Deel dit artikel

meertaligheid lijkt steeds meer toegejuicht en gepromoot te worden. meertalig onderwijs vindt hoe langer hoe meer ingang in vlaanderen en ook officiële europese organen doen hun best om het leren van meerdere talen te stimuleren. onderzoek toont dan ook aan dat het beheersen van meer dan één taal tal van voordelen heeft. in de praktijk blijkt echter dat sommige vormen van meertaligheid stiefmoederlijk worden behandeld of zelfs ronduit worden ontmoedigd.

De ene meertaligheid is de andere niet

Orhan Agirdag

Iedere dag wordt Vlaanderen diverser op vlak van taal. Uit de cijfers van Kind en Gezin blijkt dat bij ongeveer dertig procent van de kinderen die geboren zijn in Vlaanderen de taal die de moeder en het kind samen spreken niet het Nederlands is. Nog geen tien jaar geleden was dat nog ‘maar’ twintig procent. In een stad als Antwerpen is vandaag zelfs de meerderheid van de pasgeborenen ‘anderstalig’, of zo worden ze doorgaans toch genoemd. In feite zijn ze ‘dual language learners’, zoals ze genoemd worden in de internationale literatuur. Bijna alle kinderen die in Vlaanderen geboren worden leren namelijk vroeg of laat het Nederlands. Sommige doen dat al vanaf de geboorte samen met hun moedertaal (deze kinderen zijn ‘gelijktijdig tweetalig’). Andere kinderen leren het Nederlands later, zodra ze naar de kinderopvang en/of kleuterschool gaan (deze kinderen zijn ‘opvolgend tweetalig’).

Op zich is talige diversiteit een rijkdom voor de samenleving, maar ze brengt ook nieuwe uitdagingen met zich mee. Enerzijds zien we dat meertaligheid steeds meer gepromoot wordt door actoren zoals de Europese Commissie, maar anderzijds wordt talige diversiteit ook gelinkt aan allerlei problemen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. In dit stuk wil ik het hebben over deze paradox van meertaligheid.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 68. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen