Deel dit artikel

hadden dinosauriërs veren of geen veren? waren dino’s warm- of koudbloedig? het zijn maar enkele discussies die al meer dan honderd jaar voor controverse zorgen in de paleontologische wereld. pas sinds enkele decennia begint daar verandering in te komen. tot voor kort baseerde de paleontologie zich grotendeels op biologische kennis, niet zelden aangedikt met een portie fantasie. onderzoeksresultaten waren al te vaak het resultaat van gis- of nattevingerwerk. dankzij recente innovaties in computertechnologie, chemie, fysica en ingenieurswetenschappen is het vandaag echter steeds beter mogelijk om feit en fictie van elkaar te scheiden. ook de ontdekking van nieuwe fossielen helpt daarbij.

Oude dino’s, nieuwe inzichten

Leonard Dewaele

Fossielen zijn een onuitputtelijke bron van fascinatie voor een doorsnee vijfjarige, maar voor paleontologen zijn het uitdagende puzzels en vaak ook een oorzaak van grote frustraties. Velen herinneren zich waarschijnlijk nog wel hoe paleontologen de voorbije vijfentwintig jaar steeds weer moord en brand schreeuwden als er een nieuwe Jurassic Park– of World-film uitkwam. Die standaardreactie legt in feite een oud probleem binnen de paleontologie bloot: de onzekerheid met fossielen, de onvolledigheid van het fossielenbestand (het zogenaamde fossil record) en het feit dat we de dieren die erbij horen niet in levenden lijve kunnen bestuderen. Veel oudere inzichten uit de paleontologie waren dan ook eerder hypotheses dan onomstotelijke theorieën, die bovendien al te vaak in stand gehouden werden door machtige ego’s. Een elegante uitweg is het gebruik van proxy’s. Een proxy is een meetbare grootheid die toelaat om een niet-meetbare grootheid uit het verleden te bestuderen. Een bekend voorbeeld is het gebruik van CO2 om temperatuursveranderingen te meten. Het is onmogelijk om temperaturen in het verleden a posteriori direct te meten, maar door de precieze positieve correlatie tussen temperatuur en atmosferische CO2-concentratie kan deze laatste als proxy gebruikt worden om historische temperaturen en temperatuursveranderingen te meten. De verandering in CO2-aanrijking in luchtbelletjes op verschillende dieptes in Groenlandse of Antarctische ijskernen laat toe de temperatuursveranderingen van de laatste duizend, tienduizend of meer jaar te meten.

Alleen al de etymologie van het woord dinosaurus geeft aan hoe onderzoekers worstelden met de vraag wat dino’s eigenlijk waren

Een structureel probleem daarbij is natuurlijk dat de meeste dinosauriërs geen hedendaagse vertegenwoordigers hebben (behalve vogels dan; zie Karakter 51). Vanuit dit perspectief kunnen we ook heel wat ‘flaters’ uit de beginjaren van de paleontologie beter begrijpen. Een mooi voorbeeld is een van de alleroudste grote vondsten uit de geschiedenis van de paleontologie: een dijbeenfragment uit het Engelse Oxfordshire, dat in 1677 beschreven werd door Robert Plot. Het bot was zo groot dat Plot het toeschreef aan een krijgsolifant of reus (!). In 1763 doopte Richard Brooks het restant Scrotum Humanum omwille van de treffende overeenkomst met een menselijk scrotum en omdat het ding nu eenmaal een naam moest hebben voor in z’n rariteitenkabinet.

Ook toen paleontologie zich meer en meer als een ‘wetenschap’ begon te ontwikkelen, wist men aanvankelijk niet wat te doen met fossielen van dinosauriërs. Alleen al de etymologische oorsprong van het woord dinosaurus (‘verschrikkelijke hagedis’) geeft aan hoe onderzoekers worstelden met de vraag wat dinosauriërs eigenlijk waren. De eerstgevonden skeletten van deze eerste dinosauriërs waren duidelijk anders dan die van hagedissen, maar hagedissen leken anno 1820 de minst slechte vergelijking. Het historische idee van dinosauriërs als grote hagedissen leidde toen ook tot een beeldvorming die vandaag grotendeels achterhaald is. Bekende voorbeelden hiervan zijn de Crystal Palace Dinosaurs-standbeelden in het Londense Crystal Palace Park: grote, geblokte, logge viervoeters die duidelijk gemodelleerd zijn naar hagedissen. Deze lachwekkende, logge beelden hebben weinig gemeen met het beeld dat het grote publiek vandaag heeft van dinosauriërs, dat op zich dan ook weer verschilt van het beeld dat paleontologen van dinosauriërs hebben. Inderdaad lachwekkend, op het eerste zicht, maar perfect begrijpelijk als je een fossiel hebt dat zo verschillend is van alle dieren die nu leven en je jezelf dus niet kan voorstellen hoe het bijhorende dier er eigenlijk uitgezien moet hebben. Popcultuur, en meer bepaald film, droeg – en draagt –  veel bij aan het achterhaalde idee dat veel mensen hebben over veel dinosauriërs: wat we weten over dino’s is veel veranderd sinds Jurassic Park uitkwam in 1993, maar wetenschappelijke accuratesse is uiteraard geen speerpunt in films. Dus waarom zouden filmmakers een sequel op een financieel succes aanpassen aan wetenschappelijke evoluties en nodeloos verwarring zaaien onder het publiek, zonder dat het iets bijdraagt aan het verhaal? Ergo, dino’s uit Jurassic World: Fallen Kingdom uit 2018 zijn quasi identiek aan hun broertjes uit Jurassic Park uit 1993.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 72. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen