Deel dit artikel

om de zoveel tijd duikt het fenomeen verlichting op in de politieke sfeer, vooral in de westerse wereld. zowat alle partijen beweren de verlichtingswaarden te verdedigen en de samenleving te moeten beschermen tegen de mogelijke afbraak ervan. nochtans is het niet eenvoudig om te bepalen of de verworvenheden van de verlichting daadwerkelijk in gevaar zijn, of iedere pleitbezorger ervan wel echt blijk geeft van verlicht denken, en wat überhaupt anno 2019 onder de term begrepen moet worden.

Strijd om de verlichting

Herman De Dijn

Het is niet de eerste keer in de geschiedenis dat min of meer etherische discussies op intellectueel vlak nauw verbonden zijn met politieke discussies en tegenstellingen. Dat lijkt nu weer het geval, ditmaal met discussies over wat nu eigenlijk verlichting is, wie de echte verlichters en wie de pseudo- of zelfs de antiverlichters zijn. Historici als Jonathan Israel, filosofen als Susan Neiman of Stijn Klarenbeek, cultuurwetenschappers als Ico Maly, zelfs cognitiewetenschappers als Steven Pinker werpen zich tegenwoordig in deze intellectuele strijd. Met hun al dan niet dikke essays, soms echte bestsellers, hebben ze tegelijk de uitgesproken bedoeling maatschappelijk-politieke invloed uit te oefenen. Ze vinden dat ze, als wetenschappers én burgers, de intellectuele en morele plicht hebben weerstand te bieden tegen de opnieuw opduikende pseudo- of antiverlichting. Daarmee staan ze helemaal in de traditie van de denkers die de verlichting initieerden: de achttiende-eeuwse philosophes wilden niet enkel nadenken over de wereld, maar haar ook radicaal veranderen. Politieke discussies staan vandaag, zeker in de westerse wereld, opmerkelijk genoeg bij haast alle partijen in het teken van de strijd om wat verlichting is en welk standpunt ertegenover aan te nemen. Hoe is dat zo gekomen?

Het heeft ten dele te maken met de complexiteit van de verlichting als historisch fenomeen. Historisch-filosofisch gesproken zijn er meerdere vormen van verlichting. Niet zelden wordt de verlichting als individueel én maatschappelijk streefdoel exclusief verbonden met de Franse Revolutie en speciaal dan met het denken van revolutionaire filosofen als Condillac en Condorcet. Centraal in hun politieke denken staan elementen die nog altijd in hun samenhang wezenlijk geacht worden voor de ‘echte’, radicale verlichting: het pleidooi voor vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid (en, ook toen al, voor de afschaffing van de ongelijkheid tussen man en vrouw, en van slavernij en racisme); de idee van fundamentele mensenrechten; het geloof in de rede als leidraad voor het menselijk leven (inclusief zelfs gedetailleerde, op kansberekening gesteunde ontwerpen van sociale zekerheid en levensverzekering); het geloof dat wetenschap en techniek een onontkoombare vooruitgang naar ‘een nieuwe wereld’ en een vreedzame wijze van samenleven tot stand zouden brengen (het einde van de geschiedenis); de noodzaak van een nieuwe, op rationele gronden gesteunde opvoeding (concreet op basis van de Encyclopédie, letterlijk: een algehele (her)opvoeding van de mensheid); de noodzaak ten slotte van een onverbiddelijke strijd tegen het obscurantisme van alle, maar vooral religieuze, tradities (met onder meer de instelling van een nieuwe tijdsrekening en van seculiere rituelen). Zo vat Steven Pinker het radicale verlichtingsideaal dat hij koestert samen: verlichting bestaat in het driespan van reason, science, humanism.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 68. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen