing.

En toen kwam de pil. Een van de vrouwen die sterk geijverd heeft voor de ontwikkeling van vruchtbaarheidsbeheersing via medicatie was de Noord-Amerikaanse Margaret Sanger, dochter van Ierse immigranten, wiens moeder overleed na achttien zwangerschappen, waarvan elf kinderen in leven bleven. Het verzet van vrouwen tegen anatomy as destiny heeft alles met dergelijke ervaringen te maken. Mede dankzij het baanbrekende maar vaak vergeten werk van de Turnhoutse gynaecoloog Ferdinand Peeters was anatomy vanaf 1960 langzaamaan no longer destiny.

De argwaan over de verheerlijking van het moederschap als hoogste bestemming van vrouwenlevens bleef. De stap van de biologische mogelijkheid zwanger te worden naar essentialisme is klein. Net om die reden gingen vrouwenstudies- en genderstudiesonderzoekers, net zoals activisten, lange tijd in een grote boog om biologie heen. Een essentialistische visie op vrouwzijn maakt het ook makkelijk om soms na lange, moeizame strijd verworven vrijheden en rechten terug te schroeven. Orbán, Bolsonaro, Trump en Poetin verheerlijken een specifieke invulling van masculiniteit. Jammer dat het boek geen aanknopingspunten biedt om te verklaren waarom dergelijke vertogen in bepaalde kringen aan populariteit winnen.

De stap van de biologische mogelijkheid zwanger te worden naar essentialisme is klein

Mijn derde bedenking gaat over de vraag of ‘gender’ in de titel van een publicatie een winst- dan wel verliespost is. Onderzoekers uit geestes- en sociale wetenschappen die zich willen verzekeren van een breed publiek van geïnteresseerden vermijden dat woord beter in de titel van hun congrespresentaties. Staat het erin, dan riskeren ze weggeparkeerd te worden in een aparte sessie ‘genderstudies’, waarin vooral gelijkgestemden (meestal vrouwen) elkaar ontmoeten. Een bioloog die beslist ‘gender’ expliciet in de titel te plaatsen is echter innovatief en schrijft een ander verhaal… Publiek verzekerd…

Maar wat betekent ‘gender’ eigenlijk? Nog steeds gebruiken mensen ‘gender’ als synoniem voor ‘vrouwen’. Genderstudies-in-het-meervoud verwijzen al lange tijd naar een op hol geslagen gebruik van ‘gender’, met veel betekenissen. Hierdoor is het concept haar oorspronkelijke slagkracht verloren, schrijven onder andere de historicae Barbara Duden en Joan Wallach Scott.

Persoonlijk houd ik van de genderdefinitie die Joan Wallach Scott publiceerde in 1986: ‘Gender is (1) a constitutive element of social relationships based on perceived differences between sexes, and (2) a primary way of signifying relationships of power.’ Het tweede aspect van deze definitie, met aandacht voor machtsverhoudingen, wordt vaak vergeten. Nochtans is dit cruciaal in genderanalyses. De bedoeling is immers helemaal niet verschillen uit te vlakken, maar wel verschillen zichtbaar te maken en te analyseren. En die analyse zal helpen om machtsverschillen te benoemen en bij te dragen aan meer rechtvaardigheid.

Het benoemen van machtsrelaties brengt me bij mijn vierde bedenking. De stap van machtsrelaties naar geweld, agressie en oorlog is in de mensenwereld niet groot. Eén boekhoofdstuk handelt over ‘geweld: verkrachting, moord en oorlog’. Agressie en vechtpartijen onder primaten komen uitgebreid aan bod en daarbij spelen kracht en anatomie een belangrijke rol. Maar over verkrachting is De Waal stellig; het komt niet voor bij primaten. Enkel orang-oetans oefenen soms seksuele dwang uit, maar zonder verwondingen te veroorzaken. De Waal merkt op dat verkrachting ‘des mensen’ is. De expliciete vraag waarom geweld en verkrachting zo vaak voorkomen onder mensen (en bewust worden ingezet als oorlogswapen) laat hij echter onbeantwoord.

Wetenschappers worden niet plots lichaams- en emotieloze wezens zodra ze aan hun onderzoek werken

Ten slotte wil ik, als vijfde en laatste bedenking, reflecteren over de zogenaamde objectiviteit van positieve wetenschappen. Biologie hoort voor velen in het rijtje van ‘positieve’ wetenschappen, die een aureool van onbetwistbare objectiviteit toegemeten krijgen, wetenschappen als disembodied discipline. En toch doen alle onderzoekers embodied aan onderzoek. Ze worden niet plots lichaamsloze en emotieloze wezens zodra ze aan hun wetenschappelijke onderzoek werken. De Waal schrijft over zichzelf als iemand ‘die wordt gedreven door emoties en intuïtie’ (p. 79). Waarom blijft de overtuiging dat ‘positieve’ exacte wetenschappen een hogere graad van objectiviteit hebben hardnekkig overeind? Waarom worden ze door velen hoger gewaardeerd dan geestes- en sociale wetenschappen, waarin ‘begrijpen’, ‘verstehen’, zo’n belangrijke rol speelt (en tot minder objectiviteit zou leiden?

Londa Schiebinger illustreerde in haar boek Has Feminism Changed Science? (1999) hoezeer ideologische aannames de interpretatiekaders van onderzoekers beïnvloedden. Zij ontwikkelde later, samen met een schare internationale collega’s, een website die de gender- en diversiteitssensitiviteit in elke stap van wetenschappelijk onderzoek wil faciliteren. Ik kan iedereen de website https://genderedinnovations.stanford.edu van harte aanbevelen. Ook De Waal illustreert hoe collegae-onderzoekers, ook in het (recente) verleden, resultaten duidden vanuit hun patriarchale, maatschappelijke denkkaders.

Kortom, ik heb het boek met plezier gelezen en liet me soms verrassen door biografische informatie: De Waal was in zijn studententijd een jaar lang lid van een feministische organisatie, MVM, en is al jaren gehuwd met een Franse feministe. Hij is absoluut overtuigd van het belang van maatschappelijke gelijkheid. En blijft bovenal primatoloog, zoals de titel aangeeft.

Veerle Draulans is verbonden aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (Ceso) van de KU Leuven en doceert tevens in de interuniversitaire master Gender en Diversiteit. Haar onderzoek focust op ‘Gender en stem’ en ‘Gender en Zorg’.

Reactie van professor Rudi D’Hooge

Het genderdebat heeft iets van de Processie van Echternach, waarbij de deelnemers volgens de legende drie stappen vooruit namen en twee achteruit. Velen raakten hiervan zo in de war dat ze uiteindelijk helemaal niet vooruitkwamen. Primatoloog Frans de Waal meent dat we het genderdebat zouden vooruithelpen door er biologen bij te betrekken. Volgens hem worden de verschillen tussen mannen en vrouwen immers zo bepaald door onze biologie dat biologen een belangrijke plaats zouden moeten krijgen in de discussie over hoe we hiermee maatschappelijk zouden moeten omgaan. Biologieprofessor Tamra Mendelson (University of Maryland) is alvast in de war over wat De Waal precies verstaat onder biologie en vermoedt dat hij vooral genetica bedoelt, maar dan definieert De Waal ‘gender’ toch weer als de cultureel omschreven rol van elk geslacht in onze maatschappij (dus niet de genetisch bepaalde rol). Of zijn boek door dergelijke tegenstrijdigheden werkelijk zal bijdragen aan het genderdebat valt af te wachten, maar zijn anekdotes over het gedrag van apen blijven een bron van eindeloze fascinatie.

Ik betwijfel of we het genderdebat überhaupt kunnen toevertrouwen aan biologische deskundigen. Ik verwijs dan nog niet zozeer naar de schrijnende historische voorbeelden van vooraanstaande biologen, die sociaal vooroordeel, racisme of seksisme onverbloemd steunden. Ik bedoel dat biologen ook maar mensen zijn met hun verborgen vooroordelen en subjectieve bias. Velen van hen menen nog steeds dat vrouwen en mannen onvermijdelijk en fundamenteel anders zijn. Onze evolutionaire voorgeschiedenis of, zoals bij De Waal, onze verwantschap met andere primaten heeft ons daartoe voorbestemd. De genetische basis van dit ‘anderszijn’ is een soort van keurslijf, dat we moeten aanvaarden om wetenschappelijk correct te zijn.

Biologen zijn ook maar mensen, met hun verborgen vooroordelen en subjectieve bias

Charles Darwin (1809-1882) was al overtuigd van de intellectuele en artistieke superioriteit van mannen, in lijn met het seksisme van Victoriaans Engeland. Hij schreef herhaaldelijk in brieven dat hij erg veel hield van zijn vrouw, maar dat vrouwen gewoon inferieur zijn omdat ze dat altijd al zijn geweest. Briljant bioloog en bekroond auteur Edward O. Wilson (1929-2021) bekrachtigde dit standpunt toen hij in 1975 concludeerde dat, bij jager-verzamelaars, vrouwen steeds thuisblijven en mannen op jacht gaan. Een rolverdeling, meent Wilson, die we nog steeds terugvinden in de meeste hedendaagse samenlevingen. Alleen al om die reden lijkt deze rolverdeling volgens Wilson een genetische basis te hebben. Enkele regels verder voorspelt hij zelfs dat, met identieke educatie voor beide geslachten en gelijke toegang tot het professionele veld, mannen altijd wel een grotere rol zullen blijven spelen in het politieke leven, de zakenwereld en de wetenschap.

Wilson meende bovendien dat homoseksualiteit een evolutionair nut moest hebben, want anders zou het gen voor homoseksualiteit al lang weg zijn geselecteerd. Het geloof in een dergelijk gen heeft trouwens verrassend lang standgehouden. De Amerikaanse geneticus Dean Hamer, zelf homoseksueel, was een van de meest uitgesproken gelovers. Hamer en zijn volgelingen meenden dat het bewijs van een gedetermineerde genetische basis belangrijk is om homoseksualiteit maatschappelijk aanvaardbaar te maken. Homo’s zou dan immers geen schuld treffen: hun genen hadden hen gedwongen te zijn zoals ze zijn. Helaas voor deze redenering werd er uiteindelijk geen homo-gen gevonden, evenmin voor de voorkeur voor Coca-Cola of de voorkeur om met auto’s te spelen en niet met poppetjes. Desondanks blijven biologen er, in navolging van Wilson en andere coryfeeën, wel van overtuigd dat verschillen tussen mensen grotendeels worden verklaard door genetica, hormonen en andere aspecten van onze biologie.

Wilson schreef het bovenstaande bijna 50 jaar geleden. Ik vermoed dat de erudiete Wilson er op het einde van zijn leven niet meer exact zo over dacht, hoewel zijn intellectuele erfenis met betrekking tot genetisch determinisme wel erg complex blijft. De tijden waren ondertussen erg veranderd. Veel van Wilsons collega’s zijn nu vrouwen of personen die zich niet identificeren volgens een binaire geslachtsverdeling. Tussen 1900 en 1975 werden er slechts 15 Nobelprijzen toegekend aan vrouwen, van 1975 tot nu zijn dat er ruim drie keer meer. Toch blijven we ons afvragen waarom vrouwen en mannen er toch zo verschillend uitzien en zich zo anders gedragen. Volgens auteurs zoals Frans de Waal moeten we verschillen tussen mannen en vrouwen aanvaarden, omdat ze  bepaald worden door onze biologie. De Waal gaf zijn boek bovendien de titel Anders, omdat hij meent dat mannen en vrouwen zijn zoals mannetjes en vrouwtjes van andere primaten. In hun gecompliceerde samenlevingen spelen vrouwtjes en mannetjes weliswaar complexe, maar toch erg verschillende rollen. Deze verschillen tonen zich al op zeer jonge leeftijd, zowel bij mensen als bij andere apen.

Onze genetische overeenkomst van 60 % met de banaan betekent niet dat we 60 % banaan zijn

Men noemt ons soms de derde soort chimpansee, bijna 99 % genetisch gelijk aan de twee andere. Deze genetische overeenkomst is misleidend, want onze genetische overeenkomst van 60 % met de banaan wil ook niet zeggen dat we 60 % banaan zijn. Ondanks onze verwantschap met chimpansees en bonobo’s zijn we heel verschillend van hen, eigenlijk zoals elke primatensoort zich vaak heel apart gedraagt en soortspecifieke geslachtsrollen heeft. New York Times-recensent Carl Zimmer noemde de overeenkomsten die Frans de Waal in zijn boek zoekt tussen mensen en andere primaten eerder vrije associatie, waarbij gelijkenissen soms oppervlakkig zijn en er wordt gewisseld tussen verschillende soorten zoals het hem het beste uitkomt. Soms vergelijkt de Waal ons met bonobo’s, dan weer met chimpansees. Zimmer weet dan ook niet goed wat hij moet met de verwijzing naar pinchéapen (Saguinus oedipus). Pinchékoppels leven monogaam en mannetjes investeren minstens evenveel als vrouwtjes in het grootbrengen van de jongen. Ze verschillen daarin erg van hun meest nabije verwanten (met name andere soorten klauwapen), zoals primatensoorten gedragsmatig inderdaad erg van elkaar kunnen verschillen. De relatie met de mens en de gelijkwaardige rol die vaders kunnen spelen in het opvoeden van kinderen wijst De Waal af omdat klauwapen helemaal niet zo sterk aan ons verwant zijn…

Stephen Jay Gould waarschuwde bovendien dat we evolutionaire analogie niet mogen verwarren met homologie. Analogie verwijst naar een gelijkenis, die niet gebaseerd is op evolutionair-genetische verwantschap tussen organismen. Ze is vaak het product van convergente evolutie, waardoor een gelijkaardige leefomgeving ervoor zorgt dat organismen er hetzelfde uitzien of zich gelijkaardig gedragen. Bij homologie is de gelijkenis van structuren of gedragingen het gevolg van genetische overeenkomst. De (ietwat oppervlakkige) gelijkenis tussen vissen en dolfijnen is gebaseerd op analogie, de gelijkenis tussen haringen en makrelen op homologie. In tegenstelling tot wat De Waal en andere primatologen soms beweren, leert de vergelijking met andere mensapen ons niet noodzakelijk veel over de basismechanismen van de menselijke psychologie. Al zeker niet over hoe we zouden moeten leven om problemen te vermijden.

Hoewel De Waal overtuigd lijkt van de onwrikbare biologische basis van de verschillende psychologische testscores van mannen en vrouwen, schrijft hij kort en stellig dat mannen en vrouwen essentieel wel even intelligent zijn (eigenlijk een soort van non sequitur). Het is inderdaad zo dat er kleine verschillen worden gerapporteerd in testscores, maar dit betekent niet dat ze genetisch gedetermineerd zijn. We hebben immers geen aanwijzingen dat de hersenen van mannen en vrouwen fundamenteel anders zijn (wat dat ook mag betekenen), maar wel dat ze anders worden gekneed. Al van voor de geboorte denken en spreken we anders over jongens of meisjes en creëren we verschillende leefwerelden voor hen.

We hebben geen aanwijzingen dat mannen- en vrouwenhersenen fundamenteel anders zijn, wel dat ze anders worden gekneed

De menselijke hersenen zijn grofweg driemaal groter dan die van een chimpansee en bevatten circa 86 miljard hersencellen en een disproportioneel grote frontale kwab. Suzana Herculano-Houzel schat dat de menselijke hersenen veruit het grootste aantal neuronen bevatten van alle hersenen, wat ons heel verschillend maakt van andere dieren. Wellicht nog belangrijker zijn de immense aantallen connecties die onze hersencellen met elkaar maken. Hierdoor wordt er tijdens ons leven een netwerk van biljoenen connecties geconstrueerd, dat onze cognitieve en affectieve vermogens bepaalt. Het bepaalt ook hoe we ons gedragen binnen het spectrum van de geslachtsverschillen.

Een dergelijke structuur wordt niet gedetermineerd door een eenduidig genetisch bouwplan. De bouw en functie van onze hersenen komen tot stand door zelforganisatie in interactie met omgevingsinput. Een ongestimuleerd brein blijft daardoor onderontwikkeld. Bovendien blijven onze hersenen tijdens ons hele leven a work in progress. In feite is ons hersennetwerk nooit voltooid. Ontwikkelingsprocessen gaan bij de mens uitzonderlijk lang door. Zo gaat de myelinisatie van onze hersenvezels, de isolatie die nodig is om signalen van de ene naar de andere cel te sturen, door tot in de late volwassenheid. Bij de chimpansee daarentegen stopt neocorticale myelinisatie ongeveer rond geslachtsrijpheid. De fundamenten van de menselijke hersenen gelijken weliswaar op die van apen en andere zoogdieren, maar bovenop deze fundamenten wordt een immens, flexibel netwerk geconstrueerd.

De plasticiteit van ons immense hersennetwerk zorgt voor een uitzonderlijke flexibiliteit en adaptiviteit, heel anders dan bij andere apen. De Israëlische hersenonderzoekster Daphna Joel vergeleek het menselijke brein met een mozaïek van afzonderlijke modules. De lego-blokjes van onze hersenen, als het ware. Een leven van omgevingsinput bouwt bij elk individu een unieke lego-structuur met unieke blokjes. Sommige van deze blokjes kunnen verschillen tussen mannen en vrouwen, maar er is weinig interne consistentie. Dat wil zeggen dat we niet kunnen spreken van mannelijke of vrouwelijke hersenen, wel van een individuele mix waarbij sommige blokjes eerder mannelijk en andere eerder vrouwelijk zijn. Een brein met enkel mannelijke of vrouwelijke blokjes bestaat niet.

Stephen Jay Gould besloot dat eeuwenlange onwetendheid en bijgeloof verdwenen doordat Darwin ons wees op de overeenkomst tussen mensen en andere dieren. Frans de Waal toont de gelijkenissen tussen mensen en andere apen. Fascinerend, maar misschien is het nu opnieuw tijd voor wat meer aandacht voor de verschillen. Ons grote brein maakte van ons een flexibele aap met een uitzonderlijk gedragspotentieel. Hierdoor kunnen we ons voelen of gedragen als biologische mannen of vrouwen (wat dat ook mag betekenen), of alles daartussen binnen het brede spectrum van de seksuele identiteit. Laat ik eindigen met de Processie van Echternach. Op het einde dansten de deelnemers rond de crypte van Willibrordus, de genezer van epilepsie. Wat helemaal niet klopt, want epilepsie wordt best medisch of farmacologisch behandeld. Zo zie je maar, mensen geloven soms de vreemdste dingen…

Rudi D’Hooge is hoofd van het Laboratorium voor Biologische Psychologie, KU Leuven. Hij doceert in Leuven en Brussel over menselijke biologie en de werking van de hersenen en in zijn cursus ‘Evolutionaire Psychologie’ discussieert hij met studenten over de evolutionaire basis van menselijk gedrag. Zijn onderzoek focust op gedragsmatige en neurale plasticiteit en de behandeling van hersenziekten.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen