Deel dit artikel

het afgelopen decennium hebben diverse nederlandse schrijvers bijtende kritiek geleverd op de neerlandistiek en het literatuuronderwijs op middelbare scholen. wat leerlingen te lezen krijgen, zou stoffig zijn en te weinig aandacht besteden aan recente ontwikkelingen in de literatuur. ook neerlandici leggen vaak de klemtoon op wat er op de middelbare school gelezen wordt. zij zien dan weer teksten opduiken die de leerlingen zeker niet meer inwijden in de literaire canon, maar integendeel op allerlei manieren de lat niet halen. curriculumontwikkelaars doen hun best om voorwaarden te bepalen waaraan teksten moeten voldoen om als ‘rijk’ en relevant voor het taalonderwijs beschouwd te worden. misschien moeten we de focus echter niet primair leggen op wat jonge mensen lezen, maar wel op hun leesmethode.

De hamvraag van het literatuuronderwijs: niet wat we lezen, maar hoe we lezen

Jeroen Dera

‘We moeten voorbij de canon van babyboomers’, schreef Abdelkader Benali op 31 augustus 2021 in een ophefmakende column in het Nederlandse dagblad Trouw. De auteur richtte zijn pijlen hierbij op de neerlandistiek en het literatuuronderwijs op middelbare scholen. Daarin zou te weinig aandacht worden besteed aan recente ontwikkelingen in de literatuur, met alle gevolgen voor jonge lezers van dien. Met zijn klaagzang over die ‘oude’ canon begaf Benali zich zo langzamerhand in een traditie. Het afgelopen decennium prijkten er in nationale kranten regelmatig Nederlandse schrijvers – van Christiaan Weijts tot Özcan Akyol en van Daan Heerma van Voss tot Kluun – die zich keerden tegen ‘stoffige’ leeslijsten.

Het zijn nogal curieuze pleidooien voor wie het literatuuronderwijs wat beter bestudeert. Op de meeste middelbare scholen in Nederland wordt namelijk helemaal niet met verplichte leeslijsten gewerkt. Leerlingen mogen zelf aandragen welke titels ze voor het vak Nederlands willen lezen, en worden in die selectie over het algemeen geadviseerd door hun docent. Uit een grootschalig onderzoek onder ruim 1 600 examenleerlingen, dat ik begin 2019 publiceerde in de onderzoeksreeks van Stichting Lezen onder de titel De praktijk van de leeslijst, bleek dat die leerlingen gezamenlijk maar liefst 1 642 unieke werken van 725 verschillende auteurs gelezen hadden. En hoewel daar allerlei literaire klassiekers tussenzaten en Harry Mulisch en Willem Frederik Hermans nog altijd hoog op de ranglijstjes bivakkeerden – De aanslag werd gelezen door ongeveer een kwart van de leerlingen en De donkere kamer van Damokles door zo’n 17 procent – betrof het hier bepaald niet de ‘canon van babyboomers’.

Het is in dat opzicht wat ontnuchterend dat Benali alsnog het frame van ouderwetsheid gebruikte in zijn column uit 2021. Als er dan toch een kloof is tussen de neerlandistiek en de hedendaagse literatuur, dan ligt die misschien evengoed in de bereidheid van schrijvers om zich te verdiepen in wat er in die neerlandistiek speelt alvorens een column aan het onderwerp te wijden. Benali had dan bijvoorbeeld kunnen zien dat tal van neerlandici zich de laatste jaren intensief met het schoolvak Nederlands hebben beziggehouden.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 79. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen