Deel dit artikel

het concept ziekte is sterk veranderlijk – gelukkig maar. ziektes die ooit dodelijk waren, zijn nu chronische condities geworden waar men een lang en comfortabel leven mee kan leiden. andere aandoeningen zijn uitgeroeid of blijken bij nader inzien helemaal geen ziektes te zijn. de medische geschiedschrijving probeert licht te werpen op die evoluties, op de veranderende betekenis van medische termen en op de soms drastisch verschillende geneeswijzen die doorheen de eeuwen ingezet werden bij eenzelfde ziektebeeld. een goed voorbeeld daarvan is de hedendaagse en historische blik op migraine.

Ook ziektes hebben een geschiedenis

Joris Vandendriessche

Ziektes blijken zelden stabiel. Ze komen op en verdwijnen. Ze evolueren van acuut naar chronisch dankzij nieuwe medicatie. Ze worden bijgesteld na een aangepaste diagnose. Wat op een individueel niveau geldt, drijft ook processen op langere termijn. Diabetes was ooit een acuut probleem, maar is nu als een chronische ziekte te behandelen. De ziekte ‘hysterie’ is vandaag verdwenen, samen met het geloof in een dergelijke diagnose. Een enkele ziekte als pokken is zelfs volledig uitgeroeid. Ook ontstaan nieuwe infectieziekten, zoals SARS en recent uiteraard COVID-19. Die diverse trajecten hebben de aandacht van historici gewekt. Charles Rosenbergs The Cholera Years (1962) markeerde de start van een bloeiende traditie van ‘ziektegeschiedenis’.

Tijdens het voorbije decennium heeft vooral het genre van de biografie van ziekten een bijzonder succes gekend. Historici volgen daarbij een ziekte ‘van geboorte tot dood’. Het mensenleven wordt zo een metafoor voor de transformaties die ziektes doormaken. Bij Johns Hopkins University Press en Oxford University Press verschenen biografieën van osteoporose, cholera, posttraumatische stressstoornis, malaria, antrax (miltvuur) enzovoort. Toch was niet iedereen even enthousiast. Wetenschapshistoricus Roger Cooter klaagde onder meer de nodeloos antropomorfe voorstelling van bacteriën en ziekteconcepten aan. Hij miste vooral het inzicht dat een ziekte – als begrip – veranderlijk is en steeds geconstrueerd wordt door de medische wetenschap. In het genre van de biografie was echter sprake van een vaststaande essentie. Biografen creëerden zo anachronismen, aldus Cooter. In 2010 stelde hij scherp in The Lancet dat nagenoeg alle biografieën negeerden dat hun object (de notie van een ziekte) slechts kon bestaan in de moderne context waarin die kennis over ziekte was ontwikkeld. Aanvaarden dat farao Ramses II overleden was aan ‘tuberculose’, duizenden jaren voor die ziekte werd vastgesteld, was even absurd als claimen dat een oude Egyptenaar omkwam door het vuur van een machinegeweer, zo citeerde hij de wetenschapssocioloog Bruno Latour.

Daarmee blies Cooter nieuw leven in een oud debat over de vraag of actuele medische kennis in het historisch onderzoek gebruikt kan worden. In haar spraakmakende studie Holy Feast and Holy Fast (1987) had historica Caroline Walker Bynum zich bijvoorbeeld uitgesproken tégen de retrospectieve diagnose van magere middeleeuwse vrouwen als lijdend aan anorexia. Volgens Walker Bynum gingen dergelijke diagnoses voorbij aan de religieuze beweegredenen voor niet-eten in de middeleeuwen. Haar kritiek was dat ze reductionistisch waren en het betekeniskader waarin mensen hun lichaam begrepen verengden tot een (modern) begrip van ziekte. Waar echter ten tijde van Bynums studie artsen tegenover historici stonden, wordt het debat vandaag vooral tussen historici gevoerd. Dat gebeurt op een moment dat de medische geschiedschrijving zich dient te verhouden tot nieuwe, interdisciplinaire velden als medical humanities en health humanities – velden die uitdrukkelijk de dialoog opzoeken met de biomedische wetenschappen. Welke rol kan de geschiedschrijving daarin spelen en welk soort ‘presentisme’ – gerichtheid op het heden – kan zij daarbij verdragen?

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 70. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen