Deel dit artikel

therapeuten stonden in het verleden terughoudend tegenover technologie in therapie. velen bleven er ver van weg en maakten gebruik van beproefde, klassieke methodes. de covid-19-pandemie dwong hen echter plots om hun cliënten massaal online van hulp te voorzien, vaak door middel van beeldbellen. de verwachting leeft dat deze plotse digitalisering van de geestelijke gezondheidszorg voor zowel therapeuten als cliënten een keerpunt kan betekenen. bespreken we in de toekomst onze diepste zielenroerselen niet meer in een besloten ruimte, maar van achter onze computer? of gaat alles terug naar het oude? zowel voor- als tegenstanders hebben valabele argumenten en bedenkingen.

Technologie en therapie: sofa en/of Skype?

Tom Van Daele

Sinds enkele jaren duiken er meer en meer mogelijkheden op om je door middel van allerhande technologie te laten helpen bij psychische problemen: je kan online info zoeken op websites, chatten of beeldbellen met een hulpverlener, een smartphone-app installeren om zelf aan de slag te gaan, wearables dragen om activiteit in kaart te brengen, of je onderdompelen in virtual reality. In deze bijdrage komen twaalf overwegingen aan bod: zes bedenkingen om enkel voor een vertrouwd gesprek te blijven kiezen, gevolgd door evenveel ideeën die aanzetten om verder te gaan dan de conventionele aanpak. Samen vormen die de basis voor een onderbouwde inschatting die zowel de patiënt/cliënt als de therapeut kan maken: enkel de sofa of misschien toch ook Skype?

#1 Technologie is niet de facto een positief verhaal. Sinds de eeuwwisseling is er steeds meer direct contact tussen lotgenoten op het internet. Dat kan heel ondersteunend zijn, maar is niet altijd zonder gevaar. Jongeren die kampen met anorexia kunnen bijvoorbeeld terecht op pro-anawebsites: daarop wisselen ze tips uit over efficiënt en snel vermageren of over strategieën om in te gaan tegen pogingen van hulpverleners om hen terug op het rechte pad te krijgen. Vandaag gebeurt dat steeds minder op websites; de conversatie is grotendeels verplaatst naar sociale media, waar er zowel publiek als in besloten groepen op hetzelfde elan wordt verdergegaan. Diezelfde socialemediaplatformen proberen ook tegengewicht te bieden. Instagram blokkeert bijvoorbeeld courante hashtags waarmee gebruikers elkaar terugvinden, terwijl Twitter bij zoekopdrachten rond zelfdoding proactief de Zelfmoordlijn ter sprake brengt. Het blijft echter dweilen met de kraan open. Vooral voor eetstoornissen en zelfverwondend gedrag lijkt de proliferatie van internet en onlinecontacten dan ook geen positieve trend.

#2 Technologie vervangt de hulpverlener niet en kan zelfs diens werklast verhogen. Kamp je met psychische problemen, dan blijkt regelmatig contact met een hulpverlener essentieel om vooruitgang te boeken. De opvatting of hoop dat een online-interventie autonoom alles oplost, is een utopie. Vooral uitval blijkt een heel groot probleem. Zelfhulpapps die bijvoorbeeld focussen op mindfulness (zoals Headspace) of die praktische technieken bij angstproblematieken aanbieden (bijvoorbeeld de SAM-app) mogen dan wel onderbouwd en gebruiksvriendelijk zijn, ze kampen ook met enorme uitval. Minder dan 5 % van de gebruikers gebruikt de app langer dan een maand. Verder toont onderzoek ook aan dat de combinatie van een klassieke en technologische aanpak, het zogenaamde blended werken, ook niet per definitie tot succes leidt. Ondoordacht gebruik brengt het risico met zich mee dat technologie inhoudelijk weinig toevoegt, maar dat zowel de patiënt/cliënt als de therapeut significant meer tijd investeert in een therapie.

Het vervolg van dit artikel lees je in de papieren versie van Karakter 70. De volledige tekst verschijnt later online.

Deel dit artikel
Gerelateerde artikelen