Deel dit artikel

sporters en hun entourage zijn natuurlijk voortdurend op zoek naar manieren om de best mogelijke prestaties neer te zetten. wat een atleet eet, drinkt of anderszins tot zich neemt, kan een grote impact hebben op diens prestatievermogen. vroeger geloofde men bijvoorbeeld in de heilzame kracht van biefstuk, alcohol of tabak. sinds de jaren 1960 laten nieuwe technieken ons toe om echt te zien wat er met de menselijke spier gebeurt tijdens het sporten. zo blijkt de hoeveelheid glycogeen in de spier van groot belang te zijn voor wie een duursport beoefent. daarom volgen heel wat atleten in de aanloop naar belangrijke wedstrijden een koolhydraatrijk dieet, terwijl anderen juist opteren voor een koolhydraatarm maar vetrijk voedingspatroon.

Ketonen en ketogeen dieet in de sport

Chiel Poffé

De ene wielrenner trekt aan een sigaret terwijl een andere nog snel een slok alcohol drinkt. Niet echt een beeld dat je verwacht te zien tijdens de grootste wielerwedstrijd ter wereld – de Ronde van Frankrijk. Toch was dit bij de eerste edities van de Tour de France aan het begin van de 20ste eeuw schering en inslag. Het contrast met het huidige wielerpeloton, waarin de hoeveelheid isotone sportdrank die een renner op kilometerpaal 120 moet drinken tot op de milligram wordt afgewogen en er gegoocheld wordt met zogeheten wonderdranken, met als meest recente voorbeeld ketonen, lijkt niet groter te kunnen zijn. Toch hebben beide tijdperken één ding gemeen: de zoektocht naar hoe we door wat we eten en drinken ons prestatievermogen kunnen maximaliseren.

Bij de eerste edities van de Tour de France was het voedingspatroon van renners veelal intuïtief. Zo aten renners voornamelijk zaken waarvan ze dachten dat ze hen zo veel mogelijk energie zouden geven. Met een excessieve inname van rood vlees als meest gekende gevolg, zoals duidelijk blijkt uit de volgende quote van Eddy Merckx: ‘Het was verschrikkelijk, maar je moest biefstuk eten om sterk te blijven’. Door de grote inname van rood vlees en andere merkwaardigheden zoals de Binda Zabaione (twintig losgeklopte eidooiers vermengd met suiker), kunnen we het dieet van renners uit deze periode nog het best omschrijven als een proteïnerijk dieet. Hoewel voeding zeker niet als een prioriteit werd beschouwd, was er wel reeds veel aandacht voor prestatiebevorderende ‘supplementen’. Zo was het zeer gebruikelijk dat renners een sigaret opstaken in de eerste helft van een etappe om hun longinhoud te vergroten en hun hart op te warmen, terwijl er lustig alcohol werd gedronken om de pijn en de inspanning van het fietsen te verzachten.

Kennis over welke voeding het meeste garantie biedt voor een optimale sportprestatie kwam pas voor het eerst echt tot ontwikkeling in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Aan de basis hiervan lag de uitvinding van de spierbiopsietechniek door Jonas Bergström en Eric Hultman. Deze techniek stelde wetenschappers voor het eerst in staat om het metabolisme in de menselijke spier te bekijken tijdens inspanning. Zo bleek spierglycogeen de primaire energiebron te zijn tijdens duurinspanningen aan hoge intensiteit. Bijgevolg speelt spierglycogeen dus een cruciale rol bij de meest gangbare duursporten. Daarnaast bleek de hoeveelheid glycogeen ook gelimiteerd te zijn. Zo zorgt een intensieve inspanning voor een drastische daling van de hoeveelheid glycogeen in de spier. En nog belangrijker: de resterende hoeveelheid glycogeen in de spier blijkt nauw gerelateerd te zijn aan hoe lang een inspanning nog kan worden voortgezet. Deze kennis legde dan ook de basis voor talloze studies waarin men probeerde de uitputting van de glycogeenvoorraad in de spier zo lang mogelijk uit te stellen om zo de prestatie te verhogen.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 74. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen