Deel dit artikel

Marc Vervenne, ererector van KU Leuven, keert terug naar een cruciaal moment in de relatie tussen de universiteit en het kerkelijke gezag. Aan de hand van de legendarische rede van rector Pieter De Somer ontrafelt Vervenne hoe de universiteit zich langzaam maar zeker losmaakte van dogmatische beperkingen. De vrijheid tot dwalen, die De Somer als grondslag van academische autonomie bepleitte, blijkt een blijvend ijkpunt in de dialoog tussen wetenschap en religie.

‘Hun dient ook de vrijheid tot dwalen te worden toegekend.’
Rector De Somer oog in oog met de Paus

Marc Vervenne

Op 27 september 2024 passeerde paus Franciscus in Leuven als onderdeel van het programma van zijn staatsbezoek aan België. De aanleiding van dit pastorale bezoek, zoals de Heilige Stoel dit soort visites officieel noemt, was het zesde eeuwfeest dat de Leuvense universiteit, in haar tweevoud KU Leuven/UCLouvain, in 2025 uitgebreid viert. Het was van 1995 geleden dat een paus in ons land was, toen voor de zaligverklaring van Jozef De Veuster, die bekend staat als pater Damiaan. Tien jaar eerder, in 1985, bezocht paus Johannes-Paulus II Leuven en Louvain-le-Neuve in het raam van zijn pastoraal bezoek aan de Benelux. Van de ontmoetingen met de beide universitaire gemeenschappen, die toentertijd nog een massa volk bijeenbrachten, onthouden wij de verrassende toespraak die rector Pieter De Somer (1968-1985) in het stadion van OHL hield. Op rustige toon wees hij erop dat het de taak is van een katholieke universiteit om in haar wetenschapsbeoefening gevestigde waarden en waarheden kritisch te toetsen, en dat hij daarvoor aanknopingspunten vond in pauselijke documenten. Terwijl zijn gebruikelijke stijl rechttoe rechtaan was, bepleitte hij tegenover de paus op diplomatische wijze, daartoe aangespoord door zijn naaste omgeving, de ‘vrijheid tot dwalen’ voor wetenschappers, die de waarheid niet in pacht hebben. De ondertoon was niet mis te verstaan: KU Leuven conformeert zich niet slaafs of gedwee aan wat het kerkelijke leergezag voorhoudt. De opstelling die De Somer verwoordde, contrasteerde met de toespraak die de klerikale rector Edouard Massaux (1969-1986) in Louvain-la-Neuve hield, waarbij hij de erkenning van het magisterium benadrukte en de rol van de universiteit in dienst van dat gezag.

KU Leuven conformeert zich niet slaafs of gedwee aan wat het kerkelijke leergezag voorhoudt

Even verrassend als de rede van De Somer in Leuven, maar meestal vergeten, waren  de woorden die Véronique Oruba, een Belgische studente van Poolse afkomst, namens de studenten van onze zusteruniversiteit tot de paus richtte in Louvain-la-Neuve. Ze week af van de op voorhand afgesproken tekst door onverwacht standpunten te vertolken met betrekking tot de evolutie van de verhouding tussen de Kerk en de moderne wereld, onder andere op ethisch vlak. Ze bekritiseerde de conservatieve opvattingen van de paus over de rol van vrouwen in een geëmancipeerde samenleving, over voorbehoedmiddelen en over sociale wantoestanden in Zuid-Amerika. Een deel van het publiek was geschandaliseerd door haar toespraak en Massaux was zeer misnoegd. De paus zelf leek niet onder de indruk. Hij applaudisseerde beleefd, gaf haar een kus op het voorhoofd en ging weer over tot de orde van de dag.

Het pausbezoek van 1985 is ongetwijfeld een scharniergebeuren in de geschiedenis van de verzelfstandigde zusteruniversiteiten Leuven en Louvain. De toespraken door De Somer en Oruba hebben de relatie van KU Leuven en UCLouvain met Rome – en indirect ook met de Belgische bisschoppenconferentie – op scherp gezet, met een doorwerking die de Leuvense universiteiten geleidelijk aan heeft omgevormd tot pluralistische instellingen gedragen door een open ‘katholieke’ dynamische identiteit. De woorden van rector De Somer tot de paus bevestigden dat het proces van laïcisering van KU Leuven onomkeerbaar was. Met ‘laïcisering’ bedoel ik het ont­trek­ken van de universiteit aan clerici (bisschoppen, aangestelde rectoren) om ze in han­den te brengen van niet-clerici. Met De Somer was duidelijk: Leuven schrijft zich als universiteit levensbeschouwelijk in het authentieke katholieke gedachtegoed in, maar is geen kerkelijke universiteit en staat bijgevolg niet onder de bevoogding van het kerkelijke gezag. In onze zusteruniversiteit verliep de transitie iets langzamer vanwege een behoudende katholieke achterban, maar vooral een rector-clericus met een gestagneerde visie op de katholieke universiteit. Pas in 1986, na het vertrek van Massaux en de komst van de verkozen rector Pierre Macq, was ook daar de ommekeer voltooid. In Leuven was het jaar daarvoor Roger Dillemans aangetreden. Hij zette De Somers pleidooi voor academische vrijheid voort en aarzelde niet kerkelijke standpunten te bekritiseren. Vanaf Macq en Dillemans zochten beide zusteruniversiteiten geleidelijk aan toenadering, beseffend dat samenwerking cruciaal was in een veranderende samenleving en kerk.

We keren terug naar de woorden die rector De Somer in 1985 tot paus Johannes Paulus II richtte tijdens zijn bezoek aan Leuven. Alvorens de ‘straffe’ uitspraak over de ’vrijheid tot dwalen’ in haar tekstverband te bekijken, tracht ik het bredere kader te schetsen waarin we die toespraak kunnen plaatsen, met als focus de relatie Universiteit-Kerk. In de 600 jaar van haar niet rechtlijnig bestaan heeft de Leuvense universiteit zich op zeer wisselende wijzen verhouden tot de Katholieke Kerk en haar gezagsdragers. Ze is begonnen als een seculier initiatief van de lokale Brabantse wereldlijke en kerkelijk machthebbers, met uiteindelijk de formele erkenning door de paus. Nadat de Franse bezetters in 1797 de universiteit hadden gesloten en het Hollandse bewind in 1817 een Rijksuniversiteit in Leuven had opgericht, gelijktijdig met de Rijksuniversiteiten van Gent en Luik, maakte de Oude Leuvense Universiteit in 1835 een doorstart als ‘Katholieke Universiteit van Leuven’, met voorafgaand een jaar ‘opwarming’ in Mechelen. Dat was een initiatief van de Belgische bisschoppen, met de steun van het Leuvense stadsbestuur, dat uit lokaal belang ‘haar’ universiteit wou zien herrijzen. De bisschoppen hielden ‘hun’ universiteit vanaf het begin bestuurlijk en inhoudelijk strak in handen. Ze stonden erop dat de nieuwe universiteit onafhankelijk was van de Staat én van Rome. De geschiedenis van de Katholieke Universiteit Leuven sinds 1835 leert dat de rectoren geen lakeien van het kerkelijke gezag waren. Tot 1968 waren ze wel clerici met de titel van ‘monseigneur’, en enkelen zelfs bisschoppen (Ladeuze, Van Waeyenbergh, Descamps), waardoor ze nog vlotter een eigen koers konden varen, wat zij in vaak moeilijke (kerk)politieke en financiële omstandigheden voortreffelijk hebben gedaan. Het valt daarbij op dat de aartsbisschop van Mechelen, die tegelijk grootkanselier van de Katholieke Universiteit is, de zittende rector ondersteunde, zowel in de kring van de Belgische bisschoppen als tegenover het Vaticaan. Nimmer was er sprake van het zich onderwerpen aan Rome, en ook niet aan de bisschoppen.

De woorden van rector De Somer tot de paus bevestigden dat het proces van laïcisering van KU Leuven onomkeerbaar was

Spanningen tussen universiteit en kerkelijk gezag zijn er weliswaar altijd geweest. Waar de Leuvense universiteit bij haar heroprichting als ‘Katholieke Universiteit Leuven’ aanvankelijk een uitgesproken kerkelijke binding had, is ze in de 19e en 20ste eeuw gaandeweg geëvolueerd tot een ‘vrije’ en ‘onafhankelijke’ instelling van hoger onderwijs, die zich op dynamische wijze is blijven inschrijven in de katholieke traditie, begrepen als een groeiproces. Het springt in het oog dat in de loop van dat proces de geleidelijk aan sterker wordende band met de Staat de universiteit verwijderde van de Kerk als instituut, en tegelijk kritisch opstelde ten aanzien van de Staat. Immers, doordat structurele staatsfinanciering de Leuvense universiteit in toenemende mate afhankelijker maakte van de Staat, en bijgevolg van overheidscontrole, en in afnemende mate van collectes en schenkingen binnen de kerkgemeenschap, heeft ze zich als wetenschapsinstelling ook afgezet tegen ‘Paus en Vorst, Kerk en Prins’, haar ‘twee meesters die de universitaire gemeenschap onder hun voogdij wilden krijgen’, zoals rector De Somer het kernachtig uitdrukte. ‘Zich afzetten’ betekent evenwel niet ‘loskomen’. De Somer wees erop dat de universiteit zich bijwijlen ‘schrap moest zetten tegen hinderlijke inmenging van de geestelijke overheid’; maar ook ‘ten overstaan van het wereldlijke gezag wisselden periodes van rustige samenwerking af met periodes van wederzijds wantrouwen en conflicten’. De Somer was bedacht op autonomie en die hield in dat de universiteit zich niet mocht laten domineren door enige invloed van buitenaf. Overigens mogen we niet vergeten dat de eis tot academische vrijheid breed gedragen was. De Somer was ‘een soort ‘buikspreker’ (J. Tollebeek) van een generatie studenten en professoren die vooruit wilden.

Nimmer was er sprake van het zich onderwerpen aan Rome, en ook niet aan de bisschoppen

Rector De Somer gedroeg zich betrekkelijk afstandelijk tegenover de kerkelijke en burgerlijke overheden. Hij kon scherp, en bijwijlen cynisch, uit de hoek komen en meed de controverse niet. Hij omringde zich met enkele vertrouwelingen met wie hij ideeën, opvattingen en standpunten doorpraatte. Voor zaken die betrekking hadden op kerk en religie was de intelligente kanunnik Herman Servotte, hoogleraar Engelse literatuur, en gedurende tien jaar vicerector en een goede vriend van De Somer, zijn inspirator en kritische klankbord. In de rectorale redes aan het begin van het academiejaar kwam de verhouding Universiteit en Kerk enkele keren uitdrukkelijk aan de orde. In de openingsrede van 1969 zette De Somer al de bakens uit van zijn visie op de katholieke universiteit, waarbij hij de vrijheid van denken onderstreepte. Naar zijn mening was die houding ‘niet weggelegd voor de honderden katholieke instellingen voor hoger onderwijs waarvan vele meer katholiek zijn dan universiteit’. In 1975, aan het begin van het academiejaar waarin de Leuvense universiteit haar 550 jarig bestaan herdacht, sprak De Somer over ‘de verhoudingen tegenover Prins en Kerk’. Hij gaf aan dat de geschiedenis van de universiteit ‘een cyclische wisselwerking van aanhankelijkheid aan de Kerk enerzijds en strijd voor onafhankelijkheid tegenover het kerkelijk leergezag anderzijds’ toont en beklemtoonde dat Leuven zich steeds heeft opgesteld ‘als een vrije gemeenschap van leermeesters en studenten, tuk op haar autonomie tegenover Vorst en Paus’.

De Somer was bedacht op autonomie en die hield in dat de universiteit zich niet mocht laten domineren door enige invloed van buitenaf

De laatstgenoemde openingsrede zette de toon voor de toespraak die hij gehouden heeft bij de passage van paus Johannes Paulus II in Leuven op 20 mei 1985. De Somer was toen al door ziekte erg verzwakt en nauwelijks een maand later overleed hij op 17 juni. De woorden die hij met zijn laatste krachten uitsprak beschouw ik als zijn intellectueel testament, waarin hij zijn diepste overtuiging over de ‘vrije katholieke universiteit’ heeft vastgelegd, die tot op heden velen blijft inspireren. Ik citeer het kernstuk van de rede:

‘Een katholieke intellectueel – zoals trouwens elke intellectueel – bevindt zich altijd in het grensgebied tussen het reeds gekende en het nog niet gekende. Of hij zich nu buigt over de geheimen van de natuur zoals in de natuurwetenschappen, of hij in contact treedt met het denken van andere culturen zoals in de cultuurwetenschappen, of hij zoekt naar de ordening van de samenleving zoals in de gedragswetenschappen, telkens staat hij voor het nieuwe, het ongekende. Wetenschappelijke vorsers van eender welke discipline moeten over de vrijheid beschikken om dat ongekende in kaart te brengen, om werkhypothesen te ontwerpen en te toetsen, om het nieuwe te integreren in het reeds gekende of er gevolgtrekkingen uit te halen voor het reeds bestaande. Hun dient ook de vrijheid tot dwalen te worden toegekend: dat is een essentiële voorwaarde opdat zij als onderzoekers hun opdracht – en de universiteit als instelling de hare – zouden kunnen vervullen.’ (Universiteit en Kerk).

Van het begin tot het eind van de rede drijft hij Johannes Paulus II zachtjes in het vangnet van zijn eigen pauselijke standpunten om hem dan op delicate wijze met de rug tegen de muur te duwen

Het redactieproces van de toespraak is goed gedocumenteerd. De tekst is in nauwe samenspraak met Servotte tot stand gekomen, maar met De Somer als de laatste penhouder, die woorden schaafde en vijlde tot ze zijn boodschap ondubbelzinnig konden overbrengen. Servotte had hem aangeraden ‘niet in de aanval te gaan’, maar te bouwen op een aantal pauselijke uitspraken. De Somer heeft die raad meesterlijk en elegant opgevolgd. Van het begin tot het eind van de rede drijft hij Johannes Paulus II zachtjes in het vangnet van zijn eigen pauselijke standpunten om hem dan op delicate wijze met de rug tegen de muur te duwen. Ik wijs hier slechts op enkele finesses van het hierboven genoemde tekstdeel. Vooreerst spreekt De Somer niet over ‘de’, maar over ‘een’ katholieke intellectueel. Hij vermijdt absolute uitspraken. Verder bespeelt hij de polariteit ’het gekende’ en ‘het ongekende’, geheel in lijn met zijn overtuiging dat het de taak van de universiteit is het ‘niet weten’ om te vormen tot ‘weten’. Vervolgens springt in het oog dat hij overgaat van exclusief (katholieke intellectueel: ‘hij’) naar inclusief taalgebruik (wetenschappelijke vorsers/onderzoekers: ‘zij’). Hier beklemtoont hij dat het vrije onderzoek alle wetenschapsgebieden betreft, dus ook de theologie. Iets verder in de toespraak onderbouwt hij die uitbreiding naar de theologie aan de hand van een zoveelste captatio: ‘In alle duidelijkheid hebt U zich uitgesproken over de wens van de Kerk voor een zelfstandig theologisch onderzoek dat zich onderscheidt van het kerkelijk leerambt’. Tot slot verwoordt De Somer het kernpunt van zijn betoog puntig: wetenschappers van welke discipline ook moeten kunnen beschikken over ‘de vrijheid tot dwalen’. Servotte schreef in zijn voorbereidende notities voor De Somer de uitdrukking ‘de vrijheid om te verdwalen’, die De Somer veranderde in ‘dwalen’. Jan Roegiers heeft daar in het In memoriam Herman Servotte 1929-2004 (Ex Officina, april 2004, p. 4-5) merkwaardigerwijs ‘het recht om te dwalen’ van gemaakt, terwijl De Somer ongetwijfeld zeer bewust kiest voor ‘vrijheid’, geheel in overeenstemming met zijn visie op onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek binnen de universiteit, óók de katholieke universiteit.

Met de blikvanger ‘vrijheid tot dwalen’ wilden De Somer en Servotte nog eens nadrukkelijk de puntjes op de i zetten. Immers, sinds het aantreden van Johannes Paulus II was een ontwikkeling aan de gang waarbij Rome meer grip trachtte te krijgen op de katholieke universiteiten. In die context was de uitspraak ‘vrijheid tot dwalen’ tegelijk uitdagend en riskant. Wat is bedoeld met ‘dwalen’? Het kerkelijke gezag begreep die woorden, naar ik aanneem, als het opzettelijk afwijken van wat de katholieke geloofsgemeenschap en kerkleer beschouwt als deel uitmakend van de fundamenten van het christelijke geloof. Wie daarvan afwijkt, dwaalt. In het spreken van De Somer is de term ‘dwalen’ veeleer beeldspraak voor het experimenteren dat eigen is aan wetenschappelijk onderzoek, met het risico van vast te lopen, of te moeten vaststellen dat de uitkomst niet klopt en dat de wetenschapper zich vergist heeft. De ‘vrijheid tot dwalen’, die De Somer, en de rectoren na hem, begrepen als uitdrukking van de delicate opdracht waar een katholieke universiteit voor staat om ‘waarden en waarheden met elkaar te verzoenen’ sloeg echter niet aan bij de kerkelijke gezagsdragers. De op actieve dialoog ingestelde Dillemans (1985-1995) vond net zo weinig als De Somer gehoor. Het was dan ook niet verwonderlijk dat zijn opvolger André Oosterlinck (1995-2005) terugkeerde naar de tactiek van de ‘jonge’ rector De Somer: als universiteit moeten we grensverleggend wetenschappelijk onderzoek uitvoeren, maar laten we dat in stilte doen als het gaat om onderwerpen die een impact kunnen hebben op het bio-ethische debat met de Katholieke Kerk. Kortom, ver van Rome blijven en zwijgen. Vanaf 2006, met de controverse rond embryonaal stamcelonderzoek en in vitro fertilisatie, twee domeinen waarin Leuven grensverleggend onderzoek heeft geïnitieerd, is het debat met Rome openlijk en constructief gevoerd. De snel veranderende maatschappelijke omgeving, met toenemende secularisatie in Europa en het afnemen van de impact van de Katholieke Kerk hebben de context voor dat debat grondig gewijzigd. Ook het aankomen van nieuwe generaties van studenten, wetenschappers en professoren, die nauwelijks tot geen binding meer hebben met de Kerk, heeft meegebracht dat de Vaticaanse instanties zich opener en constructiever moesten opstellen in het gesprek met de katholieke universiteiten, en de Leuvense in het bijzonder.

De toespraak die paus Franciscus op 27 september 2024 hield in de Promotiezaal van de Universiteitshal in Leuven (deze keer niet in een overvol stadion) reveleerde deels een vooruitgang, deels een stilstand. Het uitdagende standpunt dat rector De Somer in 1985 verwoordde over het vrije wetenschappelijk onderzoek, los van dogmatische bevoogding door het kerkelijke gezag, heeft Rome blijkbaar verwerkt. Franciscus riep de universitaire gemeenschap op te blijven zoeken naar waarheid en daarbij grenzen te verleggen. Tegelijk onderstreepte hij het belang om relevante kennis te ontwikkelen, en ook door te geven, die bedacht is op de vooruitgang van de wereld. Daarmee haakte hij in op de overweging die rector Luc Sels in zijn verwelkoming had uitgesproken: ‘Vandaag is de academische ‘vrijheid om te dwalen’ gelukkig geen strijdpunt meer. We zijn inmiddels een zelfstandige universiteit, gegroeid en geworteld in de christelijke waarden en inspiratie. We werken in wetenschappelijke openheid, onbevangen en ongebonden. Hoe paradoxaal het ook mag klinken, precies in die relatieve onafhankelijkheid ligt mogelijk onze grootste waarde voor de kerk’.

Sels bracht beknopt en helder ook de rol van de vrouw en de genderdiversiteit in de Kerk ter sprake. Die kwesties stonden centraal in de presentatie die leden van de universitaire gemeenschap van UCLouvain opvoerden. In Leuven ging de paus geheel voorbij aan de vragen van de rector, terwijl hij in Louvain-la-Neuve een betoog hield dat niet ter zake deed, met als kernidee de ‘vrouwelijke dimensie van de Kerk’. Met grote nadruk herhaalde hij: ‘la Chiesa è donna, è sposa di Cristo’. De felheid waarmee Franciscus de discussie ten gronde over de erkenning van de maatschappelijke impact van vrouwen en over gendergelijkheid uit de weg gaat, legt een kritiek aspect bloot in zijn gedachtegoed. Een soort van stilstand. Dat is jammer, want zijn sociale en politieke denken is in mondiaal verband grensverleggend, niet alleen theoretisch, maar evenzeer in de gebaren waarmee hij dat denken aanschouwelijk maakt door de ‘periferieën’ op te zoeken (Aversano, 2024). Het assimileren van het belang van het vrije en onafhankelijke wetenschappelijke onderzoek lijkt volgens mij voort te komen uit de focus van Franciscus op die maatschappelijke ‘periferieën’, waar de echte crises zich afspelen, zowel economisch als antropologisch-ethisch en spiritueel. In zijn denken en spreken roept hij de Kerk en haar leiders voortdurend op niet met zichzelf bezig te zijn, maar de aandacht te richten op de mensen. Of om het specifieker uit te drukken: blijf geen achterhoedegevechten voeren rond ‘dogmatische’ kwesties, zoals de vrijheid van onderzoek met het risico op dwalen, maar pak ‘de onverschilligheid als gewenning aan het lijden van anderen’ aan. We kunnen hierin zelfs een lichte kritiek herkennen op onze gerichtheid op ‘vrijheid tot dwalen’. Valerio Aversano heeft deze omslag in focus bij paus Franciscus zorgvuldig ontleed. Er is nog een weg af te leggen om van het programmatorische ‘vrijheid tot dwalen’ een hefboom voor positieve verandering te maken, waar de Kerk van de 21ste eeuw vruchten kan van plukken. Die utopie is haalbaar als het kerkelijke gezag, zowel lokaal als in Rome, resoluut in dialoog gaat met de vrije katholieke universiteiten die kunnen bogen op een gezagvolle wetenschapsbeoefening en academische vorming. De uitnodiging tot dialoog is wat de Leuvense universiteit betreft al sinds haar aanvang op diverse wijzen en in verschillende tijden impliciet en expliciet aangereikt, met als hoogtepunt de oproep die Pieter De Somer aan de grens van zijn leven viva voce uitsprak tegenover de paus, het hoogste kerkelijke gezag.

Rector Sels omschrijft de metaforische kracht van ‘dwalen’ treffend in zijn beschouwing rond de Dwaaltuin, de groene doolhof als icoon van het jubileumjaar 2025 vlak bij het Arenbergkasteel: ‘Dwalen staat voor mij voor zoeken met de openheid om verbaasd te worden door wat je op je weg vindt. De term ‘dwalen’ heeft voor de universiteit ook een bijzondere betekenis. Het was oud-rector Pieter De Somer die in 1985 in een toespraak tot Paus Johannes Paulus II sprak over de noodzaak van ‘de vrijheid tot dwalen’. Geen academische vrijheid zonder dwalen dus.’ Of hoe het ‘verdwalen’ van Servotte en het ‘dwalen’ van De Somer elkaar uiteindelijk vinden in de Dwaaltuin.

Valerio Aversano, ‘De wereld door de ogen van de periferie: de sociale en politieke visie van paus Franciscus’, Karakter – Tijdschrift van wetenschap, 88 (2024), p. 9-11.

Pieter De Somer, Een visie op de universiteit. (Leuven: Universitaire Pers, 1985).

Marc Vervenne, ‘De vrijheid tot dwalen. Een “redaktionsgeschichtliche” benadering van de “Pausrede” van rector Piet De Somer’, in: Academiae Bibliotheca. Dertig jaar aanwinsten voor de Leuvense Universiteitsbibliotheek 1980-2010. (Leuven: Universiteitsbibliotheek Katholieke Universiteit Leuven, 2010), p. 140-143.

Marc Vervenne, ‘Naar Canossa gaan wij niet? Leuven en Rome: wrijving en dialoog in de praktijk’, Collationes: Vlaams tijdschrift voor theologie en pastoraal, (verschijnt maart 2025).

Marc Vervenne is emeritus gewoon hoogleraar aan KU Leuven. In zijn onderzoek en onderwijs focust hij op Oud-Hebreeuwse taal- en letterkunde, en in het bijzonder op de Hebreeuwse Bijbel. Hij was achtereenvolgens decaan van de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen (1996-2000), vicerector Humane wetenschappen (2000-2005) en rector van KU Leuven (2005-2009). Thans is hij ererector.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen